Idee 1266.                                                


Nog iets over 't navolgen en ‘laven.’ In 't nootjen op blz. 246 noemde ik 't stuk van Horatius ‘alleraardigst.’ En, om het te pryzen in minder algemeene bewoording, voegde ik er kwalificeerend by: 't is hollandsch. In-weerwil van de kikkerts en muggen die me deze uitdrukking in de pen gaven, moet ze wel byzonder slecht gekozen zyn als er waarheid ligt in 't voorschrift: dat we by de ‘Ouden’ behooren school te gaan. Men verheft immers den Meester niet door de betuiging dat z'n werk op dat van den leerling gelykt? Hieruit volgt, òf dat ik me verkeerd uitdrukte, òf dat die ‘Ouden’ onze leermeesters niet behooren te zyn. 

Welnu, m'n uitdrukking was goed, en geen kikkert hoeft er berouw van te hebben dat-i me haar influisterde, noch ik dat ik geluisterd heb. De inkleeding van den lof dien ik Horatius toekende, werd in de voorbaat gewettigd door 'n autoriteit in Kunst en Litteratuur, die vooral in deze zaak bevoegd en onwraakbaar is, door den heer Vosmaer. [1] Ieder weet hoe deze schryver en kunstkenner ingenomen is met de Grieken, meer eigenlyk dan verwacht mocht worden van 'n ridder die zoo overtuigend bewees dat men niet juist op 'n geleend en oud (stok-) paardje behoeft te zitten om met eere z'n sporen te verdienen. Hoe dit zy, Vosmaer zal waarachtig z'n beminde Hellenen niet te-kort doen. En hoe pryst hy nu, o.a. den ouden Theokritus, wiens ‘Syrakuzische Vrouwtjes’ hy zoo keurig vertaalde? Het stukjen is aardig, zegt-i, vlug, levendig, aanschouwelyk ‘en, vraagt hy, is 't niet, of we hier de gesprekken afluisterden van 'n paar moderne fransche vrouwtjes die samen uitgaan om 'n pretje bytewonen?’ *) Juist! De antieke dichter a bien mérité de la littérature omdat z'n werk nu eens gelykt op den arbeid dien 'n goed schryver van vandaag leveren zou. Maar, eilieve, om dit doel te bereiken schreef Theokritus de auteurs van vandaag niet na! Voor modellen van aardige Syrakuzische vrouwtjes nam-i... aardige Syrakuzische vrouwtjes (250, 251) en daar deed-i wel aan. Dááraan heeft-i te danken - begaafde studie in menschkundig opmerken en technisch weergeven, als vanzelf-sprekend aangenomen - dat z'n werk de eeuwen overleefd heeft, thans nog met genoegen wordt gelezen, en door Mr. Vosmaer in 't hollandsch vertaald is. Zeker zou 't Theokritus genoegen doen als-i weten kon dat men nog altyd z'n gedicht pryst, en dat z'n ‘Vrouwtjes’ zich verblyden mogen in meer dan tweeduizendjarige jeugd. Maar juist op aktualiteit is de hem toegekende lof gegrond, en daarom zou hy 't dwaas vinden indien men hem de vraag voorlegde: ‘by welken ouden schryver - oud in de tweede macht dan, oud in de oogen van Theokritus - by welken schryver uit uw oudheid vondt ge de modellen waarnaar ge uw eeuwig-jonge vrouwtjes geschetst hebt?’ De man zou niet vatten wat men bedoelde, en misschien meenen dat men hem voor gek hield. [2]

*) Ik heb de ‘Vogels’ waarin, onder zooveel ander schoons, 't lieve stukje van Theokritus voorkomt, niet by de hand. M'n aanhaling van Vosmaer's woorden is dus niet letterlyk, maar den zin geef ik getrouw weer.


[1] gewettigd door 'n autoriteit in Kunst en Litteratuur, die vooral in deze zaak bevoegd en onwraakbaar is, door den heer Vosmaer.

Multatuli was kort erg populair na de publikatie van "Max Havelaar", maar die populariteit nam snel af toen bleek dat hij niet in de eerste plaats schrijver was maar Nederlands-Indië en Nederland radikaal wilde hervormen. Sinsdien was hij wel bekend, maar niet bemind, behalve bij enkele vrijdenkers en radikalen, en werd weinig gerecenseerd.

Dat duurde zo'n 12 jaar, en veranderde pas in 1873, toen de - indertijd - bekende Nederlandse schrijver mr. Carel Vosmaer een heel prijzende bespreking van Multatuli publiceerde, die door Multatuli's weduwe later als inleiding werd afgedrukt bij haar uitgave van Multatuli's Verzamelde Werken.

Vosmaer en Multatuli raakten snel bevriend, en bleven dat tot Multatuli's dood, al moet men aannemen dat Vosmaer's enthousiasme voor Multatuli later nogal bekoelde, omdat hij heel weinig bijdroeg aan het Huldeblijk en aanzienlijke delen uit Multatuli's uitgebreide brieven aan hem wegknipte, kennelijk omdat hij ze niet passend vond, en wilde vermijden dat het nageslacht ze las.
 


[2] De man zou niet vatten wat men bedoelde, en misschien meenen dat men hem voor gek hield.

Ik betwijfel het zeer: M. bezingt hier feitelijk z'n eigen originaliteit.

Idee 1266.