Heel toevallig
levert juist iets anders dan er met hetzelfde stuk van den
griekschen dichter gebeurd is, 'n helder voorbeeld van 't
bespottelyke der navolging. De gedachtenloop van brekebeenen in de
kunst - van hen liever die zich door verkeerde en dikwyls
baatzuchtige raadgevingen op 'n doolweg lieten voeren - zal wel
nagenoeg aldus zyn: ‘ik wil 'n portret maken. Ook de Griek A heeft
'n portret gemaakt. Het portret dat de Griek A maakte, wordt
geprezen. Om geprezen te worden, zal ik 't portret naschilderen dat
de Griek A gemaakt heeft.’ Hier zyn allerlei vragen te doen, en veel
opmerkingen te maken. Had misschien 't antieke stuk 'n byzondere
bestemming? Droeg men wellicht den Griek 't vervaardigen van 'n Zeus
op, terwyl uw bedoeling eigenlyk was 'n schoothondje te
konterfeiten? Waartoe moest zyn stuk dienen, en waartoe 't
uwe? In welk licht zou zyn stuk geplaatst worden, en waar
denkt ge 't uwe te expozeeren? Wie waren zyn rechters,
en door wie zal uw arbeid beoordeeld worden? Was niet
misschien de lof dien men uw antieken voorganger toezwaait, wat
overdreven, en - wie weet! - geheel ongegrond? Moest ook soms
z'n gelauwerde schedel dienen tot het steenigen van 'n tydgenoot die
in den weg staat? (657)
Of, zoo dit niet het geval is, zyt ge verzekerd uit uw model juist
de eigenaardigheden te zullen kiezen - en te kunnen navolgen! - die
't aanspraak verschaften op vereering, en niet de fouten
waarvoor uw voorganger vergeving wist te erlangen door volkomenheden
die gy misschien niet bereiken kunt? Ziet ge ook soms 'n
vergoelykend in-weerwil voor 'n lovend omdat aan? Is
't uitgemaakt welk deel van den behaalden roem en ik spreek nu van
den welverdienden - slechts betrekkelyk is, en hoeveel
daarvan in nauw verband moet beschouwd worden met zeden, tydgeest,
vooroordeelen, maatschappelyke vormen, beschavingsperiode,
staatkundigen toestand, psychologische neigingen, driften,
krankheden en behoeften, altemaal zeer onstandvastige faktoren van
't produkt: aanspraak op vereering? [1] We zouden den armen
navolger nog veel vragen van deze soort kunnen voorleggen, doch al
ware het dat-i zich verstoutte op allen 'n antwoord te geven dat in
zyn oog de rechtvaardiging van z'n naknutselen meebracht, dan zoud-i
toch immer blyven optornen tegen deze ééne bedenking: dat
navolgen geen scheppen is, en dat juist de voorganger
waarby hy zweert - tenzydi 'n slecht model koos - niet
navolgde. [2] We behoeven ons in den gedachtenloop dien ik hier aangeef,
geenszins te bepalen by 't zoogenaamd antiek. Om kort en goed m'n
meening te zeggen, die van bedroevend-aktueele strekking is: niemand
- vader Cats en de plompste Kappelman niet
uitgezonderd - gelykt zóó weinig op Heine,
als zy die, Heine navolgende, op Heine meenen te gelyken. Het slagen
is hier verongelukken, en wie den zoodanige 'n kompliment maken
wilde, zou daartoe de stof moeten zoeken in 'n - zeer
onwillekeurige! - afwyking van Heine, in 'n vermeende fout.
‘Hier zyt ge nu waarlyk eens 'n oogenblikje uzelf geweest,
zou 't dan kunnen luiden, de passage is wel niet schoon, niet fyn,
niet natuurlyk, niet... al wat men wil, maar ze is ten-minste niet
Heinisch, en dit is altyd iets!’ Het spreekt vanzelf
dat deze lof vervallen zou als er bleek dat de by-ongeluk begane
zelfheid, wèl nagespoord, het eigendom van 'n derde was, van dezen
of genen Stuart Mill uit 'n àndere
modelbuurt. Het aantal verlokvormen dat God in z'n ondoorgrondelyke
valsheid te-pronk hing aan den beproevingsboom, is groot!
[3] Dewyl er
onder de velen die zich lieten foppen, sommigen zyn die ik liefheb,
waarschuw ik hen uit hartelykheid zoo ruw mogelyk. En... ik doe 'n
beroep op hun eigenliefde. ‘Weest toch 'n beetje hoogmoediger, roep
ik hun toe, en tracht eens te gelyken op uzelf! Bevalt u dat
model niet? Meent ge dat uw eigen indrukken beneden de
aandacht zyn? Vindt ge de vormen niet fraai, waarin uw eigen
ziel haar gewaarwordingen kleedt? [4] Ik heb reden om te beweren dat ge
u vergist, al moet ik dan erkennen dat het soms veel moeite kost die
indrukken te zuiveren van aangeleerde fouten, en die vormen
ongeschonden aan 't licht te brengen. Het is dan ook meestal slechts
afkeer van den hiertoe noodigen arbeid, die 't ‘navolgen’ zoo
verleidelyk maakt, en ge vergt dus wat veel als ge verwacht dat men
als nederigheid zal pryzen, wat weinig anders is dan 'n dekmantel
uwer traagheid. Wie zich over dorheid of onmacht van z'n geest
beklaagt, gelykt - op zeer weinig uitzonderingen na - den dwaas die,
verzuimd hebbende z'n akker te bebouwen, wrevelig beweert geen akker
te bezitten. Elke akker kàn iets voortbrengen, neen: elke akker
brengt iets voort, want de Natuur luiert niet! [5] Het staat aan ons
het voortgebrachte nuttig aantewenden, doch lang vóór dien stryd
reeds kunnen wy door yver, zorg, oefening van smaak en oordeel, op
de soort daarvan grooten invloed uitoefenen. Onmogelyk
evenwel is 't bereiken van dit doel, wanneer wy in-plaats van
flinkweg de handen aan 't werk te slaan in eigen bodem, heil
verwachten van 't staroogen op den tuin van 'n buurman, of op de
plekken waar 'n grieksch en romeinsch voorgeslacht eenmaal iets
geplant heeft. ‘Maar vraagt men, indien zoo'n plantsoen uit vorige
eeuwen vruchten draagt?’ Ik antwoord dat we die vruchten plukken, en
daarvan genieten wat genietelyk is - 'n groot deel der nalatenschap
kan zonder schade worden weggeworpen, tenzy men het beware als
bydrage tot de geschiedenis der dwaling, als waarschuwend
baken alzoo! [6] - doch, smakelyk of niet, plukken is geen
voortbrengen! 't Zou er slecht uitzien met de ontwikkeling der
Mensheid, als de sedert eenige eeuwen gevolgde en dezer dagen met
vernieuwden aandrang opgehemelde navolg- model- of school-theorie
ten-allen-tyde geheerscht had! Ik heb de vraag al meer
gedaan: van waar zouden de voorgangers gekomen zyn, indien elke
voorganger behoefte had gehad aan... 'n voorganger? Hoe zou
Theokritus 't gemaakt hebben om te weten... nu ja, dit zagen we
reeds. In 'n oud boek zocht-i z'n modellen niet, en juist
dáárom is z'n werk goed!
[1]
Is 't uitgemaakt welk
deel van den behaalden roem en ik spreek nu van den welverdienden -
slechts betrekkelyk is, en hoeveel
daarvan in nauw verband moet beschouwd worden met zeden, tydgeest,
vooroordeelen, maatschappelyke vormen, beschavingsperiode,
staatkundigen toestand, psychologische neigingen, driften,
krankheden en behoeften, altemaal zeer onstandvastige faktoren van
't produkt: aanspraak op vereering?
Ja, dit is een terechte opmerking, en
niet alleen in verband met "aanspraak
op vereering": In feite
helpen de huidige belangen, zoals men die ziet, gewoonlijk de huidige
oordelen te vervalsen. Mensen houden iets niet voor waar of goed in
een publiek omdat ze dit zelf bevonden hebben na persoonlijk en
grondig onderzoek, maar omdat ze menen dat hun publiek het overwegend
met ze eens zal zijn, of omdat de mening die ze publiek verkondigen
hun eigen belangen dient.
[2] ..
deze ééne bedenking: dat
navolgen geen scheppen is, en dat juist de voorganger
waarby hy zweert - tenzydi 'n slecht model koos - niet
navolgde. Wel, een
intellectueel probleem voor M. is hier dat hij toen tamelijk normale
opvattingen over esthetika had, en o.a. meende dat het klassieke
"natura artis magistra" een juist inzicht is over kunst. Daar komt bij
dat veel scheppen, misschien alle scheppen, is minstens gedeeltelijk
navolgen: Wat volstrekt en geheel origineel is in vorm en inhoud is
onbegrijpelijk als geheimtaal.
[3]
Het aantal verlokvormen dat God in z'n ondoorgrondelyke valsheid
te-pronk hing aan den beproevingsboom, is groot!
Voor de spotvormen van de deugd -
huicheldeugden - zie o.a. 114. De
lezer màg aannemen dat de meeste deugden in de dagelijkse menselijke
praktijk huicheldeugden zijn:
"Conscience is, in most men, an anticipation of the opinion of
others."
(Sir
Henry Taylor)
Waar geen anderen zijn wiens
handelingen of meningen men vreest zijn vele mensen geheel
gewetenloos.
[4] En... ik doe
'n beroep op hun eigenliefde. ‘Weest toch 'n beetje hoogmoediger, roep
ik hun toe, en tracht eens te gelyken op uzelf! Bevalt u dat
model niet? Meent ge dat uw eigen indrukken beneden de
aandacht zyn? Vindt ge de vormen niet fraai, waarin uw eigen
ziel haar gewaarwordingen kleedt?
Wel, de meesten leren zichzelf vervalsen
in hun puberteit en adolescentie, en hebben weinig of geen
zelfrespect, en terecht. Voor meer zie onder
74, 1112
en
1211,
en de daar gegeven links, want het betreft een belangrijk menselijk
probleem: Hoe maatschappelijke rollen te spelen zonder te eindigen als
een vervalsing, karikatuur of parodie van een menselijk individu.
[5] Wie zich over
dorheid of onmacht van z'n geest beklaagt, gelykt - op zeer weinig
uitzonderingen na - den dwaas die, verzuimd hebbende z'n akker te
bebouwen, wrevelig beweert geen akker te bezitten. Elke akker kàn iets
voortbrengen, neen: elke akker
brengt iets voort, want de Natuur luiert niet!
Ja, maar er zijn niet veel uitstekende
akkers. En over het geheel genomen is er troost te vinden in de notie
dat de meeste mensen meestal noch veel slechter doen noch veel beter
kunnen dan met hun aangeboren vermogens overeen komt.
[6]
‘Maar vraagt men, indien zoo'n plantsoen uit vorige eeuwen vruchten
draagt?’ Ik antwoord dat we die vruchten plukken, en daarvan genieten
wat genietelyk is - 'n groot deel der nalatenschap kan zonder schade
worden weggeworpen, tenzy men het beware als bydrage tot de geschiedenis der dwaling, als waarschuwend
baken alzoo! Of gewoon
als voorbeeld wie es damals war. En het is ook zo dat verschillende
tijdperken en verschillende individuen heel verschillend kunnen
oordelen over het verleden, en dat het soms eeuwen kan duren voordat
iemand bekend wordt.
|