Nog iets over 't
navolgen en ‘laven.’ In 't nootjen op blz. 246 noemde ik 't stuk van
Horatius ‘alleraardigst.’ En, om het te
pryzen in minder algemeene bewoording, voegde ik er kwalificeerend
by: 't is hollandsch. In-weerwil van de kikkerts en muggen
die me deze uitdrukking in de pen gaven, moet ze wel byzonder slecht
gekozen zyn als er waarheid ligt in 't voorschrift: dat we by de
‘Ouden’ behooren school te gaan. Men verheft immers den Meester niet
door de betuiging dat z'n werk op dat van den leerling gelykt?
Hieruit volgt, òf dat ik me verkeerd uitdrukte, òf dat die ‘Ouden’
onze leermeesters niet behooren te zyn.
Welnu, m'n uitdrukking was goed, en geen
kikkert hoeft er berouw van te hebben dat-i me haar influisterde,
noch ik dat ik geluisterd heb. De inkleeding van den lof dien ik
Horatius toekende, werd in de voorbaat gewettigd door 'n autoriteit
in Kunst en Litteratuur, die vooral in deze zaak bevoegd en
onwraakbaar is, door den heer Vosmaer.
[1]
Ieder weet hoe deze schryver en kunstkenner ingenomen is met de
Grieken, meer eigenlyk dan verwacht mocht worden van 'n ridder die
zoo overtuigend bewees dat men niet juist op 'n geleend en oud
(stok-) paardje behoeft te zitten om met eere z'n sporen te
verdienen. Hoe dit zy, Vosmaer zal waarachtig z'n beminde
Hellenen niet te-kort doen. En hoe pryst hy nu, o.a. den
ouden Theokritus, wiens ‘Syrakuzische
Vrouwtjes’ hy zoo keurig vertaalde? Het stukjen is aardig,
zegt-i, vlug, levendig, aanschouwelyk ‘en, vraagt hy, is 't niet, of
we hier de gesprekken afluisterden van 'n paar moderne fransche
vrouwtjes die samen uitgaan om 'n pretje bytewonen?’
*) Juist! De antieke dichter
a bien mérité de la littérature omdat z'n werk nu eens gelykt
op den arbeid dien 'n goed schryver van vandaag leveren zou.
Maar, eilieve, om dit doel te bereiken schreef Theokritus de
auteurs van vandaag niet na! Voor modellen van aardige
Syrakuzische vrouwtjes nam-i... aardige Syrakuzische vrouwtjes (250,
251)
en daar deed-i wel aan. Dááraan heeft-i te danken - begaafde studie
in menschkundig opmerken en technisch weergeven, als
vanzelf-sprekend aangenomen - dat z'n werk de eeuwen overleefd
heeft, thans nog met genoegen wordt gelezen, en door Mr. Vosmaer in
't hollandsch vertaald is. Zeker zou 't Theokritus genoegen doen
als-i weten kon dat men nog altyd z'n gedicht pryst, en dat z'n ‘Vrouwtjes’
zich verblyden mogen in meer dan tweeduizendjarige jeugd. Maar juist
op aktualiteit is de hem toegekende lof gegrond, en daarom
zou hy 't dwaas vinden indien men hem de vraag voorlegde: ‘by welken
ouden schryver - oud in de tweede macht dan, oud in de oogen van
Theokritus - by welken schryver uit uw oudheid vondt ge de
modellen waarnaar ge uw eeuwig-jonge vrouwtjes geschetst hebt?’ De
man zou niet vatten wat men bedoelde, en misschien meenen dat men
hem voor gek hield. [2]
*) Ik heb de ‘Vogels’
waarin, onder zooveel ander schoons, 't lieve stukje van
Theokritus voorkomt, niet by de hand. M'n aanhaling van Vosmaer's
woorden is dus niet letterlyk, maar den zin geef ik getrouw weer.
[1]
gewettigd door 'n
autoriteit in Kunst en Litteratuur, die vooral in deze zaak bevoegd en
onwraakbaar is, door den heer Vosmaer.
Multatuli was kort erg populair na de
publikatie van "Max Havelaar", maar die populariteit nam snel af toen
bleek dat hij niet in de eerste plaats schrijver was maar
Nederlands-Indië en Nederland radikaal wilde hervormen. Sinsdien was
hij wel bekend, maar niet bemind, behalve bij enkele vrijdenkers en
radikalen, en werd weinig gerecenseerd.
Dat duurde zo'n 12 jaar, en
veranderde pas in 1873, toen de - indertijd - bekende Nederlandse
schrijver mr. Carel Vosmaer een heel prijzende bespreking van
Multatuli publiceerde, die door Multatuli's weduwe later als inleiding
werd afgedrukt bij haar uitgave van Multatuli's Verzamelde Werken.
Vosmaer en Multatuli raakten snel
bevriend, en bleven dat tot Multatuli's dood, al moet men aannemen dat
Vosmaer's enthousiasme voor Multatuli later nogal bekoelde, omdat hij
heel weinig bijdroeg aan het Huldeblijk en aanzienlijke delen uit
Multatuli's uitgebreide brieven aan hem wegknipte, kennelijk omdat hij
ze niet passend vond, en wilde vermijden dat het nageslacht ze las.
[2] De man zou
niet vatten wat men bedoelde, en misschien meenen dat men hem voor gek
hield. Ik betwijfel het
zeer: M. bezingt hier feitelijk z'n eigen originaliteit.
|