De vrouw uit Haarlem
raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin
m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den
kreet: ‘als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m'n kerel
stemmen voor X!’ Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan
ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party behoorde, te
verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag verzinsel
vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, 'n leugen
wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht
der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is
geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten
tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. [1] Onze Maddam
dééd niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van
haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes
by den arm, en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit.
‘Allo, d'r in, as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik!
Toe, allo, d'r in, en jy ook!’ Met deze woorden werd ook het tweede
Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by
't neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De
bedroefde ‘moeder’ die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog
verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog
iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n
krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren
natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers
te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken?
[2] Wou ze
't slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och,
neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel
voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of
er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's
aandringen by Pater Jansen om voorzienigheidje te spelen had haar
aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die
beide personen uit het oog verloor, 'n oplettendheid die
rechtstreeks tot de eischen van haar ‘vak’ behoorde. Een gelyke
indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel van gewoon
bedelaars-instinkt, bewoog de ‘radelooze moeder’ nogeens ter-markt
te komen met haar radeloosheid:
-
Hi, hi, hi, m'n arm kind!
Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege
volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?
-
M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n
boezelaar weerom had!
Deze
uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten.
-
Drie skelling en 'n oortje!
Weer
rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden
bedroeg. [3]
-
Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns
die eene gulden?
De
waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die
twee broeide.
-
Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk niet!
Maar...
-
Toe, asjeblieft, m'nheer!
...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld
schryven aan m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen
pleizierig staan hier.
Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde 't
grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had 'n
beetje tyd noodig om den styf in-eengedraaiden hals te laten
ontkrinkelen...
De
waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid
van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter
haalde een ryksdaalder voor den dag.
-
Hi, hi, hi, m'n arm kind!
De
treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om zich de
oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de ‘drie
skelling’ sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen
jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg
dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste
regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde
dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar ‘verloren kind’ 'n
onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met 'n
schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open
mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i
wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te
hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten
verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing
toen hy opeens - in-godsnaam, 't moest wel! - zich aanstelde alsof
't wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder
te offeren op 't altaar van... van... ja, van wàt eigenlyk?
-
God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer!
-
Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar uit
den hoop.
-
Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind
worden?
Er
begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke
toekomst van dat ‘arme kind’ eenigszins te verbeteren, door de
jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden. [4]
[1]
Ieder beschaafd mensch
en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames,
eerst van eenige beteekenis is geworden na 't uitsluiten van de arme
drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden
werkkring.
Dit is een opmerking in verband met
het censuskiesrecht dat toen in Nederland bestond: Men mocht alleen
stemmen en gekozen worden indien men genoeg belasting betaalde, wat
feitelijk maar een kleine groep deed.
Het algemeen kiesrecht voor zowel
mannen als vrouwen dateert in Nederland uit 1920, en ik vind ook dat
geen goed idee, al heeft het de schijn van eerlijkheid en
gelijkwaardigheid. Mijn gronden om tegen het algemeen kiesrecht, zoals
't bestaat, staan o.a. onder 118 en
119, en in het Engels in het
Democracy-Plan +
het
Bureaucracy-Plan: Ik wil de gehele ambtenarij afschaffen als
beroepskaste van levenslange dienaren van de staatsmacht, en deze
vervangen door een vorm van sociale dienstplicht van enkele jaren voor
alle burgers, zodat de burgers daadwerkelijk meeregeren in die tijd,
en ook iets leren van besturen, maatschappij en verantwoordelijkheid;
en ik wil het algemeen kiesrecht voor iedere volwassene vervangen door
algemeen kiesrecht voor iedere universitair of VWO-gekwalificeerde
volwassene, zodat de buitenproportionele invloed van domme
onbeschaafden, en politieke populistische volksmenners, geminiseerd
wordt. Voorwaarde hierbij is wel dat er goed en gratis onderwijs is
voor iedereen, van een kwaliteit die minstens drie keer beter is dan
de armzalige troep die nu sinds meer dan een generatie de norm is
geworden.
[2]
Trachtte zy zeker
soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun
overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun
terugtrekken?
Zie 475.
[3] Weer
rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden
bedroeg.
En verzaakt hier z'n belofte aan
Styntje, in
1260d.
[4] Er
begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke
toekomst van dat ‘arme kind’ eenigszins te verbeteren, door de
jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden.
Multatuli was zelf iemand die het
moeilijk kon nalaten royale fooien te geven, mensen in nood te helpen,
en armelui te beweldadigen als hij daartoe in staat was.