Idee 1268a.                                                


Ik spreek van 'n artistenluim, en wel in-tegenstelling van ambachtelyke kunstgrepen. Aan zoo'n luim hebben we Vosmaer's Londinias te danken. Juist dt stuk haal ik aan - och, de keus was niet heel groot - omdat zekere lezers, van den weg gebracht door den homerischen toon, ook drin misschien navolging meenen te ontdekken. De zoodanigen hebben my slecht begrepen, en weten niet wat dichterlyk scheppen is. (244) De twee tinten van antiek en modern die in de Londinias wiegelend dooreenkrinkelen, brengen 'n mor [1] voort, dat in zeer stipten zin 't eigendom van den auteur is, en, meer nog: ze schilderen hemzelf. 't Is 'n wr gedicht. In 't weefsel dat de dichter ons te aanschouwen geeft - aktueelen inslag met hellenistische scheering: vandaar de ondeugende kleurspeling, 't foppend changeant - levert hy 'n trouwe adreskaart met signalement en fotografie van den kunstvriend, en letterbeoefenaar C. Vosmaer. 't Kon niet beter! Maar spreekt het nu niet vanzelf dat ieder ander die zich voornam eens iets te leveren in den trant van Londinias 'n gek figuur zou... behooren te maken? Ja, behooren te maken, want de schynbaar eenvoudige waarheid dat men zich niet bedienen kan van 'n vreemd visitekaartje, moet nog altyd bepreekt worden. De voortdurende behoefte aan preeken van deze strekking blykt me dagelyks *) en 't is m'n plicht den tegenzin te overwinnen die 't zoo herhaald en zoo hevig kloppen op 't zelfde aambeeld my natuurlyk inboezemt.

*) Ja, dagelyks, en 't laatst nu, byv. uit de drie bundels Nederlandsche Bellettrie van den heer Busken Huet. M'n oordeel over de daarin vervatte Kritiek is over 't geheel zeer ongunstig, en dit doet me leed. Maar ik moet het zeggen, en wel met eenigen spoed, omdat ik niet gedoogen mag dat de lof dien ik aan Litterarische Fantazien toekende, dezen of genen op den verkeerden weg leide. De taak die ik te dezen aanzien te volbrengen heb - want ik zal m'n oordeel staven - is des te verdrietiger omdat sommigen, hn standpunt voor 't myne nemende, m'n afkeuring zullen toeschryven aan wrevel over de zonderlinge miskenning van Vorstenschool, waaraan de heer B.H. zich schuldig maakt. In-godsnaam! Zwygen mag ik niet, en ik zal m'n plicht doen. [2]


[1] 'n mor

Letterkundig: Het schemerend beeld dat ontstaat als men twee gedeeltelijk lichtdoorlatende stoffen, als gazen gordijnen, over elkaar schuift, als er licht door de stoffen valt.
 


[2] over de zonderlinge miskenning van Vorstenschool, waaraan de heer B.H. zich schuldig maakt. In-godsnaam! Zwygen mag ik niet, en ik zal m'n plicht doen.

Busken Huet was een bewonderaar van Multatuli, en zelf geen onverdienstelijk schrijver. In feite zijn Huet en Multatuli vrijwel de enige schrijvers van Nederlands proza uit de 19e eeuw die nog wel eens herdrukt worden, en die men nog kan lezen voor z'n eigen plezier.

Huet en M. waren min of meer bevriend in de late jaren 1860, toen Huet M. ook hielp, maar de vriendschap verliep nadat M. leerde dat Huet zich naar Nederlands-Indi had laten verschepen op regeringskosten, om daar de regering te helpen de pers te breidelen.

Waarom Huet Vorstenschool miskende kan ik op dit moment niet beoordelen, maar ik vermoed dat ik het meer wl dan niet met Huet eens ben, omdat ik Vorstenschool als toneelstuk niet geslaagd vind, al is het wel een fraai voorbeeld van goed declameerbare geslaagde Nederlandse vrije verzen, die redelijk wat van Multatuli's ideen behoorlijk en memorabel samenvatten.

Idee 1268a.