Ik liet onze Käthchen
liggen, maar raapte den houten Plutarchus eerbiedig op, en
zette m'n onderzoek voort. Otho... Hannibal... Scipio... ik
ben er! Neen, de bladwyzer nog, en de annotationes! Ik heb ze
doorgeploegd en doorgezwoegd. Wel mag ik met
Xylander zeggen... neen, met veel meer recht dan hy, die
nergens blyk geeft dat-i ter eere van z'n overtuiging iemand
verbryzelde en daardoor zich blootstelde aan onaangenaamheden met de
justitie, met veel meer recht dan hy mag ik uitroepen: lezer, pro
magnis laboribus gratus esse memento! [1] Dit doe ik dan ook, maar
ik voeg er by dat de heele Plutarchus alweer geen woord
bevat, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de lyn van 'n
haarlemmer-schuit korter wezen zou dan tachtig vaam. Dezelfde
negatieve ervaring had ik opgedaan in de H.S. [2] Daarin vinden we
nauwkeurige opgaven van de lengte der Enakskinderen, en van de
afmetingen der Arke Noachs. De lokalen van de beide tempel-editien
worden ons zoo haarfyn voorgemeten, dat 'n hedendaagsch behanger nog
altyd weten kan welke vloer- en wandtapyten er zouden te leveren
vallen by 'n derde uitgaaf. Maar over 't onderwerp dat me nu bezig
houdt, geen woord! De Heilige Boeken zouden - slechts in dit
byzonder geval natuurlyk! - even onbruikbaar geweest zyn als de
onheilige, wanneer niet juist dat beteekenisvol zwygen voor my 'n
bron van duidelykheid geworden was. Daar er wel eens werken
geschreven zyn in 'n taal die ik niet best versta - 't modern krant-
en novelle-hollandsch by-voorbeeld - liet ik die door zwaarbeëedigde
translateurs voor my vertalen. Daar waren bekwame lui onder, niet
geheel verstoken van eenig besef dat er onderscheid zou kunnen
bestaan tusschen de woordekens: als en toen. Sommigen
zelfs gaven blyk dat ze 't verschil tusschen de tyden van 'n
werkwoord kenden, en een hunner - maar de man had zich grys geblokt
- wist de uitdrukking: als Leonard dezen gil geeft, dan is Amalia
flauw gevallen’ grifweg in 't hollandsch te vertalen, 'n haut
fait op 't gebied van hoogere taalkunde dat m'n bekende
onwetendheid zeer te-stade kwam. De lezer ziet dus dat ik me veel
moeite getroost heb, en wanneer men 't niet onbescheiden vindt dat
ik na den uitroep van zoo-even wéér aan 't uitroepen ga, dan kies ik
ditmaal tot klassieke-schoolkreet de woorden van den jongen
Plinius: quae scripsimus cum labore,
cum labore etiam audiri putamus. (Epist, II, 19)
[3] Welnu,
noch in die Brieven noch in eenig ander geschrift van de
plinische familie, nergens, nergens vinden wy 'n spoor van de
meening dat de afstand tusschen 'n haarlemmer-schuit en 't paard dat
hem trekt, minder dan tachtig vaam bedragen zou. Wat de bocht
aangaat, de distantie tusschen plecht en jaaglyn, de vraag of niet
nu-en-dan die lyn door vieren en inhalen van lengte verandert, en
vooral de pedante bedenking dat de zaak misschien behandeld is in
werken die niet tot ons gekomen zyn... hoor eens, met haarkloven
houd ik me niet op. Dit heb ik goddank van den Ouden Plinius
geleerd. De lezer weet dat men zich nooit van 'n ondeugd moet
onthouden, voor er uit 'n eerwaardig boek is gebleken dat 'n ander
't ook eens gedaan heeft. [4]
Niet
langer alzoo dan tachtig vaam, niet korter dan tachtig vaam...
viktorie, we zyn er: de lyn van 'n haarlemmer-trekschuit is tachtig
vaam lang! Lezer, wees nu eens oprecht, en zeg of ge ooit - op de
hemelsche gelukzaligheid na - een waarheid in helderder licht
gesteld zaagt? [5] En wie is in onzen burgerschooltyd ongeleerd genoeg
om met zoo'n bazis onder de voeten van z'n redeneervermogen, niet te
kunnen berekenen dat onze reizigers 't Sloterdyker tolhek
voorbyvoeren, juist op 't oogenblik toen de heesche minnezangster
rondging met haar bakje? Wel 'n beetje vermoeid van m'n
bewysvoering, maar even gul in 't meedeelen van indrukken als voor
Käthchen's overlyden, wil ik met genoegen nog meer van de zaak
vertellen. Toen de vrouw 'n paar steentjes opraapte om haar bedelnap
tot rammelen in-staat te stellen, herinnerden zich de meeste
toeschouwers dat ze door dringende bezigheden naar huis werden
geroepen, maar toch mogen wy 't er voor houden dat de strikt-noodige
tien of twaalf duiten werden opgehaald, want eenige minuten na 't
voorbygaan van de schuit, kon de orgelfamilie de reis voortzetten.
En dit deed ze.
De
kortzichtigste lezer ziet nu wel dat het hoofdstuk byna uit is, en
begint dus te vreezen dat ik hem alweer 't brok volksroem zal
onthouden, waarop-i reeds zoolang met hollandsche smart zat te
wachten. ‘Onzen dagelykschen roem, geef ons heden!’ [6] De verwachting
is billyk, en 't gebed finaal overbodig. Welaan dan! Onder de
eigenaardigheden van den Nederlander bekleedt de volkomenheid 'n
eerste plaats. [7] Vervolgens...
Kyk,
dat heb je nu van letterkundige modellen! M'n tafel ligt vol boeken
waarin ik sedert maanden zit nateslaan hoe een schryver die zich
eerbiedigt - en tevens niet afkeerig is van 'n beetje populariteit -
z'n landgenooten behoort te pryzen.
Ik meende in Brughman 't ware voorbeeld
gevonden te hebben, was heusch van plan 't in dit hoofdstuk
meetedeelen, en... daar komen twee heeren me storen.
Sterne? vraagt ge, en wie meer? De vraag
is dom. Sterne hinderde me waarachtig al lang genoeg, en zat, God
weet sedert hoeveel bladzyden, schrylings op m'n pen z'n leelykste
buitelingen te bedenken. [8] Wie dat niet merkte! Neen, m'n gasten
heeten Disraeli en nog een, zekere
Churchill, die door den eersten in z'n
Curiosities of Litterature op
allerbeminnelykste manier aan den nederlandschen lezer wordt
voorgesteld. Ik zal ze te-woord staan, maar zweer by God en alle
Heiligen dat ik daarna geen modellen meer op m'n schryftafel
ontvang, voor ik me aan 't voorradige behoorlyk heb volgelaafd, en
voor de lezer weet of Wouter Haarlem zal bereiken. Ik hoor zeggen
dat voorradig geen behoorlyk woord is, maar weet niet waarom?
Bovendien, ik vond het in 'n model op de vierde bladzy van 'n krant.
Over puriteinigheid in-zake germanismen, by-gelegenheid 'n
woordje. Ik denk daarover heel anders dan m'n meeste
medeletterkundigen, maar ben 'n beetje beschroomd m'n opinie te
uiten.
[1]
Wel mag ik met
Xylander zeggen... neen, met veel meer recht dan hy, die
nergens blyk geeft dat-i ter eere van z'n overtuiging iemand
verbryzelde en daardoor zich blootstelde aan onaangenaamheden met de
justitie, met veel meer recht dan hy mag ik uitroepen: lezer, pro
magnis laboribus gratus esse memento!
Ik wil de lezer er op wijzen dat ook
ik iets dergelijks wel mag uitroepen, vrijwel aan het eind van mijn
uitgebreide kommentaren op zeven delen Ideën van Multatuli.
[2]
de H.S.
Letterkundige opmerking: Niets minder
dan de Heilige Schrift, o ongelovige lezer(es), die het waarachtig
woord van de Heer niet kent noch herkent!
[3]
De lezer ziet dus dat
ik me veel moeite getroost heb, en wanneer men 't niet onbescheiden
vindt dat ik na den uitroep van zoo-even wéér aan 't uitroepen ga, dan
kies ik ditmaal tot klassieke-schoolkreet de woorden van den jongen
Plinius: quae scripsimus cum labore,
cum labore etiam audiri putamus. (Epist, II, 19)
Alweer een overwegend letterkundige
opmerking: De jonge Plinius verwoordde dan een mening die ook
Multatuli had: Er zit iets hoerigs, iets publieke-vrouw-achtigs, in
het schrijven voor publiek voor geld.
Lord Byron, die zelf geen geldgebrek had
maar wel een dichterlijke ader, bezong dat zo, in "English Bards
and Scottish Reviewers", in 1809:
Let such forego the poet's sacred name,
Who rack their brains for lucre, not for fame:
Still for stern Mammon may they toil in vain!
And sadly gaze on gold they cannot gain!
Such be their meed, such still the just reward
Of prostituted muse and hireling bard!
Multatuli hield ermee op ca. 1877 en
schreef toen feitelijk vijf jaar vooral hoewel niet alleen voor geld,
met steeds minder geloof in de redelijkheid of rationaliteit van de
Nederlanders, al dan niet behoorlijk opgeleid.
[4]
De lezer weet dat men
zich nooit van 'n ondeugd moet onthouden, voor er uit 'n eerwaardig
boek is gebleken dat 'n ander 't ook eens gedaan heeft.
't Is ongetwijfeld een fraai
sarkasme, maar er is een onderliggend kennelijk feit: Het is niet
onaannemelijk dat er meer mensen verlijd zijn tot ondeugd door de
kennis dat gezegde ondeugd ongestraft kon gebeuren dan er mensen
weerhouden zijn van ondeugd door morele traktaatjes en preken.
[5]
Niet langer alzoo dan tachtig vaam, niet korter dan tachtig vaam...
viktorie, we zyn er: de lyn van 'n haarlemmer-trekschuit is tachtig
vaam lang! Lezer, wees nu eens oprecht, en zeg of ge ooit - op de
hemelsche gelukzaligheid na - een waarheid in helderder licht gesteld
zaagt?
Hoewel ik veel filosofie
gelezen heb moet ik eerlijk toegeven dat de argumentaties in dat
fraaie vak zelden veel beter en regelmatig aanzienlijk beroerder zijn.
[6]
‘Onzen dagelykschen roem, geef ons heden!’
Ik wijs er maar op, was het alleen
omdat iemand die véél dommer is dan ik met wie ik filosofie studeerde
tegenwoordig professor is in dat vak, en ooit pop-professor was, alles
omdat Neerland behoefte voelt aan lieden van dergelijk intellectueel
kaliber: David Bowie - een androgyne popster - werd fameus onder
allerlei domme poseurs met de kreet dat iedereen 15 minuten roem
verdient.
[7]
Onder de eigenaardigheden van den Nederlander bekleedt de volkomenheid
'n eerste plaats.
Eindelijk een waarheid die de heffe
van het Nedervolk inzichtelijk, begrijpelijk, vanzelfsprekend en
geheel geldig vindt! (Ik schrijf dit in tijden van voetbal-waanzin,
maar ook daarbuiten is het gestelde evident Nederlandse volkswaarheid
nummer twee, na "Doe-maar-chuwoon-dan-doe-juh-al-gek-genoeg", dat door
deze tweede volkswaarheid ook zeer ondersteunt wordt, als gebod der
deugd.)
Maar goed, o Nederlander: Voor een
waarachtige autochtone Nederlanders is er niets beters, mooiers,
wenselijkers, aantrekkelijkers, menselijkers, prachtigers en
heerlijkers dan waarachtige autochtone Nederlanders!
[8]
Sterne hinderde me waarachtig al lang genoeg, en zat, God weet sedert
hoeveel bladzyden, schrylings op m'n pen z'n leelykste buitelingen te
bedenken.
Zie
1274.