Idee 1255.                                                


Want... vooruitgang is er! En meer nog, de voor uitgang is - in Holland vooral - verbazend groot. Om dit optemerken, behoeft men waarlyk ter vergelyking niet terugtegaan tot Wouter's jeugd, en zelfs niet tot de myne. Personen van middelbaren leeftyd zyn by eenige opmerkzaamheid volkomen in 't bezit der noodige gegevens om te erkennen dat het licht van vele zyden begint doortebreken. [1] Het is my onverklaarbaar dat de aanhangers van 't oude niet meer blyk geven van ongerustheid. Is hun kalmte 't uitvloeisel van vertrouwen op de macht van hun God, die ter Zyner tyd 'n dam zal opwerpen tegen de hand-over-hand toenemende miskenning van z'n hoogheid? Me dunkt dat Zyn tyd reeds voorlang moest aangebroken zyn, en er is grond voor de gissing dat Zyn tyd eigenlyk wčl beschouwd géén tyd is. De God der geloovigen schynt den goeden ouden Pius [2] tot voorbeeld te nemen, die jaar op jaar, week op week in allokutie, breve, syllabus, of hoe die dingen verder heeten mogen, z'n Katholieken verzekert dat alles weer perfekt terecht komen, en dat de kerk triumfeeren zal... als de tyd daar is. O, zeker, op die voorwaarde kan ŕlles voorspeld worden, en misschien zitten ook de Olympische goden op zoo'n restauratie te wachten. Intusschen zyn ze afgedankt, en moeten zich vergenoegen met wat er by 't benoemen van sommige dagen of maanden, by 't vieren van zoogenaamde ‘feesten’ en plechtigheden, by 't vereeren der heiligen, by 't in-standhouden van - onbegrepen! - symbolen, e.d. van hen overgebleven is. De troost is mager. Men moet 'n ware duivel wezen om geen medelyden te voelen met 'n afgezetten god. Ik vergis me, de Duivel-zelf behoort tot de kathegorie van gewezen wereldregeerders, en niemand beter dan hy kan weten hoe hard het is, van heel veel aftedalen tot volstrekt niets. Arme Duivel! Ook voor hem valt er weinig anders te doen dan in-godsnaam z'n tyd aftewachten... Zyn tyd.

De Konstantyns zyn nog ver te zoeken [3], en zy die roeping voelen dezen of genen Olymp te bestormen, hebben nog altyd weinig uitzicht op 'n hofcharge. Doch juist hierin ligt de reden tot blydschap over den vooruitgang dien we bespeuren, en we mogen de ergernis over al 't ongediert dat 'n opkomende zon afwacht om voor den dag te komen, uitstellen tot den vervaldag van dien verdrietigen wissel der Noodzakelykheid. Wie dŕn leeft, wie dŕn treurt! Elke periode heeft genoeg aan z'n eigen kwaad, en by al 't verblydende dat we mogen opmerken, is 't er nog ver vandaan dat de geheele Maatschappy zich zou ontworsteld hebben aan den kultus van 't ongerymde. [4] In Duitschland, byv. mag men geen kwaad spreken van 't spook dat de domme gemeenten voor z'n ‘God’ blieft aantezien. De wet - lach niet, lezer! - bedreigt daar nog altyd straf tegen Gotteslästerung, en er worden Rechters gevonden die zich leenen tot het uitspreken van de vonnissen! [5] Rechters, d.i. doctoren in Recht en Rechten, d.i. ‘gestudeerde personen’ volgens de uitdrukking van burgerluî die weleens kamers aan studenten verhuurden, en dus beter konden weten. Rechters, d.i. mannen met baarden, vrouwen, kinderen, traktement, kiesbevoegdheid en ridderorden. Is 't niet komiek? Is 't niet treurig?

Gelukkige Paulus! Ik bedoel hier den man van Tarsus niet, maar den geestigen medewerker van den Spectator. In 't laatst verschenen nummer van dat tydschrift (30 September 1876) verwyt hy 'n verzenmaker die op de bekende en niet zeer ongebruikelyke manier met ‘God’ schermt, dat-i by dien Heer in slecht gezelschap is. ‘Schud u dien gemeenen kerel van 't lyf!’ zegt Paulus. Bravo! En onder de advertentien in hetzelfde nummer van den Spectator vinden wy 'n werk van Dr. Pierson aangekondigd, dat onder den welsprekenden titel: ‘Ter Uitvaart’ Doedes' pleidooi voor 't godsbestaan behandelt. *)  Voor slechts 'n twintigtal jaren zou de Spectator door 't opnemen van zulke stukken en advertentien z'n eigen doodvonnis geteekend hebben. En heden baren die stoutigheidjes ter-nauwernood opzien. Hierin alzoo staan we nu eens eindelyk niet achter by 't Buitenland, en daarom noemde ik Paulus gelukkig. In 't vaderland van Göthe,Schiller, Humbolt en Bismarck zou men hem ter verheerlyking van den ‘gelasterden’ God eenige maanden achter de tralies gezet hebben. En Pierson ook. En my ook.

Bedroevend evenwel is de opmerking dat nog in zeer langen tyd na 't afschaffen van de goddienery, de zedelykheid niet zal toenemen, en ik zeg dit nu zonder verband met de uitzichten op 't algemeen bederf dat de Maatschappy te wachten staat, zoodra er iets zal te verdienen vallen met ongeloof. Het is er ver vandaan dat het uitroeien van bygeloof terstond ook de kwalen genezen zou die daaruit voortsproten. [6] Het gaat hiermee als met de Joodsche Wet die sedert byna tweeduizend jaren heet afgeschaft te zyn, en waarvan evenwel thans nog 'n voornaam deel den grondslag uitmaakt van de meeste begrippen en vooroordeelen in alle christenlanden. Zoo zal ook de zedelyke schoonheidszin nog lang nasukkelem aan den verpestenden invloed der goddienery. [7] Het uitdenken van nieuwe dogmaas of 't knoeien met stelsels van duitsche-schoolfilozofen - vooral niet te verwarren met wysgeeren! - leidt tot niets degelyks. [8] Om de verbysterde geestvermogens en 't geknakt karakter te herstellen, blyf ik, als in 573, vlgg: Natuurstudie aanbevelen. [8] Wie dit middel toepast, zal dagelyks ontwaren... niet dat hy zich aan de slaverny der vooroordeelen ontworsteld heeft, maar dat het hoog tyd werd 'n begin te maken met het verbreken van die banden, om niet even idioot te worden als zy wier verstand hyzelf zoo byzonder laag stelt.

*) Het hier bedoeld stuk van Profr. Doedes is door my aangeroerd op blz. 308 van bundel III, uitg. 1876. [9]


[1] Want... vooruitgang is er! En meer nog, de voor uitgang is - in Holland vooral - verbazend groot. Om dit optemerken, behoeft men waarlyk ter vergelyking niet terugtegaan tot Wouter's jeugd, en zelfs niet tot de myne. Personen van middelbaren leeftyd zyn by eenige opmerkzaamheid volkomen in 't bezit der noodige gegevens om te erkennen dat het licht van vele zyden begint doortebreken.

M. spreekt van vooruitgang in geestelijk opzicht, en als men z'n tijdsgenoten mag geloven, zoals zijn uitgever G.L. Funke, dan is daar wat voor te zeggen.

Aan de andere kant: De toestand van het volk, waar M. al in 451 over klaagde, bleef nog tientallen jaren vrijwel even armoedig; in de Nederlandse kolonieën bleven de misbruiken wijd verbreid en beschermd door het Nederlands bestuur; en de meerderheid werd zeker niet intelligenter, ongeloviger of beter, al brokkelde er iets af van de in ieder geval sinds de Franse tijd bestaande Nederlandse bekrompenheid.
 


[2] .. den goeden ouden Pius ..

Wel, deze gemoedelijke oude baas was wčl de invoerder van de pauselijke onfeilbaarheid. Hierover zou veel op te merken zijn, maar ik laat het erbij dat God kennelijk zó graag wilde dat de katholieke paus onfeilbaar was dat hij maar twee tegenstemmers tolereerde, en overigens dat ikzelf het nogal vreemd vind dat God's Zoon, toch even alwetend als Zijn Vader, ruim 1800 jaar eerder vergeten had iets te zeggen over die onfeilbaarheid van christelijke voorgangers, zodat de Bijbel het zonder dat geloofsartikel moet doen, dat toch zo wenselijk is voor het handhaven van macht onder katholieken, en het makkelijk maken van inquisities onder niet geheel rechtzinnig gelovigen.
 


[3] De Konstantyns zyn nog ver te zoeken ..

Voor keizer Konstantijn, zie 180.
 


[4] Wie dŕn leeft, wie dŕn treurt! Elke periode heeft genoeg aan z'n eigen kwaad, en by al 't verblydende dat we mogen opmerken, is 't er nog ver vandaan dat de geheele Maatschappy zich zou ontworsteld hebben aan den kultus van 't ongerymde.

Goed gezegd, en het geloof is een "kultus van 't ongerymde": "Geloof is bijgeloof."
 


[5] De wet - lach niet, lezer! - bedreigt daar nog altyd straf tegen Gotteslästerung, en er worden Rechters gevonden die zich leenen tot het uitspreken van de vonnissen!

Anno 2006 gloort de reële mogelijkheid dat dit hier weer zo zal zijn, als de populisten, de imams en de evangelisten hun zin krijgen, die elkaar tegenspreken in zoveel, en zo onredelijk ook, maar het onderling eens zijn over de wenselijkheid van bijgeloof.
 


[6] Het is er ver vandaan dat het uitroeien van bygeloof terstond ook de kwalen genezen zou die daaruit voortsproten.

Ja, en de reden is de gemiddelde domheid en onwetendheid: Roei één bijgeloof uit, en je maakt ruimte voor tien nieuwe, als met de koppen van de hydra.

Kortom, het probleem is zoals ik het eerder al stelde: De grote meerderheid is eenvoudig niet in staat zelfstandig en individueel tot rationele en redelijke oordelen te komen - en wie dat, quasi populistisch, anders ziet behoort tot die grote meerderheid of is een populistische volksgunst-bedrieger.
 


[7] .. den verpestenden invloed der goddienery ..

Juist. Het grote probleem daarbij, kennelijk anders dan met de goden van de Grieken en Romeinen, is bovendien het totalitairisme.
 


[8] Het uitdenken van nieuwe dogmaas of 't knoeien met stelsels van duitsche-schoolfilozofen - vooral niet te verwarren met wysgeeren! - leidt tot niets degelyks.

Juist! Velen roemen Kant, maar niemand is er ooit in geslaagd in duidelijke taal (!) uiteen te zetten wat de man tot stand gebracht zou hebben.
 


[9] Het hier bedoeld stuk van Profr. Doedes is door my aangeroerd op blz. 308 van bundel III, uitg. 1876.

 Zie 887 voor de hooggeleerde Doedes.

Idee 1255.