Idee 1277b.                                                


Ik liet onze Käthchen liggen, maar raapte den houten Plutarchus eerbiedig op, en zette m'n onderzoek voort. Otho... Hannibal... Scipio... ik ben er! Neen, de bladwyzer nog, en de annotationes! Ik heb ze doorgeploegd en doorgezwoegd. Wel mag ik met Xylander zeggen... neen, met veel meer recht dan hy, die nergens blyk geeft dat-i ter eere van z'n overtuiging iemand verbryzelde en daardoor zich blootstelde aan onaangenaamheden met de justitie, met veel meer recht dan hy mag ik uitroepen: lezer, pro magnis laboribus gratus esse memento! [1] Dit doe ik dan ook, maar ik voeg er by dat de heele Plutarchus alweer geen woord bevat, waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de lyn van 'n haarlemmer-schuit korter wezen zou dan tachtig vaam. Dezelfde negatieve ervaring had ik opgedaan in de H.S. [2] Daarin vinden we nauwkeurige opgaven van de lengte der Enakskinderen, en van de afmetingen der Arke Noachs. De lokalen van de beide tempel-editien worden ons zoo haarfyn voorgemeten, dat 'n hedendaagsch behanger nog altyd weten kan welke vloer- en wandtapyten er zouden te leveren vallen by 'n derde uitgaaf. Maar over 't onderwerp dat me nu bezig houdt, geen woord! De Heilige Boeken zouden - slechts in dit byzonder geval natuurlyk! - even onbruikbaar geweest zyn als de onheilige, wanneer niet juist dat beteekenisvol zwygen voor my 'n bron van duidelykheid geworden was. Daar er wel eens werken geschreven zyn in 'n taal die ik niet best versta - 't modern krant- en novelle-hollandsch by-voorbeeld - liet ik die door zwaarbeëedigde translateurs voor my vertalen. Daar waren bekwame lui onder, niet geheel verstoken van eenig besef dat er onderscheid zou kunnen bestaan tusschen de woordekens: als en toen. Sommigen zelfs gaven blyk dat ze 't verschil tusschen de tyden van 'n werkwoord kenden, en een hunner - maar de man had zich grys geblokt - wist de uitdrukking: als Leonard dezen gil geeft, dan is Amalia flauw gevallen’ grifweg in 't hollandsch te vertalen, 'n haut fait op 't gebied van hoogere taalkunde dat m'n bekende onwetendheid zeer te-stade kwam. De lezer ziet dus dat ik me veel moeite getroost heb, en wanneer men 't niet onbescheiden vindt dat ik na den uitroep van zoo-even wéér aan 't uitroepen ga, dan kies ik ditmaal tot klassieke-schoolkreet de woorden van den jongen Plinius: quae scripsimus cum labore, cum labore etiam audiri putamus. (Epist, II, 19) [3] Welnu, noch in die Brieven noch in eenig ander geschrift van de plinische familie, nergens, nergens vinden wy 'n spoor van de meening dat de afstand tusschen 'n haarlemmer-schuit en 't paard dat hem trekt, minder dan tachtig vaam bedragen zou. Wat de bocht aangaat, de distantie tusschen plecht en jaaglyn, de vraag of niet nu-en-dan die lyn door vieren en inhalen van lengte verandert, en vooral de pedante bedenking dat de zaak misschien behandeld is in werken die niet tot ons gekomen zyn... hoor eens, met haarkloven houd ik me niet op. Dit heb ik goddank van den Ouden Plinius geleerd. De lezer weet dat men zich nooit van 'n ondeugd moet onthouden, voor er uit 'n eerwaardig boek is gebleken dat 'n ander 't ook eens gedaan heeft. [4]

Niet langer alzoo dan tachtig vaam, niet korter dan tachtig vaam... viktorie, we zyn er: de lyn van 'n haarlemmer-trekschuit is tachtig vaam lang! Lezer, wees nu eens oprecht, en zeg of ge ooit - op de hemelsche gelukzaligheid na - een waarheid in helderder licht gesteld zaagt? [5] En wie is in onzen burgerschooltyd ongeleerd genoeg om met zoo'n bazis onder de voeten van z'n redeneervermogen, niet te kunnen berekenen dat onze reizigers 't Sloterdyker tolhek voorbyvoeren, juist op 't oogenblik toen de heesche minnezangster rondging met haar bakje? Wel 'n beetje vermoeid van m'n bewysvoering, maar even gul in 't meedeelen van indrukken als voor Käthchen's overlyden, wil ik met genoegen nog meer van de zaak vertellen. Toen de vrouw 'n paar steentjes opraapte om haar bedelnap tot rammelen in-staat te stellen, herinnerden zich de meeste toeschouwers dat ze door dringende bezigheden naar huis werden geroepen, maar toch mogen wy 't er voor houden dat de strikt-noodige tien of twaalf duiten werden opgehaald, want eenige minuten na 't voorbygaan van de schuit, kon de orgelfamilie de reis voortzetten. En dit deed ze.

De kortzichtigste lezer ziet nu wel dat het hoofdstuk byna uit is, en begint dus te vreezen dat ik hem alweer 't brok volksroem zal onthouden, waarop-i reeds zoolang met hollandsche smart zat te wachten. ‘Onzen dagelykschen roem, geef ons heden!’ [6] De verwachting is billyk, en 't gebed finaal overbodig. Welaan dan! Onder de eigenaardigheden van den Nederlander bekleedt de volkomenheid 'n eerste plaats. [7] Vervolgens...

Kyk, dat heb je nu van letterkundige modellen! M'n tafel ligt vol boeken waarin ik sedert maanden zit nateslaan hoe een schryver die zich eerbiedigt - en tevens niet afkeerig is van 'n beetje populariteit - z'n landgenooten behoort te pryzen.

Ik meende in Brughman 't ware voorbeeld gevonden te hebben, was heusch van plan 't in dit hoofdstuk meetedeelen, en... daar komen twee heeren me storen. Sterne? vraagt ge, en wie meer? De vraag is dom. Sterne hinderde me waarachtig al lang genoeg, en zat, God weet sedert hoeveel bladzyden, schrylings op m'n pen z'n leelykste buitelingen te bedenken. [8] Wie dat niet merkte! Neen, m'n gasten heeten Disraeli en nog een, zekere Churchill, die door den eersten in z'n Curiosities of Litterature op allerbeminnelykste manier aan den nederlandschen lezer wordt voorgesteld. Ik zal ze te-woord staan, maar zweer by God en alle Heiligen dat ik daarna geen modellen meer op m'n schryftafel ontvang, voor ik me aan 't voorradige behoorlyk heb volgelaafd, en voor de lezer weet of Wouter Haarlem zal bereiken. Ik hoor zeggen dat voorradig geen behoorlyk woord is, maar weet niet waarom? Bovendien, ik vond het in 'n model op de vierde bladzy van 'n krant. Over puriteinigheid in-zake germanismen, by-gelegenheid 'n woordje. Ik denk daarover heel anders dan m'n meeste medeletterkundigen, maar ben 'n beetje beschroomd m'n opinie te uiten.


[1] Wel mag ik met Xylander zeggen... neen, met veel meer recht dan hy, die nergens blyk geeft dat-i ter eere van z'n overtuiging iemand verbryzelde en daardoor zich blootstelde aan onaangenaamheden met de justitie, met veel meer recht dan hy mag ik uitroepen: lezer, pro magnis laboribus gratus esse memento!

Ik wil de lezer er op wijzen dat ook ik iets dergelijks wel mag uitroepen, vrijwel aan het eind van mijn uitgebreide kommentaren op zeven delen Ideën van Multatuli.
 


[2] de H.S.

Letterkundige opmerking: Niets minder dan de Heilige Schrift, o ongelovige lezer(es), die het waarachtig woord van de Heer niet kent noch herkent!
 


[3] De lezer ziet dus dat ik me veel moeite getroost heb, en wanneer men 't niet onbescheiden vindt dat ik na den uitroep van zoo-even wéér aan 't uitroepen ga, dan kies ik ditmaal tot klassieke-schoolkreet de woorden van den jongen Plinius: quae scripsimus cum labore, cum labore etiam audiri putamus. (Epist, II, 19)

Alweer een overwegend letterkundige opmerking: De jonge Plinius verwoordde dan een mening die ook Multatuli had: Er zit iets hoerigs, iets publieke-vrouw-achtigs, in het schrijven voor publiek voor geld.

Lord Byron, die zelf geen geldgebrek had maar wel een dichterlijke ader, bezong dat zo, in "English Bards and Scottish Reviewers", in 1809:

Let such forego the poet's sacred name,
Who rack their brains for lucre, not for fame:
Still for stern Mammon may they toil in vain!
And sadly gaze on gold they cannot gain!
Such be their meed, such still the just reward
Of prostituted muse and hireling bard!

Multatuli hield ermee op ca. 1877 en schreef toen feitelijk vijf jaar vooral hoewel niet alleen voor geld, met steeds minder geloof in de redelijkheid of rationaliteit van de Nederlanders, al dan niet behoorlijk opgeleid.
 


[4] De lezer weet dat men zich nooit van 'n ondeugd moet onthouden, voor er uit 'n eerwaardig boek is gebleken dat 'n ander 't ook eens gedaan heeft.

't Is ongetwijfeld een fraai sarkasme, maar er is een onderliggend kennelijk feit: Het is niet onaannemelijk dat er meer mensen verlijd zijn tot ondeugd door de kennis dat gezegde ondeugd ongestraft kon gebeuren dan er mensen weerhouden zijn van ondeugd door morele traktaatjes en preken.
 


[5] Niet langer alzoo dan tachtig vaam, niet korter dan tachtig vaam... viktorie, we zyn er: de lyn van 'n haarlemmer-trekschuit is tachtig vaam lang! Lezer, wees nu eens oprecht, en zeg of ge ooit - op de hemelsche gelukzaligheid na - een waarheid in helderder licht gesteld zaagt?

Hoewel ik veel filosofie gelezen heb moet ik eerlijk toegeven dat de argumentaties in dat fraaie vak zelden veel beter en regelmatig aanzienlijk beroerder zijn.
 


[6] ‘Onzen dagelykschen roem, geef ons heden!’

Ik wijs er maar op, was het alleen omdat iemand die véél dommer is dan ik met wie ik filosofie studeerde tegenwoordig professor is in dat vak, en ooit pop-professor was, alles omdat Neerland behoefte voelt aan lieden van dergelijk intellectueel kaliber: David Bowie - een androgyne popster - werd fameus onder allerlei domme poseurs met de kreet dat iedereen 15 minuten roem verdient.
 


[7] Onder de eigenaardigheden van den Nederlander bekleedt de volkomenheid 'n eerste plaats.

Eindelijk een waarheid die de heffe van het Nedervolk inzichtelijk, begrijpelijk, vanzelfsprekend en geheel geldig vindt! (Ik schrijf dit in tijden van voetbal-waanzin, maar ook daarbuiten is het gestelde evident Nederlandse volkswaarheid nummer twee, na "Doe-maar-chuwoon-dan-doe-juh-al-gek-genoeg", dat door deze tweede volkswaarheid ook zeer ondersteunt wordt, als gebod der deugd.)

Maar goed, o Nederlander: Voor een waarachtige autochtone Nederlanders is er niets beters, mooiers, wenselijkers, aantrekkelijkers, menselijkers, prachtigers en heerlijkers dan waarachtige autochtone Nederlanders! 


[8] Sterne hinderde me waarachtig al lang genoeg, en zat, God weet sedert hoeveel bladzyden, schrylings op m'n pen z'n leelykste buitelingen te bedenken.

Zie 1274.

Idee 1277b.