Idee 1265.                                                


Met verwyzing naar 't nootjen op de vorige blz. betuig ik hier uitdrukkelyk dat ik veel van Horatius houd, en dat m'n spot - of moest ik liever zeggen: m'n medelyden? - met de stumperts, die uit armoede van ziel altyd en eeuwig hun voedsel by anderen zoeken, geenszins hŤm geldt. Juist hy had, meer dan de meeste anderen, den moed natuurlyk te zyn en te beschryven wat-i waarnam of ondervond. Ziehier, byv. eenige regels uit datzelfde (zoogenaamde) hekeldicht, die hy waarachtig niemand naschreef! Na geklaagd te hebben dat hy en z'n gezellen te Trivicum zoo'n last hadden van:

      den rook en smook die tranen perste uit de oogen
 Door 't groene hout dat onze huiswaard, zonder droogen
 Op 't vuur lei,

gaat-i met koddig verdriet 'n ander ongeval beschryven, en wel zonder 't raadplegen van welken ouden auteur ook. Zelfs roept-i dezen keer z'n muze niet te-hulp, in de meening zeker dat-i meer van de zaak wist dan zy hem voorzingen kon, en dit zal ieder verstandige met hem eens zyn.

 Hic ego mendacem stultissimus usque puellam
 Ad mediam noctem exspecto; somnus tamen aufert
 Intentum veneri; tum immundo somnia visu
 Nocturnam vestem maculant ventremque supinum.

Zie, daar is iets menschelyks in deze vertelling, iets ongemaakts dat vertrouwen inboezemt. [1] Het zyn juist zulke passages in 'n boek, die den denker bewegen - doch nooit dan in zeer nauw verband met veel andere opmerkingen - den schryver voor 'n braaf man te houden. *) Ik weet zeer goed dat weinigen dit met my eens zyn, maar in onze dagen van verdraaide zedelykheid is dit nu juist geen reden om van opinie te veranderen. Hiertoe bestaat te minder aanleiding, omdat er zoo zelden blyk wordt gegeven van scherpzinnigheid in 't maken van die onmisbare Ďandere opmerkingen[2] En dan bovenal het byna algemeen heerschend gebrek aan oprechtheid! Telkens ontwaren we dat men er tweeŽrlei moraal op nahoudt, ťťn voor de fraze, en een voor huisgebruik in de werkelykheid. [3] We mogen aannemen dat Horatius deze dubbele boekhouding niet gekend heeft [4], en al staan nu sommige lezers laag genoeg om verheffing te zoeken in 't onevenredig-streng veroordeelen van iets natuurlyks, ze kunnen zich toch niet ontslagen achten van wat eerbied voor de oprechtheid waarmee Horatius z'n grappig ongevalletje beschryft. Dŗt zullen weinigen hem nadoen, al ontbreekt het niet - en vooral onder de neusoptrekkende moraalventers niet! - aan personen die z'n misrekening by ervaring kennen.

Om nu evenwel rechtvaardig te zyn, en ook aan Horatius niet meer eer toetekennen dan-i voor z'n openhartigheid verdient, moeten we bedenken dat-i met 'n verlicht publiek te doen had, en in zyn tyd niet de minste kans liep voor z'n kwajongensstreek gesteenigd te worden. Want... 'n kwajongensstreek blyft het! De dichter van 't justum ac tenacem had z'n nachten ŗnders moeten doorbrengen. [5] Waarschynlyk zyn er onder de huichelaars die z'n komieke oprechtheid shocking vinden, maar zeer weinigen die zooveel recht hebben zouden hem 't verslonsen van z'n gezondheid, denkvermogen, tyd en gemoed, kwalyk te nemen als ik. [6] Met meer dan horatiaanschen moed (254) durf ik zeggen dat ik sedert meer dan veertig jaren me nooit ter-ruste legde zonder probleem. Dat de oplossingen die ik leveren mocht, noch in aantal noch in belangrykheid met die inspanning evenredig zyn, doet hier niet ter-zake. Die inspanning bestond, en misschien vloeit de zachtmoedigheid waarmee ik pekelzondjes beoordeel, juist hieruit voort, dat ik nooit konkurrenten heb meenen te zien in Horatius - in den Horatius van Trivicum, wel te verstaan - en in juffrouw Laps. Wat die konkurrentie aangaat, zeker soort van moralisten behoorden zich in hun eigen belang wat beter in-acht te nemen tegen de verdenking dat ze in de termen vallen van 't volkje waarover ik iets zeide in de noot op blz. 11 van m'n IIn bundel. (Uitgaaf 1872.) En nog ten-overvloede verwys ik naar zekere hoofdstukken in bundel V. Ten-overvloede? Misschien niet eens! Om m'n bedoeling goed te vatten, zouden m'n lezers wysgeeren en oprecht moeten wezen, en geen nagemaakte jonge juffrouwen. [7] Hieruit zal dan ook wel voortvloeien dat zoovelen den betrekkelyken lof dien ik Horatius geef, nog altyd niet begrypen. Om dan duidelyk te wezen tot het vervelende toe: ik keur z'n voorgenomen pleziertje in die herberg te Trivicum af, en zou hem ongetwyfeld strafwerk opgegeven of met ezelsooren op de schoolbank gezet hebben, als ik by die gelegenheid z'n Mentor geweest was. En ik had hem uitgelachen op den koop toe, wat ook zeker Mecenas wel zal gedaan hebben. Maar mťťr niet, brave lezer, mťťr niet, want men behoort z'n toorn en z'n verontwaardiging te besparen voor erger dingen. Voor afgunst en huichelary, by-voorbeeld.

*) Deze opmerking geldt ook, en in zeer hooge maat, Paul de Cock. [8] Jammer dat-i schryver van mťtier was, en daardoor zich verleiden liet, misbruik te maken van zekere tinten die bleken in den smaak te vallen van 't fransch - of juister: van 't europeesch - publiek. In Frankryk-zelf was hy slechts in de lagere kringen populair. Hy werd niet eens goed genoeg geacht voor de Acadťmie, waar later toch plaats bleek te zyn voor schryvertjes als Dumas fils, die in z'n prulwerk niet Ďhaute moraleí schermt. Le Cocu en Un bon Enfant van De Cock zyn inderdaad van zedelyke strekking,ff en ook in z'n Soeur Anne is veel liefs.


[1] Zie, daar is iets menschelyks in deze vertelling, iets ongemaakts dat vertrouwen inboezemt.

Er is namelijk enige eerlijkheid over sex, waar de niet-christelijke Romeinen en Grieken kennelijk minder bleu over waren dan de christenen.
 


[2] Hiertoe bestaat te minder aanleiding, omdat er zoo zelden blyk wordt gegeven van scherpzinnigheid in 't maken van die onmisbare Ďandere opmerkingen

Tja, wat moet ik opmerken over mijn annotaties, behalve dat ik mijn best erop gedaan heb en dat ze overwegend noch letterkundig zijn noch geschreven door een letterkundige? Wel... laat ik kort zeggen waarom ze meestal niet letterkundig zijn, wat ze wŤl beogen, en wat ik denk dat ik tot stand gebracht heb.

In de eerste plaats het relatieve gebrek aan letterkunde.

Ik ben geen letterkundige, en heb alleen akademische diplomaas in de filosofie en de psychologie, en niet in de letterkunde. Daar komt bij dat ik de Nederlandse letterkundige opmerkingen die ik gewoonlijk aantref in edities van teksten van schrijvers nauwelijks interessant vind, en dat dergelijke opmerkingen overigens niet op mijn weg liggen. Het zou aardig zijn als iemand alle moeilijke woorden in de IdeŽn verklaart en alle niet-Nederlandse passages vertaalt, maar ik laat dat maar over aan ťchte letterkundigen, die daar immers ook voor geleerd hebben, en zelden enige behoorlijke kennis van filosofie of psychologie hebben.

Daarom ook heb ik gewoonlijk geen buitenlands vertaald, en gewoonlijk geen moeilijke woorden toegelicht, behalve waar die woorden echt verouderd zijn, waarschijnlijk onbegrijpelijk zijn ook voor wie een gymnasium afliep (van vůůr de Mammoetwet), of waar ik aannam dat er misverstanden zouden kunnen ontstaan om andere redenen.

Twee redenen om dit soort woordverklaringen en vertalingen na te laten zijn trouwens dat het tamelijk veel werk zou zijn om alle buitenlands in de IdeŽn behoorlijk te vertalen en alle moeilijke woorden behoorlijk toe te lichten, en dat de geÔnteresseerde lezer voor het laatste onderwerp goed terecht kan bij K. ter Laan's Multatuli-Encyclopedie, waar trouwens ook sommige buitenlandse passages vertaald staan.

Voorzover ik aan letterkundige tekstverklaringen heb gedaan was dat alleen waar ik aannam dat iemand met mijn achtergrond er over verward of mee in problemen zou kunnen raken, en ik heb overigens geen enkele pretentie dat dit soort opmerkingen van mij voldoende, korrekt of zelfs maar letterkundig verantwoord zijn, althans volgens academische letterkundige normen. Het enige dat ik in dit verband claim is dat sommige van mijn meer letterkundige opmerkingen sommige verwarringen of misinterpretaties helpen vermijden.

In de tweede plaats wat mijn annotaties wŤl beogen:

  • In algemene zin probeer ik serieus in te gaan op dingen die Multatuli schrijft, en te zeggen wat ik ervan vind.

Ik doe dat meestal als filosoof, psycholoog of behoorlijk beschaafd en geleerd mens, en mijn algemene doelen afgezien van uit te schrijven wat ikzelf van allerlei ideŽn van Multatuli vind waren

  • een redelijk inzicht in en overzicht van Multatuli's IdeŽn te krijgen, dat niet bevooroordeeld is, en - voor de verandering - eens is gebaseerd op bestudering van de tekst door een filosoof en psycholoog, en niet door een letterkundige of een literair schrijver;
  • het e.e.a. over Nederland, Nederlanders en Nederlands te leren door Multatuli's meningen daarover te vergelijken met de mijne en met wat in mijn eigen tijd in Nederland speelt, en
  • Multatuli eindelijk eens recht te doen, door serieus op zijn IdeŽn in te gaan alsof het inderdaad ideeŽn zijn.

Ik denk dat ik wat deze drie punten betreft iets gedaan heb dat tot nu toe niemand deed, en al helemaal niet met de grondigheid en volledigheid waarmee ik dat deed.

Het is namelijk wŤrkelijk moeilijk een behoorlijk inzicht en overzicht te krijgen van de zeven delen IdeŽn, en dat vooral omdat ze zo gefragmenteerd zijn: 't is een mozaÔek van ideeŽn en een kaleidoscoop van fraaie formuleringen, maar het is moeilijk er greep op te krijgen, omdat het zo fraai geschreven is en in zoveel ongeordende stukken uiteenvalt.

Er wordt en is ook zelden serieus ingegaan op Multatuli's IdeŽn, en bij mijn weten is mijn eigen poging de gehele IdeŽn te bespreken de eerste serieuze die niet blijft steken in enkele korte opmerkingen over enkele nogal arbitrair geselecteerde punten.

In de derde plaats wat ik denk tot stand gebracht te hebben.

Laat ik voorop stellen dat ik mij bewust ben van mijn eigen fouten en beperkingen; weet dat er op het moment dat deze opmerking schrijf nog behoorlijk veel correcties en enige aanvullingen gemaakt moeten worden; en dat ik uitdrukkelijk beweer nergens volledig te zijn of het definitief laatste woord te hebben. Dit gezegd hebbende:

  • ik geef commentaren op vrijwel alle IdeŽn, vaak in vele punten, en leg veel uit, corrigeer veel, vul veel aan, en ben het heel regelmatig oneens met Multatuli of leg accenten anders dan hij, al ben ik het vaker wel dan niet overwegend met hem eens;
  • mijn commentaren zijn altijd origineel, en zijn wat ik zelf denk: ik schreef niets over, of waar ik dat deed dan gaf ik dat eerlijk aan, en citeerde omdat het geciteerde beter was dan wat ikzelf dan en daar kon leveren over het onderwerp;
  • ik vul Multatuli op zeer veel plaatsen aan, en geef veel van mijn eigen ideeŽn, en mijn commentaren zijn uitgebreid, grondig en lang, en nemen in totaal ongeveer even veel ruimte in totaal als twee ŗ drie bundels van de IdeŽn.

Het kan zijn dat sommigen mijn commentaren, of delen daarvan, niet interessant, overbodig of te lang vinden. Ook is er de moeilijkheid dat ik in feite vaak een discussie aanga met of althans inga op de ideeŽn van een auteur die al 130 jaar geleden ophield met schrijven voor publiek.

Wel - over de interessantheid van mijn commentatren zal ik me hier niet uitlaten (de gustibus..) maar tegen wie klaagt over overbodigheid of lengte ervan merk ik op dat Multatuli doorgaat, al heel lang, voor "Onze Grootste Nederlandse Schrijver"; dat hij de IdeŽn voor z'n belangrijkste werk hield; en dat daar meer dan honderd jaar niet ťťn enkel systematisch commentaar bij is geleverd, ondanks 6 generaties gewoonlijk welbetaalde Neerlandistieke letterkundigen, die kennelijk allemaal wat beters meenden te doen te hebben, zoals strijden over Marxistiese Literatuurtejorie of het becommentariŽren van Schierbeek, Polet of Vogelaar, en ondanks 6 generaties Nederlanders van allerlei soort die hem geroemd hebben als "Nederland's Grootste Schrijver", maar kennelijk zelf te weinig in zich hadden om de ideeŽn van de man te bespreken, overwegen of kritiseren.
 


[3] En dan bovenal het byna algemeen heerschend gebrek aan oprechtheid! Telkens ontwaren we dat men er tweeŽrlei moraal op nahoudt, ťťn voor de fraze, en een voor huisgebruik in de werkelykheid.

Dit geldt niet voor mij, zoals de lezer zal hebben opgemerkt.

En hier is nog een opmerking over mijn annotaties: Er zijn redelijk wat originele ideeŽn van mijzelf bij, over allerlei onderwerpen.

Ik zal hier later een lijstje van invoegen .....  

- waarheid
- waarachtigheid
- parlementarij

 


[4] We mogen aannemen dat Horatius deze dubbele boekhouding niet gekend heeft

Dat mogen we aannemen, maar ik doe het niet: Om maatschappelijk te overleven zijn leugen en pose nu eenmaal nodig. Ieder mens (voorzover niet krankzinnig of bewusteloos) kent deze "dubbele boekhouding", al is het waar dat er enkelingen zijn met genoeg karakter en geest om zichzelf er niet door te laten vervalsen, zoals de grote meerderheid wel overkomt.
 


[5] Want... 'n kwajongensstreek blyft het! De dichter van 't justum ac tenacem had z'n nachten ŗnders moeten doorbrengen.

Nee: dat dunkt mij zijn eigen zaak. En meer in het algemeen: In een behoorlijke rechtsstaat waar maatschappelijke vrijheden in stand worden gehouden bestaat er een aantal persoonlijke vrijheden die iedere persoon zelfstandig in kan vullen en benutten, zonder zich daarover of daarvoor te hoeven verantwoorden aan anderen, voorzover de wet niet overtreden wordt.
 


[6] Waarschynlyk zyn er onder de huichelaars die z'n komieke oprechtheid shocking vinden, maar zeer weinigen die zooveel recht hebben zouden hem 't verslonsen van z'n gezondheid, denkvermogen, tyd en gemoed, kwalyk te nemen als ik.

Eťn van de idťes fixes van M. betrof de schadelijkheid van masturbatie. Zie 214 en 380, en wat betreft andere Multatuliaanse idťes fixes 475
 


[7] Om m'n bedoeling goed te vatten, zouden m'n lezers wysgeeren en oprecht moeten wezen, en geen nagemaakte jonge juffrouwen.

Wel, as it happens ben ik een filosoof, en zů ongebruikelijk oprecht dat ik vanwege mijn oprechtheid herhaaldelijk van de universiteit verwijderd ben.
 


[8] Deze opmerking geldt ook, en in zeer hooge maat, Paul de Cock.

De Cock schreef prikkelende literatuur, en wordt als zodanig genoemd in Joyce's Ulysses, wellicht ook vanwege zijn voor Engelsen prikkelende achternaam.

Idee 1265.