Idee 1253.                                                


Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouters meening, met 'n matroos! [1] Een oogenblik lang vlood alle herinnering aan 't gebeurde en aan de oorzaken die hem daar brachten, op den achtergrond, om slechts plaats te maken voor yverzucht, vreeselyke yverzucht. De arme jongen had 'n gevoel alsof hem 'n gloeiende dolk in 't hart werd gestoken. Z'n knien knikten, en als wezenloos viel hy tegen den post van de deur aan. Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn. [2] Wouter sloeg geen oog af van 't schouwspel dat hem zoo wondde en hoe langer hoe smartelyker aandeed, want de blykbare vertrouwelykheid tusschen de beide jongelieden was groot. Gedurende hun wandeling gaven ze elkander de hand, of liever 't scheen dat ze hun pinken ineenhaakten. Dit kon worden opgemaakt uit 'n eigenaardig gelykmatig slingeren van den linkerarm der persoon die rechts liep, en van den rechterarm der andere. Het gesprek was luidruchtig en zelfs van sarrende vroolykheid. Vooral het meisje joelde en schaterde, en hierdoor voelde Wouter zich als vernietigd. Het baatte niet of-i zich al vrzei dat ze hem niets schuldig was, dat hy geen recht op haar had, en dat ze... god in den hemel, moest het nog erger worden? Daar liet zy de hand van den jongeling los, en viel hem om den hals, en 't duurde wel 'n eeuw, vond Wouter, of 'n uur, of zoo-iets, maar 'n zr langen tyd in allen geval. In al de romans die hy gelezen had, werd de aandoening die hy onderging omschreven met de woorden: onze held stierf duizend dooden maar hy had waarlyk geen afgezaagde boekenfraze noodig om te voelen wat-i leed. Na de omhelzing hervatte het dartele paar de wandeling op den weg, en naderde, telkens omkeerend, nu en dan het huisje, waarop dan ook eenige malen door 't meisje gewezen werd alsof ze daarover iets aan haar vrindje te vertellen had. Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet. [3] Als om hem 't begrypen onmogelyk te maken, keerden zy zich telkens om als-i juist op 't punt meende te zyn eenig gevolg verzekerd te zien aan z'n onbescheidenheid, en dan slenterden ze weer den weg naar de Aschpoort [4] op. De arme jongen meende te droomen, want zelfs 't niet verstaan van wat er gezegd werd, bracht het zyne tot z'n verbazing by. Telkens meende hy eenige klanken duidelyk genoeg te hebben opgevangen om te begrypen wat-i hoorde, en toch wou dit maar niet het geval worden. Hy wreef zich de ooren alsof daarover 'n vlies gespannen was, doch zonder baat. En, wanneer 't paartje weer wat verder-af was, hoorde hy slechts 't geschater. Er ontbrak maar aan dat ze daar gingen dansen op den publieken weg. Waarachtig, 't scheelde niet veel! Het uitgelaten meisje pakte 'n paar malen den jonkman, die iets bedaarder bleek dan zy, by den arm, en zwaaide hem om zich heen. Daarop volgde dan weer luid gejuich en gesnap... er was geen eind aan! Ja toch, eindelyk bleven ze staan en schenen afscheid te nemen. Er werd hartelyk gekust, de jongeling verwyderde zich, en 't meisje sloeg met bedaarder tred den weg naar 't huisjen in. Eens nog stond ze stil, wuifde met 'n doek, en ontving haar groet behoorlyk van 't zeemannetje terug, die driemaal met z'n hoed zwaaide. Voor evenwel 't meisje genoeg genaderd was om Wouter met kennis te zien, liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat? [5]

Na eenig heen-en-weer zwerven, waarby hem z'n onbehagelyke kleeding zeer ergerde, vooral omdat het getal der voorbygangers aangroeide, niet zonder verdriet ook over den honger dien-i zich toedichtte om 'n afleider te hebben van z'n velerlei wanhopen... [6] kortom, 'n half uur daarna stond-i weer voor 't huisje van Vrouw Claus, en ditmaal trad hy binnen. De tafel droeg toebereidselen tot 'n flink ontbyt - goddank! - maar hy zag niemand. Uit het kamertje waar-i eens zoo heerlyk geslapen had, klonk 'n stem - 'n lieve heldere jonk-vrouwelyke stem toch! - die hem begroette met 'n soldatesk: werda! Wouter antwoordde niet, of byna niet, want het onnoozele ik dat-i zeer verwonderd uitpiepte, mag geen naam hebben. Hoe drommel kon-i voorbereid wezen op zoo'n militaire ontvangst? Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak. [6]

- Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je. [7]

Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: dat is nou 't jongetje van 't paard, weetje? Hierop volgde iets als teruggehouden lachen, en daarop 'n doodelyke stilte. [8] Wouter wist alweer niet hoe hy 't had. Na eenig wachten waagde hy 't even in de kamer te gluren, waaruit men hem zoo geheimzinnig had toegeroepen. Vrouw Claus, dacht-i, zou nu toch wel met haar toilet gereed zyn. Nu, dit was zoo, maar in de kamer was niemand. Moeder en dochter waren zeker op 't erf by de bekende pomp. Een oogenblik daarna keerde Vrouw Claus terug, en noodigde op haar gewone vriendelyke manier Wouter op 't ontbyt.

- Asjeblieft, juffrouw. Maar wil u me asjeblieft zeggen waarom Femke niet komt?

- Fem? Jawel, o jawel, die zal wel komen. Of misschien komt ze niet, want ze staat te wasschen. Zoo zal ik nu maar zeggen, weetje? Weetje wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, 'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op. [9]

- M'n moeder is heel wel, maar...

- En jy? Heb Je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan ik ook zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd loopt wel 'reis om. [10] En is je moeder weer heelemaal in orde. Wel, dat's best. Als ze nu maar oppast niet weer ziek te worden. Was 't koorts, of wat was het?

- M'n moeder is heel wel, juffrouw, maar ikzelf ben 'n beetje...

- Ben jy ziek? Wat mankeert je? Maar... gut, jongen, wat heb je daar 'n gekke jas aan je lyf. Hoe kom je daaraan?

- Ja, dat komt... dat is... ik moet... ik wilde...

Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken. [11]

- Ajakkes, jongen, wat schikt je moeder je raar op! Je lykt wel 'n sjouwerman, neen... ik weet niet wat je wel lykt! Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas! [12] En wat zit je vol stof. Waar heb je gezeten, jongen? Waar ben je geweest?

Toen de goede vrouw zich bukte om 't stof van z'n schoenen te slaan, kreeg ze tot overmaat van ergernis, Wouter's hoed in 't oog, dien-i by 't plaatsnemen had verstopt onder z'n stoel.

- Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best! [13] Och, och, vroeger was je zoo'n lief jongetje, en op dat paard... o neen, op 'n paard heb je nooit gezeten, maar toch, je zag 'r vroeger aardig uit. En nu? 't Is 'n ware schand zooals je moeder je toetakelt!

- Moeder kan 't waarlyk niet helpen! Ik zal u alles vertellen, juffrouw.

- Wt? Kan je moeder niet helpen, dat jy voor spot loopt? Ik zeg je dat het schande-n-is, 'n ware schande, ja... 'n schandaal! Hoor eens, ik ben maar 'n waschvrouw, en dat wil ik blyven ook, al zouden ze... nu, dit gaat jou niet aan, maar ik verzeker je dat ik me schamen zou, schamen, ja... schamen, hoorje!

- M'n moeder weet het niet...

- Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor? [14]

- Neen, juffrouw, maar...

- Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen. [15]

- Och, Vrouw Claus, m'n moeder weet er niets van. Ik kom van Haarlem, en...

- Van Haarlem? Wat deed je dr? En moet je 'r daarom zoo verpieterd uitzien? [16] Als Fem hier was, zou ze... 

- Is ze dan niet hier, vroeg Wouter haastig, is Femke niet hier? En ik heb 'r gezien!

De beurt om verlegen te worden, was aan Vrouw Claus. Ze antwoordde met 'n zonderling gerekt ja dat heel best kon gelden voor 'n ontkenning.

- Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet. [17] Je moet denken, ze is dikwyls uit, en by m'n nicht op den Kolveniersburgwal ook, en ze brengt waschgoed weg... och, ze heeft allerlei te doen, en... weetje wat jy doet, jongen? Eet jy nog 'n boteram of twee, want als je heel van Haarlem komt... onze Fem is aan de wasch, weetje, en als ze gehinderd wordt in haar werk... jeesis-maria, wat lieg ik!

Met dezen kreet op de lippen stoof Vrouw Claus de kamer uit, en 't achtervertrekjen in. Het scheen wel dat ook zy wat te verbergen had, want Wouter bemerkte tot z'n verbazing dat zy de deur achter zich sloot, alsof ze bevreesd was dat-i haar volgen zou. Een oogenblik lang meende hy 'n onderdrukt lachen te hooren, maar weldra werd het in de kamer naast hem volkomen stil. Zeker was Vrouw Claus op haar erfje by de pomp gegaan, om daar aan Femke te vertellen hoe bespottelyk hy was opgetooid. Hy begon zich optedringen dat de in 't oog vallend zonderlinge houding der moeder, in-verband stond met dat al te vroegtydig bezoek van den matroos. Zeker giste Vrouw Claus dat hy daarvan iets bemerkt had, en ze wist niet hoe ze dat voor de eer van haar huisje zou goedpraten. Zoo ws het! Weinige maanden geleden nog, zou Wouter zeker niet op zulke gedachten gekomen zyn. Maar z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit. [18] Wat de kans op juist-raden aangaat, had-i beter gedaan zich te houden aan z'n kinderlykheid, want de wysheid van deze wereld is dwaasheid by Fancy.

Wouter bleef niet zeer lang met z'n boterammen alleen. De buitendeur werd opengestoten, en een man die blykbaar zoo-even was komen aanryden met 'n handkar waarop 'n koffer geplaatst was, vroeg of-i hier te-recht was by Vrouw Claus? Er bleek dat deze 't voertuig had zien aankomen, en tevens dat zy de bestemming daarvan kende, want voor nog Wouter tyd had gehad iets te vernemen van de herkomst - sommigen beweren dat-i grooten lust had er naar te vragen - kwam de goede oude vrouw haastig aanloopen. Ze stuwde Wouter op-zy, toen-i met z'n gewone dienstvaardigheid behulpzaam wezen wou in 't afladen, en droeg met den kruier 't vry zware voorwerp dat haar gebracht werd, het huisjen in, en met n vaart naar de achterkamer door. Indien 't haar plan was, den naam des afzenders voor Wouter geheim te houden - en zoo scheen 't wel - liep ze gevaar hierin te worden teleurgesteld door den kruier die op haar vraag naar 't bedrag van 't voerloon, ten antwoord gaf dat de vracht voldaan was door de heeren... sakkerloot, Wouter verstond den naam niet! Na 't vertrek van den man met de handkar voelde hy zich verlegen omdat hem maar al te duidelyk gebleken was dat er iets voor hem verborgen werd. Hy wilde dus niets liever dan vertrekken, maar werd weerhouden door Vrouw Claus die hem op-nieuw 'n stoel aanwees.

- Ze zegt... ik wil maar zeggen dat ik nu graag eens precies weten wou waarom je 'r zoo mal uitziet, en wat je toch in 'sheeremenschen-naam te Haarlem hebt uitgevoerd? Zeg, jongen, wat deed je te Haarlem, en waarom heb je zoo'n schandaligen hoed op? En die jas? Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was. [19] Want ze wil alles weten...

- Femke? vroeg Wouter.

- Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremens, wat verveelt me dat liegen... ah! [20]

Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op 'n ontstemd gemoed. [21]

- Wel, dat 's goed, pater! Ga zitten, en eet 'n stuk. Heb je-n-'n zieke-n-in de buurt.

- Dat ook. Maar ik kom 'ns hooren of ze 't gedaan heeft?

- Ja zeker! Maar... dat jongetje weet er niets van. We praten er dus maar niet over voor-i weg is.

Natuurlyk alweer wilde Wouter, zich hoorende uitmaken voor zoo storend, z'n bezoek afbreken. Maar Vrouw Claus liet het niet toe.

- Neen, mannetje, jy blyft nog wat. Net goed dat pater 't hoort wat je hebt uitgevoerd. Kyk 't kind er 'ns disselaat uitzien, pater!

De goede pastoor bekeek Wouter van onder tot boven, maar hy was nu juist de rechte man niet om de snit van 'n jas te beoordeelen, en toonde dus minder verontwaardiging dan volgens Vrouw Claus behoorlyk zou geweest zyn.

- Nu, pater, jy weet dat zoo niet, maar hy is 'n fatsoenlyk mans kind, en ziet er uit als 'n schooier uit de polders. En hy is te Haarlem geweest zonder dat z'n moeder er van weet. Maar vertel dan toch, jongen, wat je gedaan hebt! Wel ja, niet waar, dan weet pater 't ook!

Wouter begon z'n relaas hakkelend en verward, en sprak nog veel slechter dan over 't algemeen de hollandsche gewoonte is, 'n fout die vergeeflyk voorkomt omdat ze in zekeren zin 't gevolg is van den rykdom der taal. Och, niet drop kon zich de jongen ter verschooning van z'n gebrabbel beroepen. Behalve de schaamte die hem beheerschte, hinderde hem zekere onzekerheid omtrent het bevattingsvermogen van z'n hoorders, 'n twyfel die Demosthenessen en Ciceroos zou stom gemaakt hebben. Hierdoor werd hy vooral belemmerd wanneer-i ter verklaring van z'n vreemd gedrag, oorzaken wou uitleggen die hemzelf niet zeer duidelyk waren. 't Is waar ook, waarm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig thuis in 't wereldje dat hem omgaf? [22] De wrevel in byzondere gevallen - over de minachting, byv. waarmee de opgeblazen Hersilia hem behandeld had - was gemakkelyker te verklaren, en dit deed-i dan ook zoo goed hy kon.

- Als 't kind van de kerk was, zou ik zeggen datje hem eens onderhanden moest nemen, zei Vrouw Claus tot den pater. En, zieje, 't is niet om 't verkwanselen van z'n kleeren alleen, en ook niet om dien perresol, maar z'n gezicht bevalt me-n-ook niet. Zeg jyzelf nu eens, pater, of-i er niet verpieterd uitziet? Nu, we zullen zien wat er aan te doen is.

Dit gezegd hebbende, stond zy op en begaf zich naar 't achterkamertje, alsof daar de geneesmiddelen voor Wouter's kwalen moesten gezocht worden. En dit bleek eenige minuten later werkelyk 't geval te zyn.

- Hoor eens, jongeheer, zei pater Jansen, wil je weten hoe ik over de zaak denk? Ik vind dat je je kleeren moest zien weerom te krygen. Zie je kans, 't huis van dien man terugtevinden?

Wouter vertoonde het adreskaartje van den menschenvriend die hem zoo edelmoedig behulpzaam geweest was in 't uit- en aankleeden. Hy maakte de opmerking dat er tot het lossen van de verkochte stukken geld noodig wezen zou, vl geld, en dat juist dit bezwaar...

- Geld heb ik ook niet veel, zei de goede man, maar als je wat wachten kan, zal ik er om schryven naar Vucht, aan m'n broer die daar smid is, en 't gaat 'm goed. En 'n herberg houdt-i ook, en zondags wordt er by hem gedanst... nou! Na kerktyd, weetje? Dt moet je zien, vooral als 't kermis is. Een pret... je leven zoo niet!

De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteeren, gelyk men ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw, [23] 'n byzonderheid waarin scherpzinnige lezers een der oorzaken zullen ontdekken, waarom de goede pater nooit lid van 'n gemeenteraad geworden is. In zulke kollegien heeft men leden van eigenaardige bravigheid noodig. *) Och, Jansen was zoo braaf niet! Hy preekte niet, en sprak niet over zedelykhedens. Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben. [24] Hy was goed in den uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was. [25] Toch, of juist daarom misschien, wekte z'n voorkomen, z'n manier van spreken en vooral, waar 't noodig was, z'n handelwys, in zeer hooge maat tot deugd op. Maar ook dit was hemzelf geheel onbewust, 'n onkunde die hem bewaarde voor de nederigheid waarop hy in dat geval zich misschien zou hebben toegelegd, en die z'n overigens zoo volkomen ongekunsteld karakter zou ontsierd hebben.

Hy verhaalde nog een-en-ander van z'n dorp, en Wouter die behoefte voelde aan afleiding, luisterde met meer belangstelling dan de zaakjes die pater Jansen meedeelde, waard waren. Het was de gemoedelyke, zachte, onhartstochtelyke toon die hem goeddeed, en telkens betrapte hy zich op de verzuchting: och, was ik maar te Vucht by dien smid! De herberg en 't dansen hoefden er niet eens by om naar zoo'n heerlyk land te verlangen.

- Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt in z'n hemdsmouwen. [26]

Wouter voelde neiging z'n pronkjas uittetrekken, en aan 't smeden te gaan. Wat zoo'n smid toch 'n gelukkig mensch is, en hy...

- Och, m'nheer, ik zit zoo verlegen! Ik durf waarlyk niet thuis komen met dit vervloekte ding aan m'n lyf.

- O, we moeten niet vloeken. Zoo'n jas heeft er geen weet van of-i mooi of leelyk is, moet je denken. Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens. [27] Heb je misschien kennis aan 'n horlogemaker?

- Neen, stamelde Wouter.

- Misschien weet Vrouw Claus wel waar we wezen moeten, zei de pater, terwyl-i 'n ouwerwetsch zilveren horloge uithaalde. Maar 't is niet best van loop... als we maar wisten wie 't koopen wou! Waarom huilje?

Inderdaad, de tranen liepen Wouter over de wangen.

- O neen, neen, dt niet, m'nheer, dat kan niet!

- Ik zal er weinig weet van hebben, want dikwyls staat-i stil. 't Is heel lastig, 'n horloge dat niet goed gaat, maar 't is van m'n vader, en daarom... och, ik hecht er niemendal aan, want ik heb genoeg andere dingen van hem, die ik bewaar als goud, dat begryp je wel! Als je-n-'ns by me komt, zal je 't zien. 't Briefje van z'n eerste kommunie hangt boven den schoorsteen. Hy was ook 'n smid, en nog veel sterker dan m'n broer... zooals ze zeggen, want gekend heb ik den man niet, omdat ik pas 'n jaar oud was toen-i stierf. Als we nu maar iemand wisten die 't koopen wou!

De goede man woog 't horloge op de hand.

- Dat zal niet gebeuren, pater, riep Vrouw Claus, die weer binnentredend, de laatste woorden verstaan, en terstond begrepen had wat er mee bedoeld werd. Dt zal niet gebeuren, en 't is niet noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien. [28] Hoor eens, jongeheer, kyk me-n-eens goed aan... ja, pater, 't moet er nu maar uit, ze zegt het zelf, en dat gedraai en gemaal verveelt me danig. Zeg, jongen, kan je zwygen?

- Ja, zei Wouter, en hy sprak de waarheid.

- Nu dan, Fem is niet hier, en 't meiske dat je zeker gezien hebt op den weg... ja, aan je oogen zie ik dat je 'r gezien hebt...

't Is waar dat Wouter 'n eigenaardig gezicht zette by 't ontwaren van wat kans op opheldering over de vreemde vertooning van dien ochtend.

...ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, 'n juffer die - hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik 't niet! - dat is 'n juffer die van staat veranderen wil.

- Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel! [29]

- H? Hoe kon jy dat weten, jongen? Wat weetje? Niks!

- Prinses Erika! Heeft ze niet naar me gevraagd? O, zeg, of ze niet naar me gevraagd heeft?

- 't Is 'n juffer die van staat verandert, zeg ik je, en die by my 't wasschen leeren wil. Maar ze wil 't niet weten voor de menschen en voor 'r familie, en daarom laat ze je verzoeken, nooit 'n woord over haar te spreken. Ze zei me dat je woord houden zou als je 't beloofde. Je schynt iets met 'r gehad te hebben...

- Ja, o ja, riep Wouter.

- Men moet altyd z'n woord houden, zei pater Jansen.

- Dus je belooft het? vroeg Vrouw Claus.

- Ja, by God! riep Wouter.

- Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als 'n eed opnam wat in Wouters mond slechts 'n romanfraze was, al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig ja gezegd had. Hy 'n dame verraden, en hr nogal! [30]

- Nu, goed dan, vervolgde Vrouw Claus, ik heb haar verteld wat je op die buitenplaats en te Haarlem hebt uitgevoerd, en ze zegt dat er geen kwaad by is, als je nu maar precies doet wat ik je zeggen zal.

- O, alles, alles!

- Kyk, hier is geld voor je kleertjes - steek je horloge gerust weer in je zak, pater - maar ze zegt dat het eerst gewisseld moet worden. Gut, pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet! [31]

- Je moet het vooral niet verdoen, jongeheer. Ik ken die munt wel. We hebben er eens precies zoo een in 't zakje gehad... verleden, weetje, toen er zooveel vreemde heeren in de stad waren.

't Waren gouden friedrichs, en wel vyf in getal. Vrouw Claus zei dat het meisje meer had willen geven, maar dat ze haar hiervan had teruggehouden uit vrees voor 't verdoen. Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt. [32] Er ging hem 'n lichtjen op, waarvan-i gebruik maakte om 'n schrede voorwaarts te doen op 't gebied van munt- en menschenkennis. Maar tyd om zich te verdiepen in de aandoeningen van dien vreeselyken en toch zoo heerlyken nacht, had-i niet. Ze noemde my broeder... begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk. [33]

- Haar broer was van-ochtend hier, pater, voor dag en dauw al. Hy kwam om afscheid van haar te nemen, want hy wil de wereld in. Een jongen om te stelen, als melk en bloed...

Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder belang inboezemden. [34]

- Ja, gut, jy zag er vroeger ook lief uit, maar nu niet meer, als ik je nu eens de gulle waarheid zeggen zal. 't Was misschien voor jou ook wel 'reis goed als je 't zeegat uitging - want, pater, hy wil naar zee... haar broer, meen ik - je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei 't ook. [35] Maar nu dat geld, weetje waar 't gewisseld worden kan? En zal je 't niet verdoen?

- Neen, juffrouw, zeker niet! Maar...

- 't Is waar ook, je durft met die malle plunje de stad niet in. Dat zal toch moeten! En heel naar Haarlem dan, hoe zou je dt maken?

- Als ik van dienst wezen kan, zei pater Jansen.

- Wel, pater, als je met den jongen meeging?

- Dat wil ik wel doen, antwoordde de goede man, als we maar weten waar we wezen moeten. 

Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in n ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor den dag. [36] Pater Jansen verzekerde dat de zaak nu heel makkelyk kon geschikt worden, en er werd afgesproken dat Wouter hem naar z'n woning vergezellen zou om daar te wachten tot het geld gewisseld was. Dan zouden ze tezamen naar Haarlem gaan.

- Ja, maar dan je moeder nog, en die heeren van de buitenplaats? Ze heeft gezegd... wacht even, pater. Ik denk dat ze nu wel klaar wezen zal, want ze wou 'n brief schryven.

Inderdaad, de juffer die van staat veranderen wou, was aan 't schryven geweest. Althans Vrouw Claus die zich 'n oogenblik naar 't achterkamertje verwyderd had, kwam met 'n briefjen in de hand terug.

- Ze zegt dat je dit bezorgen moet als je van Haarlem terugkomt, maar eerst moet je by Neef Holsma gaan, en hem alles precies vertellen. En nu, gaat heen, allebei. Ik heb 'n drukte, je leven zoo niet! En dat vreemde kind... lief en goed is ze, dat moet ik zeggen. Maar, zieje, ze heeft nooit 'n hand uitgestoken. 't Is onze Fem niet, moet je denken. Dus, mannetje, je gaat met pater naar Haarlem, en dn dat briefje... neen, eerst by Neef Holsma, en daar vertel je alles, en nu, goeien dag! Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid. [37]

De beide bezoekers verlieten 't huisje. Wouter bezag met begrypelyke nieuwsgierigheid het adres. Het was de naam van 'n zeer bekende koopmansfirma, van 'n huis op Archangel zouden z'n postkantoorvrindjes gezegd hebben, en de pater scheen dit best te begrypen: want, zeid-i, voor ze van staat veranderde, is ze veel in Rusland geweest. Hy noodigde Wouter vriendelyk uit, aan z'n rechterzy te gaan, en begon ter opheldering van dit verzoek zeker voorval uit z'n jeugd meetedeelen, waarmee hy evenwel op verre na niet gereed was toen ze zyn woning bereikt hadden. Hier nam 't gesprek 'n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor. [38]

*) Het afschaffen van de kermis is 'n onzedelyke domheid. [39]


[1] Femke liep daar in den zeer vroegen morgen, naar Wouters meening, met 'n matroos!

Ik vermoed dat deze opmerking nogal letterkundig is, maar goed: De oplettende lezer begrijpt dat het niet Femke was, en ook geen echte matroos.
 


[2] Maar jalouzie is de minst kleinzeerige van alle kwalen: ze houdt van pyn.

Dit is fraai gezegd, hoewel misschien niet geheel waar. Het lijkt me wl waar dat echte liefde gepaard gaat met echte jaloezie, en dat dit n van de opzichten is waarin liefde en vriendschap verschillen. En daar is ook een rationele grond voor: Mensen investeren vl meer van zichzelf - zowel hun gevoelens, als hun belangen, en tijd, moeite en mogelijkheden - in personen op wie ze verliefd zijn dan in personen voor wie ze alleen vriendschap voelen. (Ik heb het hier over echte liefde, niet over sexuele gegrepenheid.)
 


[3] Wouter spande zich in om iets van hun gesprek te verstaan, maar 't lukte niet.

De enigermate intelligente en doordenkende lezer(es) begrijpt dat dit niet alleen komt door de afstand, maar ook omdat het gesprek in het Duits gevoerd werd.
 


[4] de Aschpoort

Is dit een opzettelijke fout van M, of niet? Hij heeft reeds lang geleden - zie 363 - uitgelegd dat dit de Raampoort of Zaagpoort betrof, maar misschien was "Aschpoort" daar een gebruikelijke naam voor.
 


[5] liep deze woedend heen, en wou... en zou... ja, wat?

Multatuli hield geheel niet van zouwers: Zie 3.
 


[6] Gelukkig dat zich hierop Vrouw Claus vertoonde, die hem wat burgerlyker toesprak.

Zie 1167.
 


[7] - Zoo, jongeheer, ben jy daar? Heel goed! Waarom bleef je zoo lang weg? Onze Fem heeft wel honderdmaal naar je gevraagd. Ga zitten... ik kleed me, zooals je ziet, en kom terstond weer by je.

Het is wellicht de moeite waard om op te merken, in het kader van de parallelen en analogien in de WP, dat niet alleen Wouter maar hier ook vrouw Claus niet goed gekleed gaan.
 


[8] Ze trad haar kamer weer in, en Wouter hoorde haar zeggen: dat is nou 't jongetje van 't paard, weetje? Hierop volgde iets als teruggehouden lachen, en daarop 'n doodelyke stilte.

Zie 1167 met de pomp-historie. Prinses Erika, kennelijk de aangesproken en lachende persoon, kan hier overwegen dat Wouter daar en toen naakt was. De prinses lijkt overigens zeer taalbegaafd, al lijken Duits en Nederlands meer op elkaar dan Nederlanders graag willen weten.
 


[9] Weetje wat jy doet? Eet 'n boteram, jongen, en hier is koffi. En zeg me nu eens gauw hoe 't met je moeder gaat? Die is immers ziek geweest? Ja, 'n mensch kan gauw wat krygen... neem er wat kaas op.

Dit zijn weer typische Vrouw Claus-interesses, zoals we die eerder meegemaakt hebben: voeden, reinigen, gezondheid. En ze verwart hier Wouter en juffrouw Pieterse, of doet alsof.
 


[10] - En jy? Heb Je geen pyn meer? Van je val, meen ik. Och... neen, neen, neen, ik weet al! Je hebt immers nooit op 'n paard gezeten. Hoe kan ik ook zoo mal vragen, maar je moet altyd denken, 'n mensch z'n hoofd loopt wel 'reis om.

Zie 1247. En W.'s hoofd was wat omgelopen in Groenenhuizen. De vermeende val, en waarom vrouw Claus dat meende, staat in 1165-1.
 


[11] Wouter stotterde. Vrouw Claus greep hem by den arm, trok hem van z'n stoel, en draaide hem in de rondte, om hem op haar gemak van alle kanten te bekyken.

Zoals ze ook deed toen ze 'm onder de pomp zette, in 1167.
 


[12] Je broekie is netjes, dat moet ik zeggen, en je boordjes zitten redelyk, maar die jas!

Het is een nogal kleine kwestie die samenhangt met wat M. graag "de logika der feiten" noemt, maar ik vind de bewering over die "boordjes" nauwelijks te geloven - na Wouter's nacht van wild slapen en lang lopen.
 


[13] - Heeremensch, wat 'n hoed! Ik geloof dat je mal bent, jongen! En, nu ik je wel bezie, je gezicht staat ook niet best!

Dit is ook zowel Multatuli's als Wouter's diagnose, en n van de themaas die telkens terugkomt in de WP, die immers vooral gaat over burgerlijke bekrompenheid en het kwaad dat dit aanricht in de opvoeding van kinderen, is dat Wouter bleek is ("stadskleurig"), verpieterd (vandaar "Pieterse"?), en geheel niet behandeld wordt naar z'n gaven en mogelijkheden, althans door z'n eigen familie en werkgevers.
 


[14] - Weet je moeder niet wat je-n-aan je lyf draagt, jongen? Waar is ze dan moeder voor?

Een terechte vraag. Zie 405-412, en juffrouw Pieterse's gebrek aan echte interesse in Wouter, door Multatuli o.a. uitgesproken in 1185.
 


[15] - Zeg jy maar Vrouw Claus. Ik ben geen juffrouw, en wil 't niet wezen.

Dit is weer Vrouw Claus' standsgevoel. Zie ook 1167.
 


[16] Wat deed je dr? En moet je 'r daarom zoo verpieterd uitzien?

Ik vroeg het al onder [13]: Heet Wouter, met z'n bleek stadskleurig gezichtje en z'n bekrompen opvoeding en werkkring drom "Pieterse"?
 


[17] - Nu ja, Fem is wel hier, maar... toch, neen, ze is hier eigenlyk niet.

Dit is bijkans een goddelijk mirakel, en we zijn dan ook in een soort sprookje.
 


[18] Maar z'n wereldwysheid was aan 't groeien, en wel als naar gewoonte den verkeerden kant uit.

Dit is een aardig gezegde, en is de gewone gang van groeien. Zie bijvoorbeeld 73 en 74, en 136 en 276.
 


[19] Vertel me nu eens alles precies, net of ik je moeder was.  

Zie onder [14]: Hier is sprake van enige ironie.
 


[20] Want ze wil alles weten...
      - Femke? vroeg Wouter.
      - Ja, neen, nu ja... Femken ook, dat kan je denken. Heeremens, wat verveelt me dat liegen... ah!

Domela Nieuwenhuis schrijft terecht over Multatuli in z'n Multatuli als ketter bij uitnemendheid:

Indeelen bij een partij kan men hem niet. Hij was een zoogenaamd "wilde" in den rechten zin des woords. Hij was te groot om partijman te kunnen zijn, hij behoort tot de soort van "Uebermenschen", van wie Nietzsche spreekt. Als men hem den gewonen maatstaf aanlegt dan is men onbillijk tegenover hem en zoo dikwijls als men hem vergeeft wat men in anderen afkeurt, is men geneigd te zeggen: maar dit geldt niet van menschen als Multatuli. In zijn ziel was hij een aristokraat naar den geest.

Er valt inderdaad iets te zeggen voor dat begrip "Uebermensch" (of Heeremens - of misschien niet, maar het brengt me op het thema) i.v.m. Multatuli en de zeldzame andere mensen die "verkeerd geboren" zijn (zie [22]), en in feite behandelt de meeste goede karakters in de Woutertje Pieterse, dus de families Holsma en Claus, alsof ze van n familie van voortreffelijke mensen zijn, met meer moed, onafhankelijkheidszin, en geest dan de doorsnee, die wellicht door die gebreken overwegend verontschuldigd worden. (We mogen 't hopen!)
 


[21] Deze uitroep gold pater Jansen, die z'n goedig gezicht aan de deur vertoonde. Wouter zag hem met groot genoegen. Er was in dat bejaard kind iets vredigs, iets verzoenends, dat weldadig werken moest op 'n ontstemd gemoed.

Zie 1167. Multatuli had meer sympathie voor het katholicisme dan voor het protestantisme, omdat hij geloofde dat, terwijl allebei intellectueel gelijk ongerijmd waren, het katholieke geloof minder bekrompen, minder benauwd, minder muf, en minder hypocriet was, en de mensen meer levensvreugde liet.
 


[22] 't Is waar ook, waarm toch voelde hy zich zoo ontevreden, zoo alleen, zoo weinig thuis in 't wereldje dat hem omgaf?

Dit is natuurlijk des pubers, omdat een puber zich gedeeltelijk los tracht te maken van z'n familie, en een maatschappelijke positie tracht te vinden, maar is niet wat M. kennelijk bedoelt. En waar M. op doelt is Wouter's bijzonderheid, die nogal wat weg heeft van M.'s bijzonderheid. Deze lichtte hij zelf als volgt toe in de "Japansche Gesprekken", waarin M. doet alsof hij op bezoek is geweest bij een Japanse delegatie naar Nederland en daarvan verslag doet:

"Ziehier. Ik ben by de Japanners geweest, en heb met hen ontbeten. (..)

'k Gaf 'n kaartje: MULTATULI, genie.

De sekretaris schreef wat op. Ik gluurde in z'n boekjen, en bemerkte dat ik 'n plaatsje kreeg in de rubriek: industrieele zeldzaamheden, juist onder 't stuk geschut dat ze hadden zien smelten en vermengen met brons te Delft.

- Genie... wat is dat voor 'n beroep?

Ik hemde, kuchte, snoot en snoof, en zei heel onnoozel:

- Dat weet ik niet, o Kami!
- Kan je uurwerken maken?
- Nee, Kami.
- Of parapluien?
- Nee, Kami!
- Of horlogien met ontuchtighedenS?
- Ach neen! Kami!
-
Versta je je op de keizersnee?
- Ook niet, Kami....

Maar toch ging me 'n licht op door deze vraag, en vr nog 't dienstmeisje binnentrad, dat de Kami had laten roepen om de bekwaamheid te beproeven die hy in my veronderstelde, riep ik met al de verwaandheid van iemand die meent wat ontdekt te hebben:

- Dt is 't, Kami, ik ben verkeerd geboren!

Weer schreef de sekretaris wat op. Rubriek: natuurlyke zeldzaamheden. Ik kwam te staan onder MALCOLM uit Macbeth.

- Verkeerd geboren, goed! Maar wat kan je doen?
- Ik kan nu-en-dan de waarheid zeggen, o Kami!

Het hele gezelschap schrikte (..)

- En hoeveel inkomen geeft je dat? vroeg de Kami belangstellend.
- 't Geeft me niets, o minzame Kami!

Weer schreef de sekretaris in zyn boekje: "De waarheid is in Nederland zoo goedkoop, dat ze niet betaald wordt." "

Kortom, lezer, we moeten aannemen, dunkt me, dat ook Wouter "verkeerd geboren" is, waarover we in feite al gehoord hebben, sprookjesachtig vormgegeven door Wouter's kinderlijke gemoed, in 405 - 412.

Voor meer over 't begrip "genie", dat onder Nederlanders sinds Multatuli geheel onbekend is geweest, en sterk wordt afgekeurd behalve waar het voetballers betreft ("doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg, is immers de relevante echt-Neerlandse moraal: Genie dat niet begrijpelijk is voor de heffe des volks maakt een mens zr onbemind in Neerland) zie 77.
 


[23] De zedepreeken van pater Jansen waren ligt te verteeren, gelyk men ziet. Of liever, 't waren geen preeken, en misschien zelfs was z'n taal onzedelyk. Want de man sprak van dansen, pret en kermishouden zonder afschuw,

Zie [21]. M. vond dat als er dan een God moest zijn, een katholieke en vooral n van de soort voorgestaan door Pater Jansen, verre te prefereren was boven de bekrompen, stijve, benauwde, muffe, levensvreugde-bedervende P.G. godheid. Zie ook de zeeziekte-geschiedenis.
 


[24] Ternauwernood roerde hy zulke dingen aan, als 't zyn beurt was alleen te praten in de kerk, wat hem moeielyk genoeg viel, omdat hy er volstrekt geen slag van had zich aantestellen alsof-i beter was en meer wist dan 'n ander. Voor schryver zou hy in 't geheel niet gedeugd hebben.

M. meende zelf "verwaandheid" nodig te hebben om te schrijven voor publiek, een mening die wellicht samenhing met zijn aanleg voor manische depressiviteit.
 


[25] Hy was goed in den uitgestrektsten zin van 't woord, tenzy men het toekennen van deze hoedanigheid beperke tot de personen die in zichzelf iets kwaads te bestryden hadden en overwinnaars bleven in dien stryd. Dit kon nu eenmaal met pater Jansen 't geval niet wezen omdat hy niet wist wat kwaad was.

In zekere zin is dit als God, waarvoor het kwaad ook uitsluitend negatief is, althans volgens de katholieken. Zie 1167.
 


[26] - Je moet 'm zien staan in z'n travalje, zei de pastoor. Klik, klak, bim, boem, de vonken vliegen rechts en links! En z'n mouwen opgestroopt tot den schouder toe, want je begrypt, zoo'n smid werkt in z'n hemdsmouwen.

Ik neem aan dat "travalje" Brabants is, en dat het bedekt verwijst, zoals vrouw Claus eerder deed, naar W.'s toestand en die van zijn kleren.
 


[27] Ja, de man zal zeker veel geld willen hebben, want van z'n winst moet-i leven, zieje, en zulke menschen hebben altyd groote huishoudens.

We hebben eerder gezien dat Pater Jansen altijd vergoelijkt, en voor een man van God lijkt me dat niet onredelijk.  
 


[28] Dt zal niet gebeuren, en 't is niet noodig ook, ging ze voort, 'n papiertje waarin geld gewikkeld scheen, omhoog houdende. Ik heb hier andere hulp, maar al was dat zoo niet, dan zou ikzelf nog wel raad weten voor 'n dukaton of tien.

Hier hebben we een typische deus ex machina, die er in het echte leven niet is.
 


[29] ...ja, ja, ik begryp heel goed dat je 'r naar gekeken hebt! Nu, dat was onze Fem niet, jongen! Dat is, om 't nu maar zoo eens uittedrukken, 'n juffer die - hoe zal ik zeggen, pater? Want de pater weet er van, dat begryp je wel, anders deed ik 't niet! - dat is 'n juffer die van staat veranderen wil.
- Prinses Erika, riep Wouter, prinses Erika die komt ruilen! O God, o God, ik wist het wel!

Zie 1134, en merk op dat Wouter ondertussen - 1186 - geleerd heeft dat prinses Erika heel sterk lijkt op Femke.
 


[30] - Je hoeft er niet op te zweren, mannetje, vermaande de pater, die als 'n eed opnam wat in Wouters mond slechts 'n romanfraze was, al meende hy 't dan even goed alsof-i eenvoudig ja gezegd had. Hy 'n dame verraden, en hr nogal!

Wat de laatste zin betreft: De scherpzinnige lezer(es) heeft ongetwijfeld door dat Wouter Femke  al drie keer "verraden" had, en gewoon naar Wouter's eigen begrippen.
 


[31] Gut, pater, als de jongen 't nu maar niet weer verdoet!

In het kader van niet-geheel evidente parallelen: Vrouw Claus schat hier Wouter in zoals Stijntje later pater Jansen inschat. En in feite verdoen pater Jansen en Wouter het geld inderdaad aan het eind van Ideen VII, zoals de lezer kan uitvinden in 1282.
 


[32] Die glinsterende stukken herinnerden Wouter aan de gemakkelykheid waarmee de schipper met den bonten muts zich gezag had weten te verschaffen in die kroeg op de Botermarkt.

Zie 1152.
 


[33] Ze noemde my broeder... begon hy te mymeren toen Vrouw Claus z'n gedachten afbrak, al had het er dan wel iets van alsof zy ze voortzette, want ook zy sprak van 'n broeder, schoon men erkennen moest dat het woord in haar mond wat minder voornaam en boekerig klonk.

Zie 1159 en 1160-2, en voor prins Erik - Erika's "Bruder" - 1165-1.
 


[34] - Haar broer was van-ochtend hier, pater, voor dag en dauw al. Hy kwam om afscheid van haar te nemen, want hy wil de wereld in. Een jongen om te stelen, als melk en bloed...
Op-eens zag ze Wouter nadenkend aan, alsof z'n trekken haar byzonder belang inboezemden.

Wouter en prins Erik lijken immers op elkaar, net als Femke, Sietske en prinses Erika. Zie 1176.
 


[35] - je ziet erg bleek, jongen, wat zeg jy, pater? Zoo'n kind versagrineert en verpietert zoo in stad. Neef Holsma zei 't ook.

Dit is een centraal Wouter-thema sinds het begin, en zoals ik eerder opmerkte wellicht de reden waarom Wouter "Pieterse" als achternaam kreeg van Multatuli.
 


[36] Wouter voelde zich groots dat-i eens eindelyk in n ding zich diligent toonen kon, en haalde met zekeren triumf weer 't adreskaartje voor den dag.

Zoals Multatuli zelf gedaan zou hebben, want hij had geheel geen lokaal-memorie.
 


[37] Pater, pas op 't verdoen, want de jongen steekt vol rarigheid.

Het was immers een bijzonder kind, dat met recht beschouwd mag worden als "verkeerd geboren": zie onder [22].
 


[38] Hier nam 't gesprek 'n andere wending, zoodat ik alweer niet in de gelegenheid ben, den lezer te doen weten waarom pater Jansen zoo doof was aan z'n linkeroor.

We zullen het nooit weten, maar wellicht om de vele valse gebeden waaraan een man als hij wordt blootgesteld niet te hoeven horen?
 


[39] Het afschaffen van de kermis is 'n onzedelyke domheid.

Ja, want het hield het domme volk af van opstootjes en rellen, doordat ze iets kregen om zich op uit te leven. (Tegenwoordig is er de kermis die TV heet, zodat de reden voor het gemeentelijk toelaten van botsbanen en schiettenten minder telt.)

Idee 1253.