Idee 1278.                                                


Dit hoofdstuk bevat niets dan de beknopte mededeeling van 't overlyden des auteurs
.

Lezer, ik ben dood. [1] Eenige weken geleden woonde ik 'n voordracht by over ‘het wezen der vlam’ en de voordragende doctor in de chemie begon heusch met de verzekering dat sommige eigenschappen van de vlam reeds aan de ‘Ouden’ bekend waren. Ik weet dat gelyksoortige voorvalletjes jaren geleden reeds stof tot meidingersche anekdoten opleverden, en 't mag me niet verwonderen als men dit exordium van m'n doodbericht voor 'n opgewarmde aardigheid aanziet. Ik antwoord met de ernstige verzekering dat ik de waarheid zeg, en vind de zaak opmerkelyk, juist omdat ze reeds zoo lang heeft uitgediend als bladvulling van lachprullen. Een weldadige hoestbui weerhield me [2], den begaafden pas-gepromoveerden redenaar toeteroepen: ‘juist, doctor, en die ui ook!’ Maar ik zou ongelyk gehad hebben. Want de man sprak in vollen ernst, en deed me op-nieuw inzien dat ik de waarheid zei, toen ik in m'n verhandeling over Vrye Studie beweerde dat geen anekdotenjager zotternyen bedenken kan, die niet haar tegenhangers vinden in de werkelyke wereld. 

Welnu dan, lezer, ik ben dood, en wil u vertellen hoe die verandering van maatschappelyke konditie zich heeft toegedragen. De dood was reeds by de Ouden bekend. Zelfs hadden sommigen hunner wysgeeren reeds ingezien dat men op meer dan een manier sterven kan. 't Bleef echter voor onze eeuw, en wel bepaaldelyk voor my bewaard, de ontdekking te doen dat men overlyden kan aan 'n paar dozyn tydschriften en letterkundige voorlichtings-verhandelingen. [3] Dáármee hebben m'n vyanden my tot 'n grafgenoot van onze Käthchen gemaakt!

In m'n hoedanigheid van overleden schryver, kan ik me niet duidelyk uitdrukken. Ook deze eigenaardigheid van het dood-zyn was den Ouden bekend. Men vindt zelfs sporen van personen die na hun dood geen woord meer gesproken hebben, maar dit was uitzondering, gelyk getuigd kan worden door de Emmausgangers, en door ieder die 't XXXIe hoofdstuk van Philostratus' Leven van Apollonius van Tyane gelezen heeft. Mocht de lezer dit werk niet kennen, dan verkies ik me niet met hem intelaten. Als klassisch letterkundige heb ik aanspraak - en ik maak ze - op 'n auditorium dat óók 'n beetje verstand van oude modellen heeft. Ik mag m'n disertie [4] niet voor onkundigen werpen.

Toen ik m'n Idee 13 schreef, leefde ik nog. Ga nu eens na, lezer, hoe zwaar 't me valt nauwkeurige mededeeling te doen van de gebeurtenissen die m'n dood te-weegbrachten, my dien 't reeds zoo moeielyk viel me met benaderende juistheid uittedrukken toen ik nog leefde! Welke begrippen men over den dood koestere - 't woord ‘koesteren’ is weer naar model geteekend - hoe men over hem denke, ieder zal erkennen dat-i spraakbelemmerend werkt. Ik vraag dus vergeving als ik in dit hoofdstuk minder duidelyk ben, dan vóór m'n overlyden m'n vaste gewoonte was. Mocht ik by ongeluk herleven, dan zal ik m'n denkbeelden zoo laag by den grond trachten te houden, dat ze de traagste schildpad uitlokken tot 'n allerprettigst haasjen-over. Ja, dan wil ik zoo eenvoudig en geleidelyk schryven, dat zelfs de heeren Churchill en Disraeli me kunnen begrypen.

Wie is Churchill? Wie is Disraeli? Lezer, 't zyn vreemdelingen die wat geschreven hebben, en dus beroemde schryvers. [5] Mochten ze zich in 'n grootmoedige bui vernederen Holland met 'n bezoek te vereeren, ze zullen met gastmalen, feestgejuich en fakkel-optochten, met serenades en drink-oraties ontvangen worden. Het gansche volk van Nederland staat met bewondering, geestdrift en breekyzers gereed, alle zilversmidswinkels... wat zeg ik, alle magazynen van goudwerkers en diamantzetters te plunderen, om de kruinen der doorluchtige gasten van de verschuldigde lauwerblaren te voorzien. De benedenruggen der koncierges van alle mogelyke lustverblyven wedyveren in oefening van hoekscherpte, om de ware houding te vinden waarin aan de heeren 't eerbiedig voorstel zal gedaan worden, ditmaal voor hun meegebrachte honden genoegen te nemen met ledikanten waarop de vorstelyke voorouders van den huize gewoon waren hun laatsten adem uitteblazen. By de onmogelykheid om die edele dieren 'n spys hunner waardig voortezetten, zal men genoodzaakt wezen zich ditmaal tot ribbetjes en zwezerik van nederlandsche jonkvrouwen te bepalen. Mochten de heeren, vóór 't hun schikt de onderdanige voetkus in ontvangst te nemen, waarmee gastheer en gastvrouw beschroomdelyk de vryheid hopen te mogen nemen hun beslikte schoenzolen te reinigen, naar den Abtritt vragen, men zal ze wyzen op dozynen nederlandsche schryvers die zich, ad hoc wydgapend, en niet zonder yverzucht op eventueele voorkeur, ruggelings op den grond hebben gelegd. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .  . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .  . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . [6]

Etiamsi omnes, ego non! [7] Men wordt beleefd verzocht, den opengelaten regel intevullen met de ruwste vloeken die er te bedenken zyn.


[1] Lezer, ik ben dood.

M. schreef dit in 1877, leefde nog tien jaar, maar bleef al die jaren vrijwel volledig dood voor publiek. Hij corrigeerde nog wat aan de Ideën en gaf er enkele noten bij; hij beantwoordde een verzoek om een literaire biografie met een fraai stukje satire dat prompt ophef maakte om een onzinnige reden; en zijn laatste publieke mededeling was deze advertentie, die op 12 november 1886, drie maanden voor M.'s dood, in diverse dagbladen werd geplaats:

"Om misverstanden uit de weg te ruimen, verklaar ik dat de meningen der sociaal-democraten over de middelen ter verbetering van de treurige toestand, waarin 'n zeer groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, mij voorkomen in hoofdzaak onjuist te zijn."

M's voornaamste reden had hij een paar maanden eerder, in augustus 1886, gegeven aan een correspondent van hem:

"Neen, socialist ben ik niet! Ik kan 't program van die party niet onderschryven, en dat is jammer voor my misschien, voor hen iets zekerder. [...] Niet alleen dat ik niet socialist ben, ik ben anti-socialist. De socialisten willen den ‘Staat’ almachtig maken, ik dring aan op de meest mogelyke inkrimping der bemoeienis van 't noodzakelyk kwaad dat men ‘Regeering’ noemt. Zy houden zich voortdurend bezig met het voorslaan en doordryven van nieuwe wetten, ik beweer dat men zich hoofdzakelyk moest bezighouden met afschaffing van wetten. Zy blyken te smachten naar verzwaring van juk, ik eisch, binnen de grens van 't mogelyke: vryheid."

Domela Nieuwenhuis ging hier ook nog op in (zie z'n Multatuli als ketter bij uitnemendheid, laatste sectie), maar ik meen dat de geschiedenis heeft geleerd dat Multatuli hier een stuk scherper zag in het gemiddelde menselijke onvermogen dan de socialisten, anarchisten en sociaal-demokraten: Alle socialistische staten hebben zich snel tot staats-dictaturen ontwikkeld. En bovendien lag dit minder aan Marx, Engels, Lenin, Stalin of Mao, dan aan de aanleg en voorkeur voor totalitaire idealen bij de meeste mensen, alsof hun goed mòet overwinnen door het vernietigen van iedereen die het niet met hen eens is of niet op hen lijkt, en ook doordat alle macht corrumpeert.
 


[2] Een weldadige hoestbui weerhield me

M. hoestte veel de laatste 12 à 15 jaren van z'n leven, en had iets als asthma (hoewel dat achteraf niet volledig zeker is).
 


[3]  't Bleef echter voor onze eeuw, en wel bepaaldelyk voor my bewaard, de ontdekking te doen dat men overlyden kan aan 'n paar dozyn tydschriften en letterkundige voorlichtings-verhandelingen.

In feite waren de voornaamste min of meer literaire redenen dat M. ophield met schrijven voor publiek vooral de publikatie in 1875 van Van Vloten's "Onkruid onder de tarwe", en het veelvuldige gewoonlijke doodzwijgen, het algeheel uitblijven van iedere min of meer rationele reactie, van vrijwel iedereen in Nederland op bijna alles dat M. publiceerde na de "Minnebrieven".

En om niet misbegrepen te worden: Natuurlijk wàren er wel recensies van sommige boeken van Multatuli; natuurlijk schreven sommigen wèl over hem; en natuurlijk was M. na de "Max Havelaar" zo beroemd of berucht als enig Nederlander in zijn tijd mogelijk was. Maar wie de moeite heeft genomen de VW uitgegeven bij Van Oorschot door te lezen, waarin alle toen bekende brieven van Multatuli te vinden zijn; vele brieven van zijn correspondenten; en redelijk wat documentatie-materiaal dat grotendeels uit stukken van de recensies bestaat die wèl werden gepubliceerd, kan niet anders dan konkluderen dat M. overwegend ofwel niet begrepen ofwel onjuist weergegeven werd en vaak ook beide tegelijk.
 


[4] m'n disertie

Letterkundig: Verhandeling.
 


[5] Wie is Churchill? Wie is Disraeli? Lezer, 't zyn vreemdelingen die wat geschreven hebben, en dus beroemde schryvers.

Wellicht denkt de lezer hier aan Winston en Benjamin van gezegde familienamen, maar het betreft feitelijk voorvaderen van deze Engelse premiers.
 


[6] dozynen nederlandsche schryvers die zich, ad hoc wydgapend, en niet zonder yverzucht op eventueele voorkeur, ruggelings op den grond hebben gelegd. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .  . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .  . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .  . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 

Ik geloof dat het hier de juiste plaats is om nog eens de conceptie van de Ideën te citeren, met een voorafgaande welsprekende passage die verduidelijkt wat M. hier bedoelt:

AAN DEN UITGEVER.

              Waarde D'ABLAING !

   Neen, er zal  niet gezegd worden dat niemand beproefde den vloek te bezweren die er rust op het Volk. 't Zal niet gezegd worden dan niemand de ziekte aantastte, de rottende ziekte waaraan dat Volk lydt: de LEUGEN. Ik zal doen wat ik kan.

   Ik verzoek u de uitgaaf op u te nemen van 'n werk dat ik zoo-even bedacht heb. Ik zal u elke week 'n vel druks leveren. Ja, als ik 'n kamer heb waar ik rustig zitten kan, twee vellen in de week. Ik verbind my voorlopig te schryven van zes-en-twintig vellen, dat is dus - als ik geen goede kamer heb - voor een half jaar.

  Geef dat uit naar uw goeddunken. By inteekening, zonder inteekening . . . voor veel geld, voor weinig geld . . . het scheelt my niet.

Ik zal in dat schryven trachten naar WAARHEID.

Dit is m'n program. Dit is m'n eenig program.

Ik zal geven: verhalen, vertellingen, geschiedenissen, parabelen, opmerkingen, herinneringen, romans, voorspellingen, mededeelingen, paradoxen . . .

Ik hoop dat er 'n idee zal liggen in elk verhaal, in elke mededeeling, in elke opmerking.

Noem dus m'n werk: IDEËN. Anders niet. 

En schrijf er boven: "een zaaier ging uit om te zaaien."

Kondig het terstond aan. Dat werk zal de vaan wezen die ik ophef en hooghoud: parceque suivre bannière ne peux!

De andere passage die ik bedoel is deze:

Naar den duivel met die preêk en die beschouwingen in 'n derde-deelig lystje! Naar den duivel met uw gareel waarin 'k niet loopen wil, gy die geen paard begrypt zonder juk, gen leest zonder keurslyf, geen taal zonder spraakkunst, en geen waarheid zonder peperhuis, waarin ze licht opgerold, toegevouwen, platgedrukt, inééngefrommeld, als 'n theater-affiche van den vorigen keer!

   Naar den duivel met uw schoolmeestery, gy die meent dat schryven of spreken iets anders is dan 't weergeven van de indrukken der ziel! Gy die dáárom van de ziel 'n talent hebt gemaakt, om uw aangeleerd, verschoold talent voor ziel door te doen doorgaan, en alzoo dat talent te maken tot grondstof van 'n beroep "dat wat gééft!"

   Voort . . . terug naar de schoolbank, gy meesters in dingen die men niet leert, gy volleerden in zaken die gehadt moeten voelen, vóór gy iets leerdet! Weg preêkers, babbelaars, redevoeringshouërs, preek- praat- redeneer- vertoog- pleit- verhandel-kramen, à raison van zooveel woorden in 't uur, van zooveel centen 't woord! Weg handelaars in de waarheid, tegen honderd liters in de minuut. Debitanten en splitters van gevoel in volzinnen groot en klein, by den emmer en by 't maatje . . . 

   Gy hebt het Volk bedorven! Gy, schriftgeleerden, gy, gy, gy . . .

    Gy, met uw gepraat over dingen die vanzelf spreken. Gy, met uw gepraat over dingen die in 't geheel niet spreken. Gy, met uw rechterzy en uw linkerzy. Gy met uw behoud en met uw liberalisme. Gy, met uw "eerste beginselen" die onmisbare bondgenooten van elke beginselloosheid. Gy, met uw deftigheid en witharige wysheid. Gy, met uw duitenplatery, dat is: gy met uw bedrog . . . GY hebt het Volk bedorven!

   En ge huist, als vuil ongedierte, niet alleen in de plooien van de toga der Volksvertegenwoordigers - ge nestelt overal waar ge kunt plaats vinden tusschen naad of vouw der bedekking van de een-of-andere deftigheid. Gy, sprekers, praters, schrijvers, redenaars, preêkers . . .

Dit is wat M. motiveerde om te schrijven en publiceren, maar rond de tijd dat dit idee 1278 geschreven werd was M. tot de overtuiging gekomen dat hij mislukt was in zijn opzet politiek voorganger en maatschappelijk hervormer te worden, waar het hem uiteindelijk in de eerste plaats om te doen was geweest, naast eerherstel en inkomen voor zichzelf en zijn familie.

Naast gebrek aan gewenst succes, gebrek aan intelligente respons, en gering aantal volgelingen van niveau waren twee belangrijke redenen voor Multatuli's besluit niet meer voor publiek te schrijven kennelijk de dood van zijn eerste vrouw en de publikatie in 1875 van Van Vloten's "Onkruid onder de tarwe". Zie hiervoor 1252, en ik merk ook nogmaals op - zie 1206 - dat in bundel VII het gebruikelijke motto ontbreekt.
 


[7] Etiamsi omnes, ego non!

Ik ben ook uit hetzelfde hout, maar de grote meerderheid niet. En dat is ook niet primair een kwestie van niet willen maar niet kunnen, helaas.

Idee 1278.