Nadat ze met hun
beidjes het terrein hadden schoongeveegd, volgde Wouter de amazone
weder in de kamer. Ze jammerde over haar voedsterkind.
-
Och, jongeheer, ik wou dat pater kwam! Ik heb rust noch duur als de
man de stad in is. En dan met geld, zeg je? Is 't veel?
Wouter kon de som niet bepalen, maar sprak van kostbare muntstukken
die gewisseld moesten worden.
-
Goud? Och, lieve Jeessis, dat's voor hem krek 'tzelfde.
Och, waarom den man de stad intesturen met geld? Heb jy dat baantje
voor hem uitgedacht, jongeheer? Slim is 't niet van je! Waarom deed
je 't niet liever zelf? Met geld kan men niet te voorzichtig
wezen... ieder kan 't gebruiken, zieje? Als-i nu in Jeessis naam
maar niemand tegenkomt die wat noodig heeft! Goud? 't Kan hèm wat
schelen! De gespen van z'n vaders broek waren van zilver, en toch
zyn ze weg! En om koper geeft-i ook niet. Raad eens hoeveel
bedeelden we hebben? Wel tachtig alle weken! Ik heb er 'n heele lyst
van. En ze zouden ieder hun eigen dag houden, maar denkje dat ze 't
doen? Neen! Want er zyn rakkers onder - dat ik zoo'n zondig woord
zeg - ja, rakkers, die tweemaal komen, maar pater wil 't niet
gelooven. En of ik al zeg: ‘pater, 't is slecht volk!’ hy wil er
niet van weten.
-
M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.
-
Een zoete-n-engel van God is-i!
[1] Maar ik moet
op 'm passen. Drie duiten de man, gaat niet, zesmaal in de week...
reken maar na! Daar waren er vyftien vandaag, en de man heeft zelf
geen boter op z'n brood. Nou, ik ook niet, maar dat's tot dááraan
toe. Maar dan alles wegtegeven aan slecht volk! Ik heb ze nu maar
twee duiten gegeven, en daarom bromden ze zoo. Ze willen klagen by
pater. 't Is 'n zoodje! Hoe meer je geeft, hoe luier ze worden. En
hoe brutaler ook. Dat heb ik altyd opgemerkt. Maar pater begrypt het
niet, of hy wil 't niet weten. En als ik zeg: ‘'t Zyn rakkers,
pater!’ dan zegt-i dat we-n-allemaal zondaren voor
God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft,
[2] en bly toe
wezen mag dat God hem kleeren en eten geeft,
en 'n mooie woning. Zondaars voor God? Nou
ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik weet sekuur dat
God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!
[3]
Styntje streek met 'n bevalligen zwaai over de hand. Mocht
God 'n oogenblik te-voren nog in den waan
verkeerd hebben dat pater Jansen by hem in 't kryt stond voor
erfzonden en eigen fouten, [4] dan waren Styntjes gelaatstrekken en haar
barbiersgebaar wel geschikt hem den moed te benemen om op de
likwidatie van die onbillyke vordering aantedringen.
-
Niks, niemendal, ging ze voort. Hy is proper en schoon als 'n brand.
Maar dat bedelvolk, kyk! En ‘al die armen zyn z'n broeders’ zegt-i.
-
Dat heeft Jezus gezegd, kathechizeerde Wouter.
- Jezus? Zoo! Heeft
de Heere Jezus dat gezegd? Nou, dan heb ik er vrede mee dat-i 't ook
zegt. Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n mensch z'n eigen broêr
moet wezen ook. [5] En hy? Hy is, om zoo te zeggen z'n eigen neef
niet, z'n zwager niet, z'n eigen stiefkind niet, neen, dat is-i
niet! Hy loopt weer op z'n tandvleesch. Heb je 't niet gezien?
't
Scheen wel dat Wouter blyk gaf deze schilderachtige uitdrukking niet
te verstaan. Althans de oude Styntje kommenteerde:
-
Nou ja, op 't overleer, z'n schoenen zyn doorgesleten. 't Is m-e-'n
kruis! En z'n jas is ook niet van de nieuwsten.
Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding
hechtte. [6]
- Al
vier jaar lang spaar ik voor 'n nieuwen, of... ik wou sparen,
maar 't gaat niet! Die bedelaars kosten ons zeker twee gulden in de
week... spaar dan eens voor nieuwe jassen! Zeg, jongeheer, kan je
niet eens aan pater zeggen dat-i wat zuiniger wezen moet, en niet
zoo altyd alles weggeven?
Wouter groeide. Hy werd aangesteld tot Mentor over 'n bejaard
man, en wel door 'n vrouwspersoon die nòg volwassener was dan z'n
pupil. Met veel genoegen had-i Styntjen omarmd, maar hy speende zich
van deze uitspanning, en stelde zich schadeloos door de
zelfgenoegzame pedanterie van z'n antwoord. Styntje's verzoek werd
genadig opgenomen en gefiatteerd:
-
Hoor eens, juffrouw, u kan verzekerd wezen dat ik van myn kant al 't
mogelyke zal aanwenden om...
-
Wel zeker! Want my gelooft-i niet, omdat ik niet geleerd ben. Je
moet hem zeggen dat de jongen die daar zoo-even met z'n
derrière...
Zoo
vertel ik, maar Styntje sprak hollandscher, bondiger, korter
en beter.
...de jongen die zoo-even met z'n... zitwerktuigen dan, in 't
venster van de kerk zat... 'n luiwammes is-i, 'n doeniet, 'n rekel!
Zeg dat aan pater. Eerst was-i 'n blinde... jawel, zoolang-i 'n
zusje had, dat hem leien kon. Maar nou ze van 'm weggeloopen is -
god weet waarom? Misschien bedelt ze liever op 'r eigen houtje - nou
is-i op-eens 'n lamme geworden.
Hoe vindje dat? Zeg 't aan pater.
-
Ja, ja, juffrouw, ik zal 't hem zeker zeggen!
- En
dan van dat vuile schepsel ook, dat daar in den hoek zat. Heb je 'r
gezien? Eens toen er sneeuw lag, zei ik: ‘veeg de sneeuw van de
plaats, dan kryg je zes duiten.’ Was 't goed geprezenteerd, of niet?
Maar ze deed het niet, en zei dat ze te veel huizen verzuimde.
-
Huizen, juffrouw?
-
Ja, bedelhuizen. Ze had er zeventien alle-dag, zei ze, en toen
schold ze me-n-uit over m'n zes duiten. Dat zei ik aan pater. En wat
zeid-i? ‘Och, zeid-i, ze is te oud, 't mensch kan niet vegen.’ Heb
je van z'n leven! Ik zei: ‘pater, ze is jonger dan ik!’ Nou, 't is
de waarheid, want ik ben acht-en-zestig. Dat's oud, hè?
Gewis vond Wouter dit oud! Hy begon de vrouw belangwekkend te
vinden, die zooveel moest beleefd hebben naar-i meende. Dat de kring
waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op.
[7] Hy
voelde verlegenheid over z'n jeugd, en om haar te doen voelen dat-i
door studie had aangevuld wat hem aan jaren ontbrak, zocht-i in z'n
herinnering iets op, dat getuigenis geven mocht van voorhistorische
kennis. Styntje moest toch weten dat-i de funktie van zieleherder
die ze hem zoo gul opdroeg, niet geheel onwaard was, en ook dat-i
meer wist dan hy in z'n kort leventje met eigen oogen kon gezien
hebben.
-
Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de stad
bygewoond? [8]
-
Dáár weet ik niet van, jongeheer. Maar... die oude nukkige Griet!
Wat denk je dat pater deed? Hy zei: ‘och, Styn, je moet denken
ze-n-is 'n arm mensch!’ ‘Dat 's waar, zei ik, en dat denk ik. Maar
jy bent ook arm, pater, en ik ook.’ Nou, dàt zei ik er maar zoo by,
want ik heb 't wèl en klaag niet, godbewaarme! Maar dat pater
soms droog brood eet, is 'n ware zonde voor god en menschen. Soms is
er geen duit in huis, en dan moeten we leenen van pastoor hiernaast,
die ook niet te veel heeft. Ook 'n goed mensch anders, dat moet ik
zeggen, maar hy spreekt niet veel. Pater zegt dat-i de geleerdste
man van de wereld-is, en lang professer of bisschop had moeten
wezen, als-i maar niet zoo... nou, dat gaat my niet aan, en jou ook
niet. Maar die luie Griet! Ze dééj 't niet, en ze deej 't niet, en
de sneeuw bleef liggen dien dag, en ik zei: ‘goed, pater, dan zal ik
't doen.’
En den volgenden morgen zou ik vroeg opstaan, en dat deed ik ook,
want de sneeuw loopt zoo in, weetje, en dan heeft de man
natte voeten, en dat kan ik voor God niet
verantwoorden. En toen ik op de plaats kwam... weg was de sneeuw!
Wat denk je dat er gebeurd was?
-
Dooi? vroeg Wouter.
-
Gut né, 't vroor twee zeeuwen dik. Ik keek beduust op de blanke
steenen, en zocht de sneeuw... geen krummel te zien, hoor! Toen
hoorde ik pater lachen in z'n kamer, want hy zag me daar staan als
'n gek mensch naar de sneeuw te zoeken, die weg was. Hy was nog
vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe vind je dat,
jongeheer? [9]
-
Hoor eens, juffrouw, als 't weer gebeurt... roep my, dan zal ik 't
doen.
-
Was 't geen schande? En dat voor zoo'n lui dier als die Griet! Nou,
ik was zoo kwaad als 'n spin, want ik heb den man zielslief, dat
begryp je wel, maar hy lachte me-n-uit. En ik blééf kwaad, en toen
sprak hy weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet m'n
broêr niet was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy?
[10] Zoo'n
lui beest!
Wouter zei ditmaal eens niets, maar aan indrukken ontbrak 't hem
niet. Hy voelde wel dat er iets liefelyks te lezen stond op de
bladzy van 't groote levensboek, dat hier voor hem werd opgeslagen,
maar kon z'n ingenomenheid niet rymen met den weinig romantischen
vorm waarin hem 't schoone werd voorgesteld. Zeker, er moest nogal
veel aan Styntje veranderd worden voor ze, al was 't dan maar heel
uit de verte, gelyken kon op de schoone Isabella die hier in 'n diep
gewelf op verlossing had behooren te liggen wachten. De goede oude
vrouw zelf scheen geen verlossing noodig te hebben, en in-plaats van
slachtofferige dames te bevryden van yzeren ketens, schraal dieet en
priesterdwang, kreeg Wouter zoo'n priester-zelf te redden uit de
klauwen van z'n eigen goedigheid. De ruil kon wreed genoemd worden
door ieder die niet inzag hoe aangenaam Styntje's vertrouwelykheid
prikkelde, en vooral haar vertrouwen. Bovendien, dat uitdryven van
den bedeltroep had iets van 'n gevecht gehad, en by-gebrek aan beter
moet men zich met het mindere tevreden stellen. De romantiek is
veerkrachtig, en wat er in afmeting en gehalte aan de omstandigheden
ontbreekt, wordt aangevuld en opgesierd door den onbewusten goeden
wil van de Don Quichotten. [11] Wouter was zoo tevreden dat-i z'n eigen
jas niet meer zag. Grootmoedig vergaf-i den pater dat er geen enkele
gekluisterde jonkvrouw in z'n woning te vinden was, en ook daaronder
niet. Maar toch:
-
Wel, juffrouw, de woning is eigenlyk niet heel groot, vind ik. Heeft
u hier ruimte genoeg?
-
Wel wis en zeker! Als-i grooter was, kon ik den boel niet knap
houden in m'n eentje. Je moet denken dat ik de kamers van pastoor
hiernaast ook voor m'n rekening heb. 't Is 'n heel gedoe voor 'n
mensch alleen.
-
En... kelders?
-
Ja, 'n beetje nat, maar anders best. We hebben er 'swinters
aardappelen in, en turf ook. Die nattigheid is goed voor de turf...
't stookt zuinig. Droge turf is geen aanhalen. Dan zou de man nog
kou lyden ook!
De
poging om zich te vermeien in krypt-romantiek brak alzoo weer
als glas af. Ketens en knokenpyramiden pasten niet by die huiselyke
nuttigheid. Een ‘hol’ mag vochtig wezen, o ja, en zelfs is dit een
der vereischten van de zaak, maar... aardappelen en turven? O,
Lafontaine! O, Radcliffe!
-
En... zyn er gewelven onder de kerk, juffrouw?
-
Dat weet ik niet. Maar ik verpraat m'n tyd. Beloof je me vast en
zeker dat je 'n oogje houden zult op pater met al dat geld?
-
Wees gerust, juffrouw! Ik zal...
- En
dat je hem eens terdeeg vermaant om wat meer voor zichzelf te
zorgen...
-
Zeker, juffrouw.
...want, zieje, de man is zoo arm als Job, en dat gáát zoo niet! Ik
hoor nu dat er 'n dame in de stad gekomen is, heel uit Denemarken of
Hamburg of zoowat, en die zou hem bystaan...
-
Ah!
...zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke
Claus... [12]
-
Ah!
...ken je die ook al? Nou, die biecht by pater, vroeger by pastoor
hiernaast, nu altyd by pater. En meestal gaat ze hier over de plaats
de kerk in, want ze brengt paters waschgoed, en zy heeft het me
verteld... van die dame-n-uit Hamburg, meen ik.
-
Ah!
-
Wat mankeert je toch, jongeheer? En ik... als ik die ryke dame kan
te spreken krygen, zal ik haar zeggen dat ze heel voorzichtig wezen
moet, en pater niet te veel geven. Want al had het mensch 'n inkomen
van honderden in de week, 't zou niet genoeg wezen voor al die
bedelaars. Hoe meer je geeft, hoe meer er komen. 't Is maar begieten
van onkruid, zeg ik! Wel ja, moet 'n mensch niet werken voor de
kost? Dat heb ik ook gedaan, van zóó klein af. Ik ben 'n vondeling,
weetje, en heb mezelf door de wereld moeten slaan. Kan die luie
Griet dat ook niet doen?
't Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De
lust om daarvan iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk die
't noemen van Femke's naam - in-verband nogal met prinses Erika - op
hem maken moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En
teruggekeerd op 't pad der deugd? [13]
Hy wilde meer van de zaak weten,
en Styntje zei er dan ook nog wel iets van, maar alweer 't rechte
niet, naar Wouter's meening. Ook hier wou 't alweer met de romantiek
niet best vlotten. Wat die Leentje toch gelukkig geweest was, zy die
by haar eersten en misschien eenigen uitgang zoo terstond op den
smakelyken kern van de vrucht onthaald werd! Wouter kreeg alweer,
niets dan leege doppen en schillen, of althans dit verbeeldde hy
zich omdat-i nog niet geleerd had - er zyn er meer zoo! (122)
- z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien. [14] Wat ons in oudheid
belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is eenmaal
gewoon geweest. [15]
-
Ja, jongeheer, 'n vondeling, ging Styntje voort, en ieder mag 't
weten. Wel ja, ik heb immers mezelf niet op de hei gelegd, heb ik
wel? Nou,voor m'n moeder is ook gezorgd, en best, hoor! Want... op
de hei ben ik gevonden, piernaakt, om zoo te zeggen, ik had maar 'n
oud stuk mat om 't lyfje. Maar je begrypt dat ik 't maar van hooren
zeggen heb. Ja, ik was in 'n lap mat gerold, anders niet! En nu?
God heeft me gezegend, dat zieje. Ik ben
groot en sterk geworden... neen, sterk ben ik geweest. Dat's tot
daaraan toe. Maar ik heb wel elf hemden...
-
Hè, zei Wouter.
-
Ja, elf. Maar ze zyn wat oud. En telkens als ik er 'n twaalfde by
doe, moet ik een van de anderen weggooien. Daarom heb ik er maar
elf. Maar je moet denken, ik ben begonnen in 'n mat, en op de hei.
En nu woon ik by pater al vyf-en-dertig jaar... 't is waarachtig
geen kleinigheid! Maar ik heb er voor moeten werken, dat spreekt.
Zoolang ik hier woon, houd ik twee heeren heel, en soms wel drie,
want als de dienst wat druk is, hebben we hier 'n kapelaan ook. Ja,
ja, er moet gewerkt worden in de wereld! Maar als je dàt doet, ben
je klaar. Ik ken menigeen die in 'n huis geboren is, en God op z'n
bloote knieën danken zou als-i by pater mocht wonen.
-
En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking
dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen
moest. [16]
-
Wel zeker! En ik moet zeggen dat ze my trouw helpt aan paters
goed... nu, anders kwam ik er niet. Want 'n mensch alleen... dat
begryp jezelf wel. Ook worden m'n oogen slecht. Maar van pastoor
hiernaast wil ze geen stuk meenemen. Ik geloof dat ze niet van hem
houdt.
-
Zou hy haar iets misdaan hebben? vroeg 't riddertje.
-
Wel neen! Waarom? 'n Mensch houdt van den een, en niet van den
ander. [17] Van pater houdt ze, dat weet ik. En hy van haar. Vroeger
biechtte ze by pastoor hiernaast, maar nu al sedert 'n jaar of wat
niet meer. Altyd by pater! Zoo zyn er veel, en de man kan 't niet
af. Ik heb al aan de menschen gezegd ‘ga toch liever by pastoor
hiernaast, die man is ook goed’ zei ik, maar 't helpt niet, alleman
wil altyd by pater wezen. Nou, ikzelf ook, en ik bevind er me goed
by, dat moet ik zeggen. Hy is 'n beste! En zoo zal dat meisjen er
ook over denken. Maar jou heb ik nog nooit in de kerk gezien. Zeker
woon je ver. Waar is je parochie? By wien biecht je? Is je pastoor
lastig?
-
Neen, o neen, stamelde Wouter die den moed niet had op dit oogenblik
te openbaren dat-i niet ‘van 't geloof’ was.
-
Anders, ik kan je pater gerust rekommandeeren... hy is erg
gemakkelyk. Wat die man al zielen tot Onslieveheer geholpen
heeft... kyk! Als ik niet by hèm geweest was, zou 't er met m'n
moeder nog slecht uitzien, maar nu is ze wèl. Ga by pater, wat ik je
zeg! Of... neen, toch niet, de man heeft het te druk. Veel drukker
dan pastoor hiernaast. Die is 'n beetje... hoe zal ik zeggen?
Isegrimmig, ziedaar! Hy ziet niks door de vingers niks, niemendal!
Nou, alle menschen zyn niet eender, en sommigen moeten hard
aangepakt worden. Verleden heb ik gehoord dat er eens 'n man geweest
is, die niet bang was voor de hel. Hoe vindje dat?
-
Heel erg, juffrouw.
-
Zoo, vind je dat erg? Ja, 't is erg! Maar ik ben er ook niet
bang voor, want ik doe m'n werk, en ik zorg voor pater. Och, och,
waar blyft-i?
- Is
u niet bang voor de hel, juffrouw?
- Gut né, volstrekt
niet, want ik doe m'n werk. [18] Maar die man deed z'n werk niet. Hy
vloekte en dronk, en ging om met slechte vrouwluî, en toch was-i
niet bang voor de hel. Zieje, hy had er bang voor moeten
wezen. Dat zei pater ook, maar toch zou God 't hem wel vergeven,
zeid-i, omdat de man niet beter wist, want... hy geloofde niet aan
de hel, en dat kan 'n mensch niet helpen, zei pater. Nou, ik had
zoo'n man wel eens op z'n sterfbed willen zien! Maar hy zal wel dood
wezen, want het is zeker lang geleden. Als ik sterf, zal ik heel
tevreden zyn, want pater zal voor m'n bed zitten, en my de hand
drukken. Dat heeft hy me vast beloofd. Dan zal ik God danken voor 't
leven dat-i my geschonken heeft, en omdat ik by pater gewoond heb.
De
goede vrouw bekruiste zich, en Wouter had het hart niet, te veel
hart liever, om hierin ditmaal iets bespottelyks te vinden.
- Je
weet niet hoeveel goeds ik genoten heb, jongeheer! Je moet altyd
denken, ik ben begonnen van niets, van niemendal, denk eens! Ik was
al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld liep, en
als ik in 't dorp kwam - want ik ben maar van 't boerenland - dan
riepen de jongens: ‘vondeling, vondeling!’ [19] En nu, kyk, al
vyf-en-dertig jaar by pater! Wat wil 'n mensch meer? En ik heb
òververdiend voor m'n moeder ook, dat begrypje.
Wouter zette een vragend gezicht.
-
Ja, 't moest wel. Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar
pater zei: ‘denk je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de
hei legt? Dat zyn treurige zaken, men moet er meely mee hebben!’
[20] En
ik heb kousen voor hem gebreid, en voor elke kous gaf-i 'n mis aan
m'n moeder. Dat was heel in den beginne, toen ik pas by hem kwam. En
toen werd het koud, en ik had winterhanden en kon niet breien. En
dat speet me erg voor m'n moeder, en ook voor pater, want de man had
z'n kousen broodnoodig. Maar de ziel van m'n moeder was 't ergste,
dat begryp je. Denk je nu dat pater er na keek of ik breien kon of
niet? Gut né, hy gaf de mis, alle dagen krek! Dat doet-i nu al vyf
en-dertig jaar... reken dàt eens uit, jongeheer! De man zegt zelf
dat er 'n heele boel òver is.
-
En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht
hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na - of liever nog: 'n
beetje vóór - z'n terugkeer op 't pad der deugd. [21] Gaarne had-i z'n
vraag wat deftiger ingekleed, en zich geïnformeerd naar 't welvaren
van wylen Styntje's ‘papa’ maar deze malle uitheemsheid die in
Wouter's tyd nog voor iets voornaams doorging, wou er niet uit. 't
Bleef dus by: ‘de ziel van uw vader, juffrouw?’ schoon dit woord
inderdaad wel wat àl te burgerlyk klonk voor iemand die de
aanzienlyke romanbetrekking van meisjesverleider bekleed had, 'n
funktie waartegen onrype jongetjes, eunuken en zeker soort van
beunhazen in moralistery, ten-allen-tyde zoo byster hoog - maar
vooral begeerig, en met afgunst! - hebben opgezien.
-
Dáár weet ik niet van, antwoordde Styntjen, en 't scheen wel dat zy
over Wouter's vraag 'n beetje verstoord was. Een mensch kan niet
alles tegelyk doen! Wou je dat ik pater nu nog dáármee lastig was
gevallen ook? De man heeft 't werachtig druk genoeg. Voor m'n moeder
is er òver, en daarmee kan God doen wat-i wil. Maar voor m'n vader
sprak ik geen stom woord. God zou wel eens kunnen zeggen: ‘als je
zoo begeerig bent, kryg je niemendal!’ Nou, dit is maar by manier
van spreken, want wat ik verdiend heb, moet ik hebben: eens gezegd
blyft gezegd! Daar is de heilige Jozef voor, die is er werachtig de
man niet na om z'n zoons woord te-schande te laten maken. Heere
Jeessis, waar blyft pater met al dat geld?
-
Daar is-i, riep Wouter die Jansen's vriendelyk gezicht langs de
hortensia zag voorbygaan.
Als
om de gegrondheid van Styntje's angst ditmaal eens te logenstraffen,
telde de goede man 'n twintigtal ryksdaalders op de tafel. Ter
verontschuldiging over z'n lang uitblyven, deelde hy mee dat men hem
onder-weg by 'n zieke had geroepen, die volstrekt iets naders van
den hemel wilde weten voor-i er heen ging.
- Ik
heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die
geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb 'n
briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies
uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en
geld is... geld, wat zeg jy, Styn? [22]
Styn
zei ja, en 'n kwartier daarna was Wouter met pater Jansen op-weg
naar de haarlemmer-schuit. De oude vrouw had haar afgod terdeeg
afgestoft en geschuierd, en ook Wouter kreeg 'n streek of wat met
den borstel, doch 't was blykbaar slechts 'n voorwendsel om hem
nogeens nadrukkelyk in 't oor te fluisteren:
-
Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet,
jongeheer? [23]
-
Juffrouw, ik belóóf het u! had Wouter geantwoord, en aan den stap
waarmee hy de wandeling aanving, was te bemerken dat-i 't meende.
Helaas!
De
weg naar... 't verkeerde is geplaveid met goede voornemens en
welgemeende beloften.
[1] -
M'nheer Jansen is te goedig, zei Wouter.
-
Een zoete-n-engel van God is-i!
Zie
1167, en 't
vorige idee over de bedelaars.
[2]
dan zegt-i dat we-n-allemaal zondaren voor
God zyn, en dat hy ook z'n fouten heeft,
Wat toch geheel
volgens z'n leer is. Trouwens... dat geen mens zonder gebreken is
lijkt evident en nogal probleemloos, afgezien van wat die gebreken
aanrichten, totdat je overweegt dat het bestaan van die gebreken
toch één van de dingen is die een almachtig alwetend oneindig goed
goddelijk mensenvriend heel wat beter had kunnen inrichten.
[3]
Zondaars voor God? Nou
ja, 't heele menschdom, maar hy? Ik weet sekuur dat
God niks van den man te goed heeft, niet zie zóóveel!
Zie [2] en
1167: Dan
is pater Jansen bovenmenselijk of goddelijk.
[4]
Mocht
God 'n oogenblik te-voren nog in den waan
verkeerd hebben dat pater Jansen by hem in 't kryt stond voor
erfzonden en eigen fouten,
Als ieder mens,
volgens wat Wouter ongetwijfeld op z'n P.G. kathechizatie geleerd
heeft, want de mens is zondig en geneigd tot alle kwaad, volgens de
Protestanten. Deze katholieke pater Jansen dus niet, althans volgens
z'n eigen Styntje.
Zijn er zondeloze
mensen? 't Is althans enigszins relevant dat geen mens zich
uitsluitend goed verhoudt gemeten aan z'n eigen begrippen van goed
en slecht, en dat het in feite zo schijnt te zijn dat de meeste
mensen volgens hun eigen deugdbegrippen veel slechts doen, en dat
dan
vaak uit eigenbelang, angst of hebzucht.
[5]
Maar toch... wàt broêr? Ik vind dat 'n mensch z'n eigen broêr moet
wezen ook.
"Alle Menschen
werden Brüder" dichtte Schiller en toonzette Beethoven, terwijl
dat veelbeleden menselijk ideaal toch héél vervelend is, voor
vrouwen en meisjes die niet van geslacht willen veranderen en voor
mannen die van vrouwen houden.
[6]
Wouter voelde schaamte over 't gewicht dat-i aan zyn kleeding
hechtte.
Immers: daarom was
hij nu bij Jansen aangeland, via Groenenhuizen (1242
-
1247), de zo logische Haarlemse
klerenjood (1248), en het huisje van vrouw Claus en Femke (1250).
[7]
Dat de kring
waarin ze zich bewogen had, wat klein was, kwam niet in hem op.
En dat gold immers
ook voor Wouter. Overigens.... het is minstens enigermate relevant
op te merken dat ieder mens meent de mensheid te kunnen beoordelen
op basis van een behoorlijke bekendheid met enkele tientallen
mensen, en een oppervlakkige bekendheid met enkele honderden, en
overigens op basis van de media en literatuur, alles samengesteld
door mensen met evenredige mensenkennis. 't Is echter waar dat er
veel gemeenschappelijk is aan mensen, ongeacht begaafdheden,
interesses en smaken.
[8] -
Zéér oud, betuigde hy. Dan heeft u zeker de uitlegging van de stad
bygewoond?
Met de onduidelijke
chronologie van WP - zie .. - is moeilijk vast te stellen waar Wouter hier op doelt,
maar kennelijk was Amsterdam nog maar kort geleden buiten het Singel
uitgebreid.
En laat ik zelf eens wat
geschiedkundige lijntjes doortrekken die verduidelijken hoe ik hier
beland ben, in het annoteren van Multatuli. Het heeft iets te maken
met de vele zegeningen die het katholicisme bracht:
Mijn grootmoeder's
grootouders - in de eerste helft van de 19e eeuw - hadden nog een boerderij aan de Overtoom, en waren
katholiek. Ze hadden vijf of zes jonge kinderen toen mijn
grootmoeder's grootvader op de Torensluis onder een kar terecht kwam
die over hem reed, zodat hij ter plekke overleed, zij het wel na gebiecht te hebben
bij een passerende pater. Deze pater getuigde dat de overledene zijn
bezit overgemaakt zou hebben aan de kloosterorde van de pater, en
vijf dagen later was de boerderij onteigend en stond mijn
grootmoeder's grootmoeder met haar vijf of zes jonge kinderen op
straat, deo gratia ongetwijfeld. Ze overleefde dit met enkele van haar
kinderen door vele jaren lang een aardappelenhandel te voeren vanuit
een kelderwoning, wat zeer zwaar werk was, en haar handen als
kolenschoppen aan een kromgegroeid lijf bezorgde. Ook liet zij iedere
week de man met het ijzer komen (zie ...) om haar krullen glad te
strijken, want "krullende haren leiden tot krullende zinnen". Het is
vanwege deze waarachtige geschiedenis dat mijn grootmoeder arm en
atheïstisch was, en dat mijn moeder haar grootmoeder, één van de
kinderen die het overleefde, nog wekelijks brood moest brengen in het
besjeshuis in de jaren 1920, alweer vanwege de armoe, waarvoor ook zie
451. Mijn grootmoeder trouwde een
anarchistische handzetter, met een voorkeur voor Multatuli, zodat ik
via die weg rond m'n 14e voor 't eerst in aanraking kwam met de
Ideën, en er bijna door overleed (zie 138).
Dat zijn dus enkele
van de oorzaken die mij tot deze annotaties bewogen...
[9]
Hy was nog vroeger opgestaan dan ik, en had alles weggeruimd. Hoe
vind je dat, jongeheer?
Héél onpaterlijk,
naar mijn kennis van paters e.d., en speciaal paters-jezuïeten als
Jansen.
[10]
toen sprak hy weer van arme broeders, maar ik zei dat die luie Griet
m'n broêr niet was, en zyn broer ook niet! Wel neen, wat zeg jy?
Zie [5]. Het is ook
typisch een veel wind en Engelse notting kreet.
[11]
De romantiek is veerkrachtig, en wat er in afmeting en gehalte aan
de omstandigheden ontbreekt, wordt aangevuld en opgesierd door den
onbewusten goeden wil van de Don Quichotten.
Waarvoor M.
ondertussen, en terecht, zichzelf hield, en Wouter ook. En er zijn
inderdaad véél minder Don Quichots dan Sancho Panzas, omdat
conformisme gewoon en geest zeldzaam is.
[12]
...zoo, weet je 'r van? Nou, des-te-beter! Ik hoorde 't van Femke
Claus...
Ik geloof dat dit de eerste
keer is dat voor en achternaam van Femke achter elkaar gebruikt worden.
[13]
't Vondelingschap beviel Wouter byzonder. De
lust om daarvan iets meer te vernemen, verdreef zelfs den indruk die
't noemen van Femke's naam - in-verband nogal met prinses Erika - op
hem maken moest. Zou Styntje's vader 'n ryke baron wezen? En
teruggekeerd op 't pad der deugd?
Vanwege Wouter's
ideeën over toneel, waarvoor zie 1049c
en 1050, en ook i.v.m. Wouter's eerste
droom, in 405-412.
[14]
Wouter kreeg alweer, niets dan leege doppen en
schillen, of althans dit verbeeldde hy zich omdat-i nog niet geleerd
had - er zyn er meer zoo! (122)
- z'n ontmoetingen op 'n afstand te zien.
Ik doe m'n best! En
overigens: Ik schrijf mijn commentaren en noten dan zo'n 130 of meer jaren
later, wat het voordeel biedt dat ik niet gehinderd word door
allerlei vooroordelen die in M.'s tijd speelden, maar aan de andere
kant ook het nadeel dat ik tal van kwesties die toen speelden en
gebruiken en opvattingen die er toen waren niet ken, althans niet uit
direkte ervaring. Eén klein voorbeeldje uit zeer veel mogelijke: Hoe
zag Amsterdam er toen uit, zonder asfalt, zonder straatverlichting,
zonder autoos of fietsen, en trouwens altijd met een geur van
paarden? (Er is enige fraaie en leerzame instruktie hierover te
halen uit laat-19e eeuwse fotoos van Amsterdam, zoals van Jacob
Olie, maar het is niet het ware.)
[15] Wat ons in oudheid
belangryk, of in middeleeuwen romantisch voorkomt, is eenmaal
gewoon geweest.
Ja, maar met een
verschil: Zonder kennis van de toekomst van hun heden, en met een
vals geloof erover.
Immers: Een
interessant feit dat uit
de geschiedenis van in
ieder geval de laatste 500
jaar geleerd kan worden is
dat helemaal niemand van
de ooit levenden de
afgelopen 500 jaar
behoorlijk in staat was om
méér dan 25 jaar
waarachtig vooruit te
zien, afgezien van
triviale "voorspellingen"
als dat over 25 jaar de
zon ook nog schijnt.
Dit is
interessant omdat het iets
aantoont over menselijke
vermogens (namelijk: de
voorspelbaarheid van de
menselijke geschiedenis
door mensen is tot nu een
illusie gebleken) en ook
iets over de machten van
het toeval en de
wetenschap, voor twee
belangrijke redenen dat de
geschiedenis er over 25
jaar waarschijnlijk nogal
ànders zal uitzien dan u
of ik vandaag menen,
namelijk dat er in de
tussentijd veel dingen
zullen gebeuren die
toevallig zijn in de zin
dat ze niet adekwaat
voorspeld kunnen worden,
waarvan sommigen grote
gevolgen zullen hebben, en
dat de voornaamste machten
die de menselijke
geschiedenis de laatste
eeuwen vorm en inhoud
geeft, naast politieke en
religieuze, de
wetenschap en de
technologie zijn, die
ook telkens met nieuwe
inzichten en nieuwe daarop
gebaseerde nieuwe technologieën
komen.
[16] -
En... u ziet soms Femke hier? vroeg Wouter, niet zonder de strekking
dat deze byzonderheid Styntje's genot nog aanmerkelyk verhoogen
moest.
Psychologisch
en lichamelijk adequaat: Onze gevoelens over dingen hangen samen met onze wensen en
noden, en veel minder met de dingen.
[17] 'n
Mensch houdt van den een, en niet van den ander.
Juist, en een feit
dat vaak impliciet ontkend wordt door "Alle Menschen
werden Brüder"-volk, waarvoor zie [5].
[18] - Is
u niet bang voor de hel, juffrouw?
- Gut né, volstrekt
niet, want ik doe m'n werk.
Dit is een heel verstandige
opvatting, die ongebruikelijk moet zijn geweest in die dagen, zeker onder protestanten.
[19]
Ik was al tien jaar oud toen ik nog achter de koeien in 't veld
liep, en als ik in 't dorp kwam - want ik ben maar van 't boerenland
- dan riepen de jongens: ‘vondeling, vondeling!’
Dit is een
instruktieve schets van hoe
het toen ging in Nederland en van Nederlandse normen en waarden.
Verder zie 448.
[20]
Want zeker had ze niet goed met me gehandeld, maar pater zei: ‘denk
je dat 'n mensch voor z'n plezier z'n kind op de hei legt? Dat zyn
treurige zaken, men moet er meely mee hebben!’
Dit dunkt me zeer verlicht voor
een pater-jezuïet, al is het geheel volgens M.'s normen.
[21] -
En... de ziel van... uw vader? vroeg Wouter die naar bericht
hunkerde omtrent zekeren schatryken baron, na - of liever nog: 'n
beetje vóór - z'n terugkeer op 't pad der deugd.
Wouter had z'n
kennis van de gewoontes van baronnen geleerd rond
1050 en is nog behoeftig aan wat
sexuele opvoeding of kennis.
[22] - Ik
heb hem alles duidelyk uitgelegd, verzekerde Jansen. Die
geldwisselaar zei dat de koers laag was, jongeheer, maar ik heb 'n
briefje gevraagd, waar 't op staat. Nu kan jyzelf alles precies
uitrekenen, want men kan nooit te voorzichtig wezen in de wereld, en
geld is... geld, wat zeg jy, Styn?
Wouter weet immers
van wissels en wisselkoersen: Zie
1225 en 1226.
[23] -
Zal je toch goed zorgdragen dat pater al dat geld niet verdoet,
jongeheer?
Vrouw Claus heeft de pater eerder
geïnstrueerd op Wouter te letten (1253)
en nu instrueert Styntje Wouter om op pater Jansen te letten. (De
lezer zal leren, nog in Ideen VII, dat ook
goedgemeende en welbegronde waarschuwingen vaak niet helpen.)