Hoe dit zy, de
oude letterman die de specialiteit beoefende, grieksche
blyspelen geschikt te maken voor de opvoering te Rome,
verontschuldigde zich. De kurieuze ontdekking dat men eerst dan
iets beteekende, wanneer men niet oorspronkelyk was, moest
nog gedaan worden. Bovendien, de ouden waren iets ryker dan wy in
gebrek aan modellige voorbeelden, en werden - op weinig
uitzonderingen na, die bovendien van 'n anderen aard zyn - niet tot
het aanbiddend vereeren van die voorbeelden opgeleid en afgericht.
Ten-onzent straalt er van de duizelingwekkende heerlykheid der
grieksche en latynsche grammatika, altyd iets af op de schryvers die
by deze schoolstudien behandeld worden. Zeer wel weet ik dat hieruit
te-gelykertyd 'n verschynsel voortvloeit dat zeer weinig op
vereering gelykt, namelyk: tegenzin in 't klassieke (866
- 872,
1053)
maar deze tegenzin sluit het blind vereeren niet uit. De verveling
die oude schryvers, op zulke wyze behandeld, den knaap
inboezemen, heeft dit met andere eerediensten gemeen, dat ze 't
gemoed in ketenen slaat, en meewerkt tot versterking van 't al te
nederig vooroordeel: ‘wat ik begrypen kan, is zeker niet veel
byzonders.’ De voortreffelykheid van sommige stukken uit de Oudheid,
wordt door zeer velen slechts beaamd omdat ze zich niet in-staat
voelen de waarde daarvan te beseffen, en zich nooit leerden ontslaan
van den kathedralen indruk dien ze van de eerste kennismaking
opvingen. Op verreweg de meesten van dezulken is van toepassing wat
ik in 1104
- 1106
zeide over gebrek aan beoefening van 't klassieke. Het
niet-bestudeeren van oude auteurs is 'n fout. Ten-eerste
omdat men zeer dikwyls ook van hen leeren kan hoe men niet behoort
te schryven (58)
en vervolgens omdat zy 'n belangryke plaats innemen in de
geschiedenis der algemeene ontwikkeling. Voorgangers zyn ze slechts
in kronologisch-historischen zin, en leermeesters voor-zoo-ver we
hun arbeid gebruiken als onderwerp van vry-oordeelende studie. Maar
bruikbare voorbeelden, modellen, leveren ons die Ouden
niet, en dit zou de waarheid blyven, al ware alles wat ze ons
nalieten, uitstekend. [1]
[1]
Maar bruikbare
voorbeelden, modellen, leveren ons die Ouden
niet, en dit zou de waarheid blyven, al ware alles wat ze ons
nalieten, uitstekend. Maar
dat is eeuwen anders geweest, zowel in de Middeleeuwen, toen de
klassieke filosofie en i.h.b. Aristoteles werd ontdekt (tegen 1100),
als in de Renaissance (vanaf ca. 1300, althans in Italië), toen de
indertijd levenden duidelijk werd dat klassieke schrijvers en
kunstenaars verder waren gekomen dan hun eigen recente voorgangers.
Wie hier meer over wil lezen kan
bijvoorbeeld over de Renaissance te rade gaan bij
Burckhardt, Peter Burke
("The Renaissance"), en J.H. Plumb ("History of the Renaissance in
Italy")
|