Heel aardig dat het
stuk van den griekschen menschteekenaar ons in-staat stelt de hier
behandelde zaak zoo in één greep duidelyk te maken. Het schetsje van
Theokritus is fraai. De heer Vosmaer
deed met z'n uitstekende vertaling 'n verdienstelyk werk. En Staring
leverde door z'n ‘navolging’ 'n zotterny.
't Gebeurt me vaak dat ik by 't betoogen van
'n stelling, gedurende de bewysvoering vrees begin te voelen dat men
de waarheid die ik verdedig, te helder vinden zal voor al de moeite
die ik me geef om haar in 't licht te stellen. Het oneerlyke ‘dat
wisten wy al lang!’ klinkt me telkens in de ooren, en dan zou er
van myn kant weer 'n aanwyzing moeten volgen van al de blyken dat
‘men’ minder wys was dan-i après coup blieft voortegeven.
Misschien doet ‘men’ dit ook hier. Ik werp hem dus, tot straf voor
z'n onhebbelykheid, uitdrukkelyk voor de voeten dat-i sedert 'n paar
eeuwen Hooft voor 'n groot schryver houdt:
ook en vooral omdat-i zooveel gelykt op iemand die inderdaad
'n groot schryver was. Kan ‘men’ dit ontkennen? Is 't waar,
of is 't niet waar, dat ‘men’ meent hem te pryzen door
den bynaam van Nederlandsche Tacitus? Zoo ja, dan is 't
ònwaar dat m'n stelling: ‘de aap van 'n groot schryver is géén groot
schryver’ aan ‘men’ bekend wezen zou. ‘Men’ heeft het recht m'n
stelling aftekeuren, maar ‘men’ heeft het recht niet haar
voetstoots ‘'n peer uit eigen tuin’ te noemen, d.i. my te bestelen (270)
en dergelyke voorbeelden van oneerlykheid zyn er velen.
Dat Hooft in z'n speciaal-vak van aap ver
gevorderd was, erken ik volmondig. (731,
1017)
[1] Hy had dan ook, om zich daarin te bekwamen, den heelen Tacitus
van-buiten geleerd - z'n voedstermoer ingeslikt, had ik haast gezegd
- en deed dus juist wat vermeden zou geworden zyn door iemand die
wat beteekende. (1181)
En hy deed dit niet als 'n artist, toegevend in den speelschen luim
van 't oogenblik, maar met de opzettelyke bedoeling om zich
voortedoen als iets anders dan zichzelf. Met het doel alzoo, zich te
maken tot één stelselmatig georganizeerde leugen. En deze stumperige
onzedelykheid werd en wordt toegejucht! [2] Durft men nòg beweren dat
m'n yveren tegen nabauwen geen grond heeft?
[1]
Dat Hooft in z'n speciaal-vak van aap ver
gevorderd was, erken ik volmondig. (731,
1017)
Zie eerder, op de door M. genoemde
plaatsen, waarvan 1017 het
overtuigendst is. Ik weet niet of het een afdoend excuus is, maar
Hooft deed kennelijk wat hij wist dat in de Renaissance gebruikelijk
was: Imitatie van klassieke auteurs ging toen voor bijzonder
fatsoenlijk door.
[2] En hy deed dit niet als 'n artist,
toegevend in den speelschen luim van 't oogenblik, maar met de
opzettelyke bedoeling om zich voortedoen als iets anders dan zichzelf.
Met het doel alzoo, zich te maken tot één stelselmatig georganizeerde
leugen. En deze stumperige onzedelykheid werd en wordt toegejucht!
Over rollen, karakter en kunst.