Idee 1273.                                                


De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m'n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: ‘als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m'n kerel stemmen voor X!’ Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van 'n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo'n afschuwelyk laag verzinsel vinden in 'n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, 'n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. [1] Onze Maddam dééd niet aan staatkunde, en dit is 't slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar 't gapend luikje van de schuit. ‘Allo, d'r in, as 'n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d'r in, en jy ook!’ Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by 't opstappen en dreunde by 't neerkomen op den vloer van 't ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde ‘moeder’ die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas 'n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? [2] Wou ze 't slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in 't minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter's aandringen by Pater Jansen om voorzienigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, 'n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar ‘vak’ behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts 't uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de ‘radelooze moeder’ nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:

- Hi, hi, hi, m'n arm kind!

Wouter vroeg weer aan z'n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?

- M'n arm kind! En... m'n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m'n boezelaar weerom had!

Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter's gedachten.

- Drie skelling en 'n oortje!

Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg. [3]

- Och, m'nheer, nog niet eens 'n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?

De waardin en de moeder bespiedden om 't zeerst wat er tusschen die twee broeide.

- Hoor eens, jongeheer, 't mag niet, zei Jansen, 't mag waarlyk niet! Maar...

- Toe, asjeblieft, m'nheer!

...dan zal ik 't er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m'n broer te Vucht. Maar gauw dan, 't is geen pleizierig staan hier.

Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde 't grauwlinnen zakje waarin z'n geld geborgen was voor den dag, had 'n beetje tyd noodig om den styf in-eengedraaiden hals te laten ontkrinkelen...

De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... 't kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.

- Hi, hi, hi, m'n arm kind!

De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om zich de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de ‘drie skelling’ sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat 'n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar ‘verloren kind’ 'n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met 'n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf 'n verrassing toen hy opeens - in-godsnaam, 't moest wel! - zich aanstelde alsof 't wel werkelyk z'n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op 't altaar van... van... ja, van wàt eigenlyk?

- God zal 't je duizendmaal loonen, jongeheer!

- Dat 's vier zak guldens, en nog 'n beetje toe! riep 'n rekenaar uit den hoop.

- Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m'n arm kind worden?

Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat ‘arme kind’ eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden. [4]


[1] Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na 't uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring.

Dit is een opmerking in verband met het censuskiesrecht dat toen in Nederland bestond: Men mocht alleen stemmen en gekozen worden indien men genoeg belasting betaalde, wat feitelijk maar een kleine groep deed.

Het algemeen kiesrecht voor zowel mannen als vrouwen dateert in Nederland uit 1920, en ik vind ook dat geen goed idee, al heeft het de schijn van eerlijkheid en gelijkwaardigheid. Mijn gronden om tegen het algemeen kiesrecht, zoals 't bestaat, staan o.a. onder 118 en 119, en in het Engels in het Democracy-Plan + het Bureaucracy-Plan: Ik wil de gehele ambtenarij afschaffen als beroepskaste van levenslange dienaren van de staatsmacht, en deze vervangen door een vorm van sociale dienstplicht van enkele jaren voor alle burgers, zodat de burgers daadwerkelijk meeregeren in die tijd, en ook iets leren van besturen, maatschappij en verantwoordelijkheid; en ik wil het algemeen kiesrecht voor iedere volwassene vervangen door algemeen kiesrecht voor iedere universitair of VWO-gekwalificeerde volwassene, zodat de buitenproportionele invloed van domme onbeschaafden, en politieke populistische volksmenners, geminiseerd wordt. Voorwaarde hierbij is wel dat er goed en gratis onderwijs is voor iedereen, van een kwaliteit die minstens drie keer beter is dan de armzalige troep die nu sinds meer dan een generatie de norm is geworden.
 


[2] Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken?

Zie 475.
 


[3] Weer rekende Wouter z'n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.

En verzaakt hier z'n belofte aan Styntje, in 1260d.
 


[4] Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat ‘arme kind’ eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder 'n tweeden ryksdaalder aantebieden.

Multatuli was zelf iemand die het moeilijk kon nalaten royale fooien te geven, mensen in nood te helpen, en armelui te beweldadigen als hij daartoe in staat was.

Idee 1273.