Oorsprong der
vrymetselary. Hoe men 't moet aanleggen om met sommige menschen
kennis te maken. Bydrage tot de ongeloofwaardigheid van 'n oud
schryver.
Ze was terdege
boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, gezag, heerschappy,
overwicht en de van al deze faktoren grootendeels afhangende
tevredenheid met zichzelf, voortdurend in stygende of dalende
beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich genoopt
naar bondgenooten omtezien, en opent met 'n klein toespraakje de
preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te komen of er
kans bestaat dat anderen in z'n verdriet deelen - of al was 't maar
in z'n afkeuring - en hy staat gereed het minste blyk daarvan
aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt
vanzelf dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid
aan deze taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die
weleens op z'n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan
versterking van standpunt begint te denken voor de stygende invloed
van den vyand hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van
betrekkelyke gelykheid openbaart zich de wryving in morren, twist,
krakeel, vechtpartyen of oorlog, al naarmate de stryd zich tot
individueele belangen bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel
zoodanige gelykheid nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens
op-nieuw 'n onderliggende party gevormd wordt die aan herstel van
standpunt behoefte voelt, is dat zoeken naar geestverwantschap 't
perpetuum mobile geworden dat de gansche maatschappy in beweging
houdt. De machtigste korporatie die ooit bestond, moet begonnen zyn
met de vraag: of 't niet waar was? Maar de Geschiedenis zwygt over
de tallooze malen dat er op die vraag geen weerklank werd gegeven,
of wel 'n antwoord dat verdere onderhandelingen afsneed en alle
toenadering onmogelyk maakte. Het is aan 'n zeer byzonder toeval te
danken, dat ik kan meedeelen hoe de eerste poging van de waardin was
beantwoord geworden. Ziehier wat de schipper had gezegd, toen ze
terstond na 't instappen van de roef 'n gesprek trachtte
aanteknoopen:
-
Zeg 'ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel
bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?
Zeker verstond ze 't wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben
hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat,
waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár
was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat
vreemd geval doen zou.
-
Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo 'n veraffrentasie!
Meer
had ze niet gezegd, en daarmee was 't voor datmaal uit geweest. Laat
ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee ze dat
komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten reeds
dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid van
karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z'n
tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet
ondankbaar voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden
eigen vuur by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig
te loeren op 'n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn,
wist ze wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in 't geheel
niet geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad.
Maar de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z'n
gezag aan boord, op z'n deugd, op z'n zes gehuwde kinderen:
-
Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... 'n
mooi vak, m'nheer pastoor! [1]
Jansen liet z'n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van
z'n rotting rusten, maar antwoordde niet. Z'n gelaat teekende
droefheid, en de waardin bespiedde z'n stemming. 't Was, meende zy,
al iets dat-i door z'n zwygen weinig blyk gaf van den lust om
in vriendschappelyke verstandhouding tot den schipper te komen.
- En
de derde is op 'n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt is er
een! Als-i 'n woord ziet, vraagt-i dadelyk: waarvan ontleent zich
dat? En hy wéét 't! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik
zeggen. 't Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...
Een
blik op de roef.
...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m'nheer pastoor?
Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen 'n
beetje. 't Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen om
behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich dat-i
met z'n ‘God voor oogen!’ niet beter slaagde, vooral omdat-i met 'n
geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was zulke
praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze
schipper. Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat
de terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer
van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant
boven 'n konkurrent gaat. [2] Deze algemeene waarheid was nu wel niet op
den goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den
schipper werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde
hy z'n fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags - op den zeldzamen
keer na, dat-i geen enkelen passagier in de roef had - en nog nooit
was z'n hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem 'n zalvend:
‘ja, ja, schipper, daar heb je wel gelyk in!’ optebrengen. Dit
behoorde tot de emolumenten van z'n verheven beroep, en die pastoor
zat maar zwygend op z'n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo
byzonder toepasselyke: ‘eerlyk door de wereld!’ had die vervelende
passagier geen goedkeurend woordjen over, geen knikje! Er moesten
andere loopgraven geopend worden:
-
Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris - want Chris heet-i
naar z'n grootmoeder, omdat die ook Chris heette - 't is 'n eerst
platje. 't Was eigenlyk m'n vrouws moeder... ook 'n brave vrouw, dat
kan ik je gerust zeggen, m'nheer pastoor! 't Mensch is dood, maar
anders... Jan, vier 'n scheutje tot die modderpraam voorby is.
Jan
de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was 't juist
niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van z'n
zeemanschap te laten zien.
-
Ja, m'nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de lyn
als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z'n zaken passen,
en... God voor oogen! Dan kom je 'r wel. [3] Haal nu maar weer in, Jan.
Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m'nheer pastoor. En onze Chris
zei - want hy is 'n platje - ‘wel, vader, waarom noemen je de
menschen: haarlemmer-schipper?’ Nou, ik begreep terstond dat er wat
achter stak, maar waar 't 'm zat kon ik niet raden, want geleerd ben
ik, om 't zoo 'reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m'n werk
als de beste...
Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z'n
knecht het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen
besmeerd was, met water te bevochtigen.
- 'n
Paar pussies maar, want ziet u, m'nheer pastoor, anders kleeft het
zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m'n eene dochter
- Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, want... myn
naam is Jan - nu die is getrouwd met 'n boekbinder. Die heeft ook al
haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de blye
verwachting, want haar man is op 'n kantoor in de accynsen. Daar
worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?
-
Maar, m'nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen
haarlemmer-schipper noemen?
-
Ja, niet waar, dàt is 'n vraag! Nou, hy is 'n guit, dat zal je
hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je
meer te Haarlem geweest?
Of
Wouter er geweest was!
-
Want anders kan je 't niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m'nheer
pastoor vertellen van m'n derde dochter. Die woont in de Langstraat,
en haar man heeft 'n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van
alles. 't Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar
aanspreker is-i ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft
nogal. Toen verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun
eigen bus twintig gulden gehad. En nu is de middelste ook ziek, 'n
meisje, m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja,
't gaat 'rlui best. [4] Ze wil altyd dat ik m'n rust zal nemen omdat ik
op jaren kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m'n
vader, en die heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met
werken omdat ik zoo erg op jaren kom, m'nheer pastoor, en al zooveel
beleefd heb. Maar ik zeg maar altyd: nè, zoolang God me kracht
geeft...
Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog
meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens
z'n guitige zoon wezen mocht.
-
Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'nheer
pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat
het hun best. [5]
-
Maar, m'nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?
-
Precies, zoo kom je-n-op 't ware punt van de zaak. Wel, jongeheer,
hy zei - maar 't is 'n guit, dat zal je zien - ‘vader, zeid-i,
zoodra je Halfweg gepasseerd bent, word je
Amsterdammer-schipper.’ 't Is waar ook, zei ik, en ik had er nooit
aan gedacht. Zoo zieje wel dat zoo'n jongen me de baas is. Maar...
God voor oogen, dat 's best van allemaal. Wel ja, straks voorby
Halfweg - als je-n-in die streken bekend bent, zal je 't zelf
zien - dan kom ik, om zoo te zeggen, van Amsterdam, en hier gaan we
nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je die? En hy is pas
zeventien!
Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i 't niet
brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met
pater Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf.
Dit zou 't geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid
eenigszins geestiger geweest, want de goede man repeteerde z'n
theologischen kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan
worden, en wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde
hy als fatsoenlyk man 'n instinktmatigen afkeer van 't wyf dat hy
wel zou moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee
meisjes aantetrekken. Dit nu hield hy in z'n onnoozelheid voor
plicht, en... zy wist het! Ze wist dat er slechts 'n gepaste
aanleiding noodig was om hem aan 't spreken te krygen. Zonder
uitbundige instemming hebben we hem hooren beweren dat er op 'n
Simmenarie zooveel menschenkennis viel optedoen, maar wel durven
we deze eigenschap toekennen aan de vele simmenarien die onze
waardin in haar jeugd bezocht, en na voleindigde studien op ryper
leeftyd bestuurd had. Met grapjes of 'n geestigheid was die ernstige
pastoor niet te genaken, dit voelde ze wel. Met opgedrongen
vriendelykheid evenmin. De weg naar z'n gemoed... ze wàs er!
-
Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, 't schreit werachtich tot God!
Schipper, leg 'reis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik
ben goed voor de vracht.
- Ik
mag 't niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i
zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m'nheer pastoor ook
wel weten.
Hy
riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in 't water, en de
schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in den
stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie die
na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de
schuit werd opgenomen.
-
Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, en
rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...
En
Jansen aanziende:
...wel ja, niet waar, men moet z'n evenmensch 'n beetje helpen in de
wereld?
Ziedaar nu haar derde: ‘niet waar?’ en 't beste! Jansen antwoordde
wel niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop
blyk gaf naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die
hy maakte, de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen
aanwyst. De waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper 'n
zegepralenden blik toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het
oog op God dien slag overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten
dat-i eerst jaren daarna overleden is, waarschynlyk in 'n oogenblik
dat-i 'n verkeerden kant uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos
vindt, mag veronderstellen dat de man, ook zonder de minste fout in
de richting van z'n oogen, ten-laatste bezweken is aan deze of gene
ziekte die Gods macht te-boven ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld.
Want dat gebeurt soms.
Hoe
dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich
kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z'n ergernis over den triumf van
de waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in
gesprek te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu 't ys
eenmaal gebroken was, bleek het wyf raad te weten voor 't wegruimen
van de schotsen.
-
Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze, toen de tonen
van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m'nheer pastoor, ik hou
van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z'n werk! 't Was niet
aantezien, niet waar?
-
Ja, juffrouw, zoo'n orgel is 'n heele vracht.
- En
die arme vrouw met al haar wurmen van kinderen!
De lezer gelieve te bedenken dat noch de
Maddam noch pater Jansen 't belangryk werk hadden gelezen dat ik
aanbeval in de noot op 202.
*) [6] Zy beiden
verkeerden alzoo - met sommige anderen misschien - nog altyd in de
oud-testamentische dwaling dat de goddelyke zegen zich zeer in 't
byzonder laat afmeten naar 't getal kinderen waarmee 'n menschenpaar
zich veroorlooft wereld en maatschappy te bezwaren. Dat er in
ongepaste vruchtbaarheid iets schandelyks liggen kon, iets
misdadigs, kwam niet in de onnoozele zielen op. Volgens sommigen
bestaan er ook thans nog vroomschynende achterblyvers die in zulke
‘arme wurmen’ aansporing tot medelyden meenen te ontdekken met de
onverlaten die deze schepseltjes ten-leven doemden, en we mogen dus
niet te laag op pater Jansen neerzien, als-i blyk geeft het argument
van de waardin klemmend te vinden. Want dit deed-i.
-
Ja, zeker, juffrouw, 't is wel om meely mee te hebben. Maar...
Wat-i ‘maren’ wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig
voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om 'n
aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging.
De slimme feeks, op den weg gebracht misschien door 'n eigenaardige
uitdrukking op z'n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking
die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
-
Och, m'nheer pastoor, ik kan m'n evenmensch niet zien lyen. Als ik niet
zoo vol behuist was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die
stumperts by me, al was 't de kleine jongen die op 't orgel zat.
-
Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
-
Ja, m'nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
-
Maar, juffrouw...
-
Och, m'nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i 'r uitziet. Ik
heb altyd m'n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die
twee meissies daar vóór in 't ruim! Wat is 't geval? De een heeft
geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m'nheer
pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze
had, om zoo te zeggen, geen hemd aan 't lyf. Wat heb ik gedaan? Ik
heb 'r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m'nheer pastoor!
En die andere? Nou, die heeft 'n moeder... godbetert! Liever géén,
zeg ik. Ze stuurt 'r kind de straat op om jongens nateloopen,
jongens en heeren! Nou, 't zyn er heeren na! En van dat schandloon
wil de moeder 't hare hebben! Ik vraag u, m'nheer pastoor, wat komt
er te-recht van 'n meid die op straat loopt?
De
arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van
't vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw
ging voort:
-
Toen heeft ze my 'n brief geschreven... of ze 'm zelf geschreven
heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem 'n nette
fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, en... en...
en... om 'n beetje voorschot, zooals 't by zulke gelegenheden gaat.
En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien dukatons,
m'nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen - wel ja, van m'n
verlies kan ik niet leven! - wat gebeurt er? De menschen schelden
me-n-uit!
Hier
begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef haar
bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de
war. Uit het ruim der schuit klonken 'n paar wegstervende maten van
de fransche complainte. De schipper richtte z'n oog... altyd
op God, natuurlyk, maar nu ook zeer in 't byzonder dan eens op de
wolken, dan weer op den nagel van z'n linkerduim, 'tgeen scheen te
moeten beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging.
Met
allerlei praatjes bracht de waardin 't zoover dat Jansen haar
uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes
voorttezetten. ‘Hy zou haar wel eens willen spreken’ zeide hy, en ze
had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, de
waardin en haar beide beschermelingen zich by 't ‘overloopen’ te
Halfweg 't genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien
overgaan in 'n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen
gezamenlyk plaats aan 'n herbergtafeltje voor 't gastvrye Huis
Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid
verloste. Arme Styntje! [7]
En... die Brughman! De lezer zal nu toch
eindelyk wel inzien dat we niet alles moeten gelooven wat er door
oude schryvers gezegd is, want de waardin kwam 'n volle schuitbeurt
later thuis dan ze gedacht had. Voor haar vertrek van 't Huis
Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende
Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan [8], dat was - in dit
byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor den vervolge -
de vervelende straatweg naar Amsterdam...
Om-'shemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is die
twee schepsels by Styntje te introduceeren? [9]
*) ‘Elementen der sociale
Wetenschap’ Rotterdam, by Nygh. [10]
[1] -
Allemaal best af, m'nheer pastoor, best! Twee by 't waagdragen... 'n
mooi vak, m'nheer pastoor!
Ik weet niet wat "waagdragen"
is, maar bij de waag werd o.a. gebrandmerkt en gehangen. En verder zie
[4], want Wouter schijnt weer een heel moreel Nederlander getroffen te
hebben.
[2]
Over 't algemeen vinden die heeren 't niet aangenaam dat de
terminologie van 't vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer van
zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat 'n klant boven 'n
konkurrent gaat.
Juist.
[3]
Een mensch moet op z'n zaken passen, en... God voor oogen! Dan kom je
'r wel.
De ware Neerlandse levensles. En mag
ik de waarachtige Nederlander die opgang wil maken in Nederland
nogmaals wijzen - vanuit de goedheid van mijn hart - op de
levenslessen onder
1215?
[4]
't Is om 't nu zoo eens uittedrukken: 'n komeny, maar aanspreker is-i
ook, en hy bedient 'n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen
verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus
twintig gulden gehad. En nu is de middelste ook ziek, 'n meisje,
m'nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, 't gaat
'rlui best.
M. had het idee dat veel arme
Nederlanders in zijn tijd op deze manier geld verdienden met de dood
van hun kinderen: "dat
geeft nogal".
[5] -
Een mensch moet op z'n post blyven naar Gods bestel, m'nheer
pastoor. Dàt heb ik altyd m'n kinderen voorgehouden, en daarom gaat
het hun best.
Zie
[3]. Deze houding was heel populair bij de hogere
standen: Ieder mens, en in het bijzonder ieder lid van de lagere
standen, moet z'n maatschappelijke rol (zie o.a.
1112 en 1211)
braaf spelen zoals deze 'm door de Heer is toegekend. De Engelse
filosoof Bradley schreef er wat later in de 19e eeuw dan de
Wouter-geschiedenis speelt een verhandeling over geheten "My station
and its duties" met deze morele lering, vooral voor de lagere standen:
Doe hier in 't ondermaanse braaf wat je opgedragen wordt en je zult er
eeuwig voor worden beloond in het hemelse hiernamaals - of anders
eeuwig branden in de hel.
Wie
hier meer van wil begrijpen moet
het budget van Klaas
Ris mee wegen in z'n overdenkingen.
[6]
De lezer gelieve te bedenken dat noch de
Maddam noch pater Jansen 't belangryk werk hadden gelezen dat ik
aanbeval in de noot op 202.
*)
Dat in die tijd heel vernieuwend,
origineel en moedig was.
[7]
't gastvrye Huis
Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z'n preek over zuinigheid
verloste. Arme Styntje!
De
naam "Ter-Hart" is weer suggestief. En
trouwens ook arme vrouw Claus (zie
1253),
want pater Jansen had niet goed op Wouter gelet en Wouter niet goed op
pater Jansen.
[8]
Voor haar vertrek van 't Huis
Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende
Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan
We mogen aannemen dat ze lòpen omdat
ze verlost zijn van 50 guldens en zelfs niet de paar duiten hebben om
met de trekschuit terug te gaan.
[9]
Om-'shemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is die
twee schepsels by Styntje te introduceeren?
Dit moet één van de eeuwige raadselen
blijven, want we zijn aan het eind gekomen van zowel Multatuli's Ideën
als de geschiedenis van Wouter Pieterse.
Iets is er wel bekend over hoe M. verder
wilde, want in een brief aan z'n correspondent Vitus Bruinsma noemt M.
z'n voornemen om Wouter te laten leren door ervaring dat het er ook in
de hoogste standen gewoonlijk en gemiddeld niet goed voorstand met de
menselijkheid van de leden ervan.
Verder moeten we gissen: Dat Wouter,
Jansen en de meisjes naar vrouw Claus gaan, waar prinses Erika
verblijft; dat Erika geld genoeg heeft om Wouter nogmaals te helpen,
en status genoeg om de Kopperliths naar haar hand te zetten; dat
Wouter, die immers zoveel lijkt op prins Erik, diens plaats een tijd
kan innemen, terwijl Erik het zeemansleven verkent; dat dokter Holsma
vast goede raad heeft en de moeilijkheden voor Wouter met juffrouw
Pieterse kan gladstrijken; en dat Sietske Holsma en Wouter een heel
goede kans maken op elkaar. Maar wéten zullen we het nooit, helaas.
[10]
‘Elementen der sociale
Wetenschap’ Rotterdam, by Nygh.
Omdat ik Multatuli's noten aan het eind
van de ieder idee waar ze bijhoren afdruk, lijkt het hier alsof deze
noot de laatste regel van Ideën VII zou zijn. Dat is echter niet zo: In 't
papieren origineel staat de noot onderaan een eerdere pagina.