Want... vooruitgang is
er! En meer nog, de voor uitgang is - in Holland vooral -
verbazend groot. Om dit optemerken, behoeft men waarlyk ter
vergelyking niet terugtegaan tot Wouter's jeugd, en zelfs niet tot
de myne. Personen van middelbaren leeftyd zyn by eenige
opmerkzaamheid volkomen in 't bezit der noodige gegevens om te
erkennen dat het licht van vele zyden begint doortebreken.
[1] Het is my
onverklaarbaar dat de aanhangers van 't oude niet meer blyk geven
van ongerustheid. Is hun kalmte 't uitvloeisel van vertrouwen op de
macht van hun God, die ter Zyner tyd 'n dam zal opwerpen
tegen de hand-over-hand toenemende miskenning van z'n hoogheid? Me
dunkt dat Zyn tyd reeds voorlang moest aangebroken zyn, en er
is grond voor de gissing dat Zyn tyd eigenlyk wčl beschouwd
géén tyd is. De God der geloovigen schynt den goeden ouden Pius
[2] tot
voorbeeld te nemen, die jaar op jaar, week op week in allokutie,
breve, syllabus, of hoe die dingen verder heeten mogen, z'n
Katholieken verzekert dat alles weer perfekt terecht komen, en dat
de kerk triumfeeren zal... als de tyd daar is. O, zeker, op
die voorwaarde kan ŕlles voorspeld worden, en misschien zitten ook
de Olympische goden op zoo'n restauratie te wachten. Intusschen zyn
ze afgedankt, en moeten zich vergenoegen met wat er by 't benoemen
van sommige dagen of maanden, by 't vieren van zoogenaamde ‘feesten’
en plechtigheden, by 't vereeren der heiligen, by 't in-standhouden
van - onbegrepen! - symbolen, e.d. van hen overgebleven is. De
troost is mager. Men moet 'n ware duivel wezen om geen medelyden te
voelen met 'n afgezetten god. Ik vergis me, de Duivel-zelf behoort
tot de kathegorie van gewezen wereldregeerders, en niemand beter dan
hy kan weten hoe hard het is, van heel veel aftedalen tot volstrekt
niets. Arme Duivel! Ook voor hem valt er weinig anders te doen dan
in-godsnaam z'n tyd aftewachten... Zyn tyd.
De
Konstantyns zyn nog ver te zoeken [3], en zy die roeping voelen dezen of
genen Olymp te bestormen, hebben nog altyd weinig uitzicht op 'n
hofcharge. Doch juist hierin ligt de reden tot blydschap over den
vooruitgang dien we bespeuren, en we mogen de ergernis over al 't
ongediert dat 'n opkomende zon afwacht om voor den dag te komen,
uitstellen tot den vervaldag van dien verdrietigen wissel der
Noodzakelykheid. Wie dŕn leeft, wie dŕn treurt! Elke periode heeft
genoeg aan z'n eigen kwaad, en by al 't verblydende dat we mogen
opmerken, is 't er nog ver vandaan dat de geheele Maatschappy zich
zou ontworsteld hebben aan den kultus van 't ongerymde.
[4] In
Duitschland, byv. mag men geen kwaad spreken van 't spook dat de
domme gemeenten voor z'n ‘God’ blieft
aantezien. De wet - lach niet, lezer! - bedreigt daar nog altyd
straf tegen Gotteslästerung, en er worden Rechters gevonden
die zich leenen tot het uitspreken van de vonnissen! [5] Rechters, d.i.
doctoren in Recht en Rechten, d.i. ‘gestudeerde
personen’ volgens de uitdrukking van burgerluî die weleens kamers
aan studenten verhuurden, en dus beter konden weten. Rechters,
d.i. mannen met baarden, vrouwen, kinderen, traktement,
kiesbevoegdheid en ridderorden. Is 't niet komiek? Is 't niet
treurig?
Gelukkige Paulus! Ik bedoel hier den man
van Tarsus niet, maar den geestigen medewerker van den
Spectator. In 't laatst verschenen nummer van dat tydschrift (30
September 1876) verwyt hy 'n verzenmaker die op de bekende en
niet zeer ongebruikelyke manier met ‘God’
schermt, dat-i by dien Heer in slecht gezelschap is. ‘Schud u dien
gemeenen kerel van 't lyf!’ zegt Paulus. Bravo! En onder de
advertentien in hetzelfde nummer van den Spectator vinden wy
'n werk van Dr. Pierson aangekondigd, dat
onder den welsprekenden titel: ‘Ter Uitvaart’ Doedes'
pleidooi voor 't godsbestaan behandelt. *)
Voor slechts 'n twintigtal jaren zou de Spectator door 't
opnemen van zulke stukken en advertentien z'n eigen doodvonnis
geteekend hebben. En heden baren die stoutigheidjes ter-nauwernood
opzien. Hierin alzoo staan we nu eens eindelyk niet achter by 't
Buitenland, en daarom noemde ik Paulus gelukkig. In 't vaderland van
Göthe,Schiller,
Humbolt en Bismarck
zou men hem ter verheerlyking van den ‘gelasterden’
God eenige maanden achter de tralies gezet hebben. En Pierson
ook. En my ook.
Bedroevend evenwel is de opmerking dat nog in zeer langen tyd na 't
afschaffen van de goddienery, de zedelykheid niet zal toenemen, en
ik zeg dit nu zonder verband met de uitzichten op 't algemeen
bederf dat de Maatschappy te wachten staat, zoodra er iets zal te
verdienen vallen met ongeloof. Het is er ver vandaan dat het
uitroeien van bygeloof terstond ook de kwalen genezen zou die
daaruit voortsproten. [6] Het gaat hiermee als met de Joodsche Wet die
sedert byna tweeduizend jaren heet afgeschaft te zyn, en waarvan
evenwel thans nog 'n voornaam deel den grondslag uitmaakt van de
meeste begrippen en vooroordeelen in alle christenlanden. Zoo zal
ook de zedelyke schoonheidszin nog lang nasukkelem aan
den verpestenden invloed der goddienery.
[7] Het
uitdenken van nieuwe dogmaas of 't knoeien met stelsels van
duitsche-schoolfilozofen - vooral niet te verwarren met
wysgeeren! - leidt tot niets degelyks. [8] Om de verbysterde
geestvermogens en 't geknakt karakter te herstellen, blyf ik, als in
573,
vlgg: Natuurstudie aanbevelen. [8] Wie dit middel toepast, zal
dagelyks ontwaren... niet dat hy zich aan de slaverny der
vooroordeelen ontworsteld heeft, maar dat het hoog tyd werd 'n
begin te maken met het verbreken van die banden, om niet even
idioot te worden als zy wier verstand hyzelf zoo byzonder laag
stelt.
*) Het hier bedoeld stuk van
Profr. Doedes is door my aangeroerd op
blz. 308 van bundel III, uitg. 1876. [9]
[1]
Want... vooruitgang is
er! En meer nog, de voor uitgang is - in Holland vooral -
verbazend groot. Om dit optemerken, behoeft men waarlyk ter
vergelyking niet terugtegaan tot Wouter's jeugd, en zelfs niet tot
de myne. Personen van middelbaren leeftyd zyn by eenige
opmerkzaamheid volkomen in 't bezit der noodige gegevens om te
erkennen dat het licht van vele zyden begint doortebreken.
M. spreekt van vooruitgang in
geestelijk opzicht, en als men z'n tijdsgenoten mag geloven, zoals
zijn uitgever G.L. Funke, dan is daar wat voor te zeggen.
Aan de andere kant: De toestand van
het volk, waar M. al in 451 over
klaagde, bleef nog tientallen jaren vrijwel even armoedig; in de
Nederlandse kolonieën bleven de misbruiken wijd verbreid en beschermd
door het Nederlands bestuur; en de meerderheid werd zeker niet
intelligenter, ongeloviger of beter, al brokkelde er iets af van de in
ieder geval sinds de Franse tijd bestaande Nederlandse bekrompenheid.
[2] ..
den goeden ouden Pius
..
Wel, deze
gemoedelijke oude baas was wčl de invoerder van de pauselijke
onfeilbaarheid. Hierover zou veel op te merken zijn, maar ik laat het
erbij dat God kennelijk zó graag wilde dat de katholieke paus
onfeilbaar was dat hij maar twee tegenstemmers tolereerde, en
overigens dat ikzelf het nogal vreemd vind dat God's Zoon, toch even
alwetend als Zijn Vader, ruim 1800 jaar eerder vergeten had iets te
zeggen over die onfeilbaarheid van christelijke voorgangers, zodat de Bijbel het
zonder dat geloofsartikel moet doen, dat toch zo wenselijk is voor het
handhaven van macht onder katholieken, en het makkelijk maken van
inquisities onder niet geheel rechtzinnig gelovigen.
[3]
De
Konstantyns zyn nog ver te zoeken ..
Voor keizer Konstantijn, zie
180.
[4]
Wie dŕn leeft, wie dŕn
treurt! Elke periode heeft genoeg aan z'n eigen kwaad, en by al 't
verblydende dat we mogen opmerken, is 't er nog ver vandaan dat de
geheele Maatschappy zich zou ontworsteld hebben aan den kultus van 't
ongerymde.
Goed gezegd, en het geloof is
een "kultus van
't ongerymde": "Geloof
is bijgeloof."
[5]
De wet - lach niet,
lezer! - bedreigt daar nog altyd straf tegen Gotteslästerung, en er worden Rechters gevonden
die zich leenen tot het uitspreken van de vonnissen!
Anno 2006 gloort de reële
mogelijkheid dat dit hier weer zo zal zijn, als de populisten,
de imams en de evangelisten hun zin krijgen, die elkaar tegenspreken
in zoveel, en zo onredelijk ook, maar het onderling eens zijn over de
wenselijkheid van bijgeloof.
[6]
Het is er ver vandaan dat het uitroeien van bygeloof terstond ook de
kwalen genezen zou die daaruit voortsproten.
Ja, en de reden is de gemiddelde domheid en onwetendheid: Roei één
bijgeloof uit, en je maakt ruimte voor tien nieuwe, als met de koppen
van de hydra.
Kortom, het probleem is zoals ik het
eerder al stelde: De grote meerderheid is eenvoudig niet in staat
zelfstandig en individueel tot rationele en redelijke oordelen te
komen - en wie dat, quasi populistisch, anders ziet behoort tot die
grote meerderheid of is een populistische volksgunst-bedrieger.
[7] ..
den verpestenden
invloed der goddienery
..
Juist. Het grote probleem daarbij, kennelijk anders dan met de goden
van de Grieken en Romeinen, is bovendien het
totalitairisme.
[8]
Het
uitdenken van nieuwe dogmaas of 't knoeien met stelsels van
duitsche-schoolfilozofen - vooral niet te verwarren met
wysgeeren! - leidt tot niets degelyks.
Juist! Velen roemen Kant, maar niemand is er ooit in geslaagd in
duidelijke taal (!) uiteen te zetten wat de man tot stand gebracht zou
hebben.
[9]
Het hier bedoeld stuk van
Profr. Doedes is door my aangeroerd op
blz. 308 van bundel III, uitg. 1876.
Zie
887 voor de hooggeleerde Doedes.