De beste beschrijving van Multatuli die ik ken is van Multatuli zelf, en
staat in de "Max Havelaar", hoofdstuk 6, p. 61-65 in de
Garmond-uitgave. Deze volgt, voorzien van enkele aantekeningen.
Voor de lezer die 't niet weet: "Max Havelaar" was Multatuli's
eerste boek, en behandeld Multatuli's ervaringen in Nederlands-Indië. Hij
beschrijft zichzelf in dat boek als "Max Havelaar", en "de
kleine Max" waarvan kort sprake is hieronder was Multatuli's zoon Edu.
Het jaar waarop 't nu volgende slaat is 1856. En voor goed begrip van zowel
Multatuli als van inhoud en bedoeling van de "Max Havelaar" loont het zeer de
moeite een brief van Multatuli van 9 april
1856 te lezen.
Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy
was slank, en vlug in zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke
bovenlip, en zyn groote flauw-blauwe oogen die, als hy in kalme stemming was,
iets droomerigs hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem
beheerschte, viel er in zyn voorkomen niets byzonders optemerken. Zyn blonde
haren hingen sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem
voor 't eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te
hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy
was een "vat vol tegenstrydigheid". Scherp als een vlym, en zacht
als een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere
woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy was
vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, het ingewikkeldste, speelde
gaarne met de oplossing van moeilyke vragen, had daarvoor alle moeite, alle
studie, alle inspanning veil,... en dikwyls toch begreep hy de eenvoudigste
zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol liefde voor waarheid en
recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn eenvoudigste naastbyliggende
verplichtingen, om een onrecht te herstellen dat hooger of verder of dieper
lag, en dat door de vermoedelyke inspanning van den stryd hem meer aanlokte.
Hy was ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zijn
dapperheid dikwijls op een windmolen. Hy gloeide van onverzadelijke eerzucht
die hem alle gewone onderscheidingen in 't maatschappelyk leven, als nietig
deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootste geluk in een kalm huiselyk leven.
Dichter in den hoogsten zin van 't woord, droomde hy zich zonnestelsels by
een vonk, bevolkte die met schepsels van eigen maaksel, voelde zich heer van
een wereld die hy zelf in 't leven had geroepen... en kon toch zeer goed
terstond daarop zonder de minste droomery een gesprek voeren over den prys
van den ryst, de regels der taal, of de oeconomische voordeelen eener
egyptische hoenderbroeiery. Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem ahnde
wat hy niet wist, en hy bezat in hoogen mate de gaaf om 't weinige dat hy
wist - ieder weet weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen,
maakte op dezen regel geen uitzondering - om dat weinige aantewenden op een
wys die de maat zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en
daarby buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem
moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en
voorzichtig in 't beoordeelen van zaken, hoewel dit niet scheen aan wie hem
zoo haastig zyn slotsommen hoorde uiten. Zyn indrukken waren te levendig, dan
dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy dikwyls dat ze
duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelyker-tyd
was hy onnoozel en naïef als een kind. Hy was eerlyk, vooral waar eerlykheid in
't grootmoedige overging, en zou honderden die hy schuldig was, onbetaald
laten omdat hy duizenden had weggeschonken. Hy was geestig en onderhoudend
wanneer hy gevoelde, dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en
teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden, maakte hy - wat te snel soms -
zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig voor liefde en aanhankelykheid...
trouw aan zyn gegeven woord... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot
hoofdigheid toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te toonen...
nederig en welwillend voor wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig
wanneer men poogde zich daartegen te verzetten... rondborstig en trots, en by
vlagen achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien
voor onverstand... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot...
beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te worden, maar
welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen bodem vielen... traag
als hy niet werd aangespoord door eenigen prikkel die voortkwam uit zyn eigen
ziel, maar yverig, vurig , en doortastend waar dit wel het geval was...
voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn manieren, en onberispelyk van gedrag:
ziedaar nagenoeg Havelaar!
Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen
moeielyk zyn, geldt dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer
ver van de dagelyksche grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen,
dat romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of engelen maken. Zwart of
wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moeilyker is 't juist weergeven van
schakeeringen die daartusschen liggen, wanneer men aan waarheid gebonden is
en dus noch te donker noch te licht mag kleuren. Ik gevoel dat de schets die
ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst onvolkomen is. De bouwstoffen die
voor me liggen, zyn van zoo uiteenlopende aard, dat ze my door overmaat van
rykdom in myn oordeel belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het
ontwikkelen der gebeurtenissen die ik wensch meetedeelen, ter-aanvulling terug
komen. Dit is zeker, hy was een ongewoon mensch, en wel de moeite van 't
bestudeeren waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zyner
hoofdtrekken optegeven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde der dingen
met dezelfde snelheid en te-gelyker-tyd opvatte, aan welke eigenschap zyn
wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort van humor ontleende,
die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of ze getroffen waren door 't
diep gevoel dat in zyn woorden heerschte, of dat ze te lachen hadden over de
koddigheid die op-eenmaal den ernst daarvan afbrak.
Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn
aandoeningen, zo weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen
op ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die
vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze
beweren te zwemmen, en van al dien tyd weinig anders zouden kunnen verhalen
dan dat ze verhuisd zyn van de A-gracht naar de B-straat. Niets is gewoner
dan op ervaring te hooren bogen, juist door hen die hun gryze haren zo
gemakkelyk verkregen. Anderen weer meenen hun aanspraken op ondervinding te
mogen gronden op werkelyk ondergane lotswisseling, zonder dat echter uit iets
blykt dat ze door die veranderingen werden aangegrepen in hun zieleleven. Ik
kan me voorstellen dat het bywonen, of ondergaan zelfs, van gewichtige
gebeurtenissen weinig of geen invloed heeft op zeker soort van gemoederen,
die niet zyn toegerust met de vatbaarheid om indrukken optevangen en te
verwerken. Wie hieraan twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen
toekennen aan al de inwoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud
waren in 18915? En zy allen toch waren personen die 't belangryk drama dat in
1789 aanving, hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min
gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld.
En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van
aandoeningen, zonder dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen
aanleiding te geven. Men denke aan de Crusoe-romans, aan Silvio Pellico's
gevangenschap, aan 't allerliefste Picciola van Saintine, aan den stryd in de
borst eener "oude vryster" die haar geheel leven door één liefde
koesterde, zonder ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar
hart, aan de aandoeningen van den menschenvriend die, zonder uiterlyk in den
loop der gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van
medeburger of medemensch. Men stelle zich voor hoe hy beurtelings hoopt en
vreest, hoe hy elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een schoon
denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet wegdringen en
vertrappen door velen die, voor een oogenblik althans, sterker waren dan
schoone denkbeelden. Men denke aan den wysgeer die van uit zyn cel aan 't volk
tracht te leeren wat waarheid is, als hy merken moet hoe zyn stem
overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of gewinzoekende
kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor - niet als hy den gifbeker ledigt,
want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die welke
rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt wordt - hoe bitter
bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede en ware zocht, zich
hoorde noemen "een bederver der jeugd en een verachter der goden".
Of beter nog: men denke aan Jezus, waarhy zoo
treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagd "dat het niet gewild
heeft".
Zulk een kreet van smart - vóór gifbeker of
kruishout - vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dààr moet geleden zyn, veel
geleden, daar is ondervonden !
Deze tirade is me ontsnapt... ze staat er nu
eenmaal, en blyve. Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt
tegen de verhuizing van de A-gracht? Hy had schipbreuk geleden, meer dan
eens. Hy had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duëllen, weelde, armoede,
honger, cholera, liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had
vele landen bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand,
zeden, vooroordelen, godsdienst, en gelaatskleur.
Wat dus de levensomstandigheden aangaat, kon hy
veel ondervonden hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden had, dat hy 't
leven niet was doorgegaan zonder indrukken optevangen die 't hem zo
ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg wezen,
en de ontvankelykheid van zyn gemoed.
Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of
gissen konden hoeveel hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zoo weinig op
zijn gelaat te lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis,
doch dit deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. De
naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indiën is de man van
vyfendertig jaar niet jong meer.
Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong
gebleven. Hy kon spelen met een kind, en meermalen klaagde hy dat
"kleine Max" nog te jong was om vliegers optelaten, omdat hy
"de groote Max" daarvan zoveel hield. Met jongens sprong hy
"haasjen-over" en hy teekende heel gaarne een patroon voor 't
borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy dezen meermalen de naald uit de
hand, en vermaakte zich met dat werk, ofschoon hy dikwyls zei dat ze wel wat
beters konden doen dan dat "machinale steken tellen". By
jongelieden van achttien jaren was hy een jong student, die gaarne zyn Patriam
canimus meezong, of Gaudeamus igitur... ja, 'k ben niet geheel zeker, dat hy
niet nog kort geleden, toen hy met verlof te Amsterdam was, een uithangbord
heeft afgebroken, dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd
was, geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pyp in den mond en
waaronder natuurlyk te lezen stond: de rookende jonge koopman.
Ik geef hier een stel opmerkingen over specifieke punten, voorafgegaan
door deze algemene opmerking: Het is onaannemelijk dat er in het bovenstaande
iets staat dat Multatuli niet voor strikt waar hield, en ook onaannemelijk
dat er meer dan zeer weinig onwaars in staat - alles geoordeeld na 't
herhaald doorlezen van 25 delen verzameld werk en minstens 2 biografieën.
Hierbij zijn desalniettemin drie nogal evidente beperkingen: M. beschrijft
zichzelf, en geen mens is in staat dit uitsluitend objectief te doen, was het
alleen omdat iedereen zichzelf vooral waarneemt van binnenuit, terwijl alle
anderen alleen z'n buitenkant zien; hij laat ook dingen weg en kiest voor een
gunstiger interpretatie of uitleg dan anderen soms zouden geven; en in feite
beschrijft hij een roman-personage dat hoewel het ontleend aan hemzelf is - de
ambtenaar en mens Eduard Douwes Dekker - in de context staat van wat evident een
geromantiseerde hoewel op feiten gebaseerde geschiedenis is, die vooral
beoogde Douwes Dekker eerherstel en opgang te bezorgen.
"was slank, en vlug in zyn bewegingen":
Dat was z'n hele leven zo, en M. was overigens bewegelijk, en naar het oordeel
van velen vaak zenuwachtig, om niet te zeggen extreem zenuwachtig.
"zyn korte en bewegelyke bovenlip":
M. hield dit voor een teken van wilskracht.
"zyn groote flauw-blauwe oogen":
Deze moeten behoorlijk opmerkelijk zijn geweest, en zijn dat ook op de
resterende zwart-wit portret-fotoos.
"Zyn blonde haren": Een
opmerkelijke tekortkoming van de zwart-wit portretfotoos van M. was dat deze
nogal misleidend zijn over hoe lichtblond M. feitelijk was. (Dit is zowel
door M. als door anderen opgemerkt, waaronder Busken Huet.)
"die wat hoofd en hart beide aangaat tot de
zeldzaamheden behoorde": Zelfkennis is moeilijk, maar meer dan
110 jaar na de dood van de man die dit over zichzelf schreef mag
gekonkludeerd worden dat hij hierin meer - en bitterder, naar in z'n verdere
leven blijken zou - gelijk had dan hijzelf dacht. Dit sluit overigens in het
geheel niet uit dat hij zijn eigen bijzonderheden weliswaar overwegend
waarachtig beschreef, maar ook plooide naar de eisen en opzet van de roman die
hij schreef over zijn eigen wedervaren.
"Hy was vlug van begrip": M. was
een van de zeldzame mensen die meervoudig hoogbegaafd zijn, met zowel een
uitgesproken talent voor logisch en wiskundig redeneren, als een uitgesproken
talent voor talen en voor taal in 't algemeen. (En de lezer die zelf opziet
tegen akademici moet begrijpen dat M. vrijwel alle academici vanzelfsprekend
intellectueel de baas was, en dat ook wist, eenvoudig op basis van ervaring.)
"en dikwyls toch begreep hy de eenvoudigste
zaak niet": Naar men mag aannemen: Vooral zaken die betreffen
"hoe een fatsoenlijk doorsnee mens voelt, denkt, spreekt en wil".
Overigens is 't een feit dat M. vaak logische bezwaren tegen geaccepteerde
redeneringen zag die anderen eenvoudig niet zagen, en waar hij vaak wel gelijk in
had (al had hij 't regelmatig mis door gebrek aan relevante kennis).
"Vol liefde voor waarheid en recht":
Wie meer van M. weet, is zich bewust dat hier geen letter aan gelogen is,
maar is zich wellicht minder bewust dat deze liefde
voor waarheid en recht in ieder geval na 't 25ste levensjaar veel
zeldzamer is dan mensen voorwenden en dan M. tot ca. z'n 60ste doorhad. Ook is
het ongetwijfeld waar, al merkte M. dat niet zelf op, dat hij hier ook graag
mee koketteerde.
"verspilde, als die andere Don Quichot, zijn
dapperheid dikwijls op een windmolen": 't Is zeker niet zo dat M.
zich zijn Don Quichotterie niet bewust was, en vrijwel zeker wel zo dat hij
zich tot ca. z'n 60ste niet bewust was hoe weinig Don Quichotterie er schuilt
in doorsnee mensen. Overigens is het terecht hier een zekere mate van terechte
zelfkritiek in te lezen.
"toch stelde hy zyn grootste geluk in een
kalm huiselyk leven.": Ik licht dit eruit omdat dit een vaak
onderschat punt lijkt.
"Geen wetenschap was hem geheel vreemd.":
Hier moet in rechtvaardigheid twee dingen achter gevoegd worden: 1. als
dilettant en 2. voordat de lezer een te hoge dunk krijgt van z'n eigen kennis
en geestvermogens: als geniale dilettant, d.w.z. met een groter vermogen maar
een geringere kennis dan "de academische mannen van 't vak".
Hy was stipt en ordelyk, en daarby buitengewoon
geduldig: Zoals M. zelf opmerkt, was dit minder natuurlijke aanleg dan
gecultiveerde zelfbeheersing. Mijzelf komt het nogal waarschijnlijk voor dat
M. bipolair depressief was, en dat ongeveer half wist (want het bestaan van
dit ziektebeeld was gedurende zijn leven niet bekend). Voor de lezer die hier
weinig of niets van weet: Ik bedoel allerminst dat M. gestoord of krankzinnig
was - enkele korte periodes in zijn leven uitgezonderd - maar bedoel wel dat hij een handicap had die z'n leven moest
bemoeilijken. (Overigens: Er is nog geen werkelijk intellectueel genie
geweest dat niet voor gek doorging onder normale mensen, inclusief
doorsnee-akademici.)
"Zyn indrukken waren te levendig":
Busken Huet heeft in ieder geval twee zinnige opmerkingen over M. gemaakt: M.
"was de virtuoos van 't sarkasme" en "was als een man zonder
huid", zo gevoelig. Zie de vorige opmerking voor een mogelijk deel van
de reden voor M.'s gevoeligheid.
"Al wat groot en verheven was, lokte hem
aan, en tegelyker-tyd was hy onnoozel en naïef als een kind": Dit
is ongetwijfeld weer allebei waar, en wie "groot
en verheven" te sentimenteel acht begrijpe "ambitieus".
Voor de rest, zie boven bij "en dikwyls toch
begreep hy de eenvoudigste zaak niet".
"Hy was eerlyk, vooral waar eerlykheid in 't
grootmoedige overging": Voor wie de delen 8-25 van de VW van
Multatuli heeft bestudeerd, was M. een buitengewoon eerlijk man - en zie 't
vorige punt. Ook was hij niet alleen eerlijk uit grootmoedigheid, maar ook
uit hoogmoedigheid - zie IDEE 220. (Wie 't woord
"hoogmoed" niet begrijpt leze: "trots" - en bedenke dat
zowel 't een als 't ander, in ongehuichelde vorm, onder Nederlanders - die
zich in leven plegen te houden met handeldrijven dus liegen - zeer
ongebruikelijk zijn.)
"zou honderden die hy schuldig was,
onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken": Dit
gebeurde later ook. De m.i. kortste adekwate verklaring is dat M. niet met
geld kon omgaan vooral vanwege z'n bipolaire depressiviteit, die 't hem in
manische periodes vrijwel onmogelijk maakten geen geld uit te geven om
anderen te helpen. Holland is geldgek, en slechte en saaie schrijvers plegen
M. zeer kwalijk te nemen dat hij veel slechter met geld om kon gaan dan
vrijwel iedere Neerlandse schrijver die men kan bedenken. Hier behoort dus
meer over opgemerkt te worden, maar niet in deze context, al is het
rechtvaardig één kwalificatie toe te voegen: Hij was in dit opzicht vaak
onverantwoordelijk.
"Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy
gevoelde, dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken":
Dit ligt ik er weer uit als een blijk van zelfinzicht dat ook weer zeer goed
geillustreerd wordt door VW 8-25.
"Hartelyk voor zyn vrienden, maakte hy - wat
te snel soms - zyn vriend van al wat leed.": Idem vorige
opmerking.
"nederig en welwillend voor wie zyn
geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde zich daartegen
te verzetten": Ja. Ik neem aan dat de meeste mensen dit voorkomt
als karakterfout, maar de meeste mensen worden dan ook niet als genie
geboren. Ook is 't een feit dat 't menselijk zoogdier individueel weinig
liever doet dan uitblinken, excelleren, de beste zijn, en dat immer
nivellerende Neerlanders daar zeer graag en massaal over liegen ("doe
maar gewoon, dan doe-juh als gek genoeg!").
"traag als hy niet werd aangespoord door
eenigen prikkel die voortkwam uit zyn eigen ziel": Dit haal ik er
weer uit als voorbeeld van zelfkennis, en als een van de oorzaken die M.'s
leven moeilijk maakte: Wat hem niet overtuigde of als juist of rechtvaardig
verscheen gold voor hem niet - wat "men" ook dacht, of zei, of
deed. (Er zijn niet veel mensen die in deze zin individueel zijn.)
"vriendelyk, beschaafd in zyn manieren, en onberispelyk
van gedrag": Ook dit geldt, met enige mitsen en maren betreffende
M.'s opvliegendheid (want hij eiste vaak ook een onberispelijk gedrag, zeker
van kellners e.d.).
"de beschryving van een persoon die zeer ver
van de dagelyksche grondvorm afwykt.": Ongetwijfeld zeer waar, en
in 't Neerland waarin ik leef een zeer onpopulaire gedachte: Hier behekst de
middelmaat zich over de eigen middelmatigheid door zichzelf en anderen wijs
te maken dat "alle mensen gelijkwaardig zijn". Nu, dat is een
leugen die alleen de middelmaat en wie daaronder bungelt pleziert.
"dat hy de belachelyke en de ernstige zyde
der dingen met dezelfde snelheid en te-gelyker-tyd opvatte": De
lezer zal hier veel van terugzien in de IDEEN. Een gedeeltelijke verklaring
hangt weer samen met bipolaire depressiviteit. En overigens is 't zowel een
handicap als een voorrecht van hoogbegaafden dat ze veel meer kanten en
zijden plegen te zien aan wat hen treft dan normaal begaafden.
"zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust
met de vatbaarheid om indrukken optevangen en te verwerken.": Men
mag gerust aannemen dat M. bedoelde dat de meerderheid van de mensen
dergelijk soort van gemoederen heeft. Zie ook de vorige opmerking.
"Of beter nog: men denke aan Jezus":
M. zag nogal wat parallelen tussen z'n eigen atheïstisch wijsgerig persoon en
Jezus, die de zeer talrijke Christenen van z'n tijd nogal shockeerden. Maar
M. had gelijk, al is dat gelijk nogal moeilijk duidelijk te maken: 't komt
erop neer dat beiden mystici waren, en dat de zeer grote meerderheid van de
mensen geen idee hebben wat dat betekent. (Men leze de dln. 19-20 van de VW,
over M.'s publieke voordrachten.)
"Dààr moet geleden zyn, veel geleden, daar
is ondervonden !": M.'s zelfverkozen pseudoniem betekent "ik
heb veel gedragen, veel geleden", en 't is interessant dat hij dat
vooral motiveerde in termen van rijke ondervinding, waar hij gelijk in had:
Vergeleken met de meeste van z'n tijdgenoten had hij veel meer meegemaakt en
gereisd en gezien en geleerd. Ook lijkt het mij zeer veel waarschijnlijker dan
niet dat M. een vorm van manische depressiviteit had.
"omgang gehad met lieden van allerlei ras en
stand, zeden, vooroordelen, godsdienst, en gelaatskleur": Ook
weer anders dan vrijwel al z'n tijdgenoten was M. geen racist, geen gelovige,
geen aanhanger van Europese of blanke meerderwaardigheid (afgezien van wetenschappelijke
kennis), en had hij inderdaad persoonlijke omgang gehad met zeer veel
verschillende mensen uit zeer veel verschillende landen en culturen.
"dat hiervan zoo weinig op zijn gelaat te
lezen was": Dit zal waar geweest zijn toen M. dit schreef, maar was 20
jaar later, getuige een fotografisch portret uit 1875, niet meer waar. In de
tussenliggende 20 jaar had M. dan ook een buitengewoon moeilijk leven
geleid.
"een uithangbord heeft afgebroken, dat hem
niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan de voeten
van een Europeaan": Indertijd was het slavenhalen
("kontraktarbeiders") en slavenhouden in Nederland (in de kolonieën)
nog niet afgeschaft.
|