Idee 1268b.                                                


De ware naam der vuile ziekte die ik bestryd, is armoed van geest, gekompliceerd met de zucht om zich als welvarend voortedoen, en by hen die haar opzettelyk en stelselmatig aankweeken, nog bovendien met nyd. [1] By dezulken is zelfs dit laatste een hoofdbestanddeel. Wanneer we echter by die uitgeoefende - of zelfs aangeprezen - ‘navolging’ slechts te doen hadden met antieke modellen, zou wel de aard der krankheid dezelfde blyven, doch waarschynlyk waren de gevolgen iets minder nadeelig. 't Is er ver vandaan dat alles wat ons de zoo hooggeroemde oudheid naliet, van voortreffelyk gehalte wezen zou. Een zeer groot gedeelte daarvan heeft slechts waarde als antikwiteit, en levert evenmin 'n geschikt voorbeeld ter navolging, als 'n romeinsche sandaal of 'n Babylonische ploeg. Het staven van deze bewering is 'n gemakkelyke maar vervelende arbeid. Men zou 'n werk van zéér grooten omvang moeten uitgeven, met de zekerheid dat niemand het lezen zal. Wie heeft daar lust in? Wie heeft er tyd toe? En... reeds die ‘Ouden’ leden aan 't euvel der ‘navolging’ 'tgeen zeer natuurlyk voortvloeide uit de toen zoowel als nu bestaande oorzaken van de kwaal, want armoed, pronkzucht en nyd zyn zoo oud als de wereld. [2] Maar al schreven ook die klassieke auteurs zoo vaak elkander na, of al poogden zy opgang te maken door 't nabootsen van eigenaardigheden in styl en wyze van inkleeding, juister gezegd: van ‘manier’ - niets is gemakkelyker! - ze roemden er niet op dat ze maar kopiïsten waren. [3] Integendeel, er blykt hier-en-daar wel degelyk dat ze beseften verschooning noodig te hebben voor iets dat in onze dagen wordt aangeprezen als verdienste. Terentius, byv. die zich niet eens de moeite gaf - en hieraan deed-i wèl - de grieksche stukken van Menander te romanizeeren, beroept zich als ter verontschuldiging van dat ‘navolgen’ op Naevius, Plautus en Ennius ‘die, zegt-i, 't ook gedaan hebben.’ Maar... waarom dan niet liever zich vertaler genoemd? Het zoogenaamd ‘verwerken’ is juist de klip waarop de vóór alles noodige oorspronkelykheid onmisbaar stranden moet. Toch ligt niet hierin 't zwaartepunt van m'n klacht over 't ‘navolgen.’ Ik yver tegen 'tgeen men noemt: ‘doortrokken zyn van den geest’ of zoo-iets. Men moet doortrokken zyn van z'n eigen geest. Terentius, die Menander met eenige wyzigingen vertaalde, was nader aan oorspronkelykheid dan Staring toen-i de aandoeningen die 't bezoek van 'n hollandschen vorst in hem opwekte, meende te mogen gieten in antieken vorm. Dit was gemaakt, onwaar, valsch, en dus: ondichterlyk, want juist in 't vinden van den eigenaardigen hemzelf toebehoorenden vorm, bestaat het dichterschap.


[1] De ware naam der vuile ziekte die ik bestryd, is armoed van geest, gekompliceerd met de zucht om zich als welvarend voortedoen, en by hen die haar opzettelyk en stelselmatig aankweeken, nog bovendien met nyd.

Juist - en één van de eerste keren dat "geest" wordt genoemd door M. in dit verband: Tot nu toe leek het meestal alsof M. meende dat er "geest" genoeg was onder gemiddelde Hollanders, maar dat deze "geest" vooral vervalst was door godsdienst, eigenbelang, of foute denkbeelden.

Ikzelf denk dat hij daarover te optimistisch was, en heb dit regelmatig beargumenteerd, en denk ook dat hij, tot rond de tijd dat hij dit idee schreef, en feitelijk ophield met schrijven voor publiek, teveel van zichzelf had toegeschreven aan de meeste anderen. Of zoals M.'s vriend Roorda van Eysinga dat uitdrukte in een brief aan M. van 31 december 1870:

Gij hebt de fout van de meeste keurnaturen. Gij wilt, dat zij denken en gevoelen gelijk Gij. (VW XIV p. 295)

Daar is veel voor te zeggen, evenals voor de begeleidende diagnose: Wat Multatuli wilde van de doorsnee Nederlander, of althans van de doorsnee leidende of beste Nederlanders van zijn eigen tijd, was teveel gevraagd, en ging boven hun vermogens van geest en hart.

De lezer die dit een hard of neerbuigend oordeel vind bedenke dat het alternatief nog minder vrolijk is: De Javaan en de Nederlandse arbeiders en niet-bezitters werden opzettelijk, en met sadistisch plezier, verder uitgebuit en uitgehongerd ten voordele van de hooguit, 5% Nederlandse welstaanden die de financiële, bestuurlijke, sociale en intellectuele élite vormden. En dit geloof ik niet, in de meeste gevallen: Het kwaad in de wereld wordt veel meer veroorzaakt door onvermogen - domheid, onwetendheid, zwakte - of door onverschilligheid dan door boze opzet.
 


[2] ... want armoed, pronkzucht en nyd zyn zoo oud als de wereld.

Juist.
 


[3] ... ze roemden er niet op dat ze maar kopiïsten waren.

Nee, dat is niet zo, of niet geheel zo. Er was lange tijd bijv. een ideaal van zuiver klassiek Latijn en Grieks schrijven. Het is bovendien ook een feit dat de Renaissance ontstond uit het waarachtig inzicht dat de beeldhouwkunst, architectuur, literatuur en filosofie van de klassieken verder was en beter was dan wat de Middeleeuwers tot stand hadden weten te brengen.

Idee 1268b.