Idee 1252.                                                


*) [1] Die verdoemde Flegeljahre! Jean Paul heeft daarvan 't ergste niet gezegd, het voornaamste niet, het ware niet! Evenals velen meende hy dat ze kort van duur zyn, en dat we maar met 'n voorbygaand kwaaltjen in de geschiedenis van 't individueel mensch-worden te-doen hebben. Met iets als mazelen alzoo, of baard in de keel. By verreweg de meesten is 't zoo niet, by de Maatschappy over 't geheel genomen is 't zoo niet! Mocht de verklaring die ik in zekere noot op den ‘Brief aan Mevr. X’ (II, vyfde druk, blz. 11) van dit treurig verschynsel gegeven heb [8], niet voldoende geacht worden, men kan haar aanvullen met het besef dat er onder onze letterluî zooveel preekers zyn die verlegen zitten om 'n klinkenden tekst. Ontbrekend talent, mangel aan kennis, smaak, ondervinding, studie en styl - alles saamgenomen dus: aan hart - dringt niet die schandelyke onvruchtbaarheid van sommige gemoederen tot spekulatie op schandaal? Wel is 't treurig dat dááraan 't edelste wordt opgeofferd, maar... Publiek laat zich onthalen op zulke versnaperingen. Is 't niet of het droit de boîte de wereld uit is [9], en of nog altyd de meesten tusschen mal en vroed het voedsel voor verstand en hart opvangen uit de ongewasschen monden van 'n troep straatjongens? Men vergunne den volwassen man zwygend voorby te gaan, en hem niet ten-kwade te duiden dat-i zich gesterkt voelt in z'n hoogmoed.

Aan de zeer weinigen die openlyk protesteerden tegen de vuile manier waarop sedert eenigen tyd de afgunst van lettermannen zich openbaart, m'n hartelyke dank. [10] Over 't geheel echter hebben m'n landgenooten zich in bedoelde zaakjes weer zóó gedragen, dat ik niet anders kan dan uit den grond van m'n hart te volharden in de verachting die ik 't Publiek toedraag. [11] 't Is dan ook alleen aan armoede te wyten, dat men nog een regel schrift van my te zien krygt. Waarom men myn geschryf koopt, begryp ik waarachtig niet. Sedert 'n paar jaren nu heb ik me byna uitsluitend beziggehouden met het korrigeeren van herdrukken, en m'n aandoening was één doorgaande verbazing dat m'n uitgever kans ziet m'n werken te plaatsen by 'n Publiek waarvan ik de eer heb zoo hemelsbreed te verschillen in levensopvatting en plichtbesef, in eergevoel en zedelykheid, in oordeel en in smaak. Ik sta naar m'n vermogen 't goede voor, en m'n arbeid moest dus 't drukloon niet waard zyn in 'n land dat tegen Havelaar party trok en trekt voor 'n troep schelmen. Toch wordt nog altyd m'n werk gekocht, naar me blykt. [12] Van velerlei zyden zelfs dringt men op 't voortzetten daarvan aan, en daar ik nu slechts de keus heb tusschen sterven en sprookjes-vertellen, sprookjes die toch niet begrepen worden... welaan, ik zal voortgaan. En tevens zal ik nu-en-dan me trachten te onthouden van 't uiten myner persoonlyke indrukken, geenszins omdat ik dit aan m'n lezers zou verplicht zyn, of liever aan verreweg 't grootste deel daarvan - de Natie heeft verplichting aan my, en voldoet er niet aan! - maar och, waartoe dient het? [13] En daar men toch niet lezen kan, en voortdurend als klacht zou opnemen wat aanklacht is...

Bovendien, sedert jaren heb ik my alle bedenkbare moeite gegeven m'n verhouding tot ons volk duidelyk te maken, en gedurig blykt me dat het den eersten den gemeensten kwajongen ongestraft blyft vrystaan my te behandelen alsof ik een van z'n straatkornuiten was. Ongestraft, of byna. Nogeens m'n dank aan de weinigen die protesteerden, en den moed hadden zich bloottestellen aan den drek van den edelen Schmoel. [14] Hun daad is te loffelyker naarmate zy meer alleen stonden, en me dunkt dat zy 'n gelyk oordeel als 't myne moeten vellen over 'n Publiek dat de Schmoels niet aan de deur zet. [15]

Ik herhaal uitdrukkelyk dat ik de Woutergeschiedenis - of wat er dan verder volgen mag - alleen voortzet uit armoed. Straks is de maand om, en ik mocht eens op-straat gezet worden als ik niet door wat spoedig dit vel op de post te brengen, nog even by-tyds zorgde voor huishuur. [16] Dit ter verantwoording tegenover de weinigen die me vragen of ik me niet schaam in voortdurende aanraking te blyven met 'n Publiek dat waarachtig beter deed by 'n heel ànder soort van voorgangers zich van zielevoedsel te voorzien! Wel zeker, ik schaam me, maar... die huishuur! Bovendien, ik zal my geweld aandoen en me trachten optedringen dat ik slechts de weinigen onder m'n gehoor heb, die by wat meer ontwikkeling van verstand en hart, blyk gaven de kunst van lezen te verstaan. Wanneer die kunst wat algemeener was, zouden de heeren Schmoel & Co. groote moeite hebben 'n uitgever te vinden, en dan had ik geen uitgever noodig. Sedert lang zou men dan de infamie begrepen hebben van 't vonnis dat Chresos veroordeelt ‘tot de kosten van 't proces, en de luit.’ [17]

*) (Noot van M.D.D.-S.) [1]
                      "Tusschen een en nogmaals een
                       Komt en klieft de bliksem heen."
Ziedaar mijn indruk toen ik dit nummer zo geleidelyk op het voorgaande zag volgen. Tusschen het schryven liggen twee volle jaren!

Op een namiddag in September '74 zat Multatuli aan zyn schryftafeltje in onze kleine woning in de Schwalbacherstrasse te Wiesbaden, toen geheel onverwachts het bericht kwam van 't overlyden zyner eerste vrouw, van Havelaars Tine. [2] Zy was slechts zeer kort ongesteld geweest, en haar omgeving vermoedde geen gevaar. "Moeder is dood, zend geld." zoo luidde het telegram, en met bijna bovenmenselyke kracht zette hy zich dienzelfden dag nog weder aan zyn schryftafel - want er was zo dringend geld noodig! - en liet Wouter als uiting van zyn gewond gemoed Hersilia's parasol aan flarden scheuren. [3] Ook den volgenden dag schreef hy voort, maar voor 1252 legde hy zyn pen neer, moe van 't vergeefs uitzien van  berichten van de zynen uit Italië.

Het vervolg van deze bundel dateert van 22 Sept. 76. Tusschen deze daten ligt de opvoering van Vorstenschool, het legaliseeren zyner verhouding tot my, en ... de verschyning van het beroemdste werk van den heer van Vloten. [4]

In een brief aan zyn uitgever, de heer Funke, van midden Sept. 76 schreef Multatuli:

"Wat onze behoeften betreft moet ik u om geld vragen, maar ik durf niet voor ik u eerst wat kopie gezonden heb. [5] De oorzaken van de stagnatie in Wouter moet ge zoeken by de van Vlotens, en by de wys waarop de pogingen van dezulken by 't publiek worden opgenomen, ze hebben myn indrukken bedorven. [6]"

Ziedaar nog meer roem voor den schryver van het kostelyke "Onkruid." In dienzelfden brief maar naar een andere aanleiding zeide hy:

"Schryven voor de pers is een onzedelyk beroep." (en dit onzedelyk onderhaalde hy met drie hartstochtelyke streepen. Ook de laatste van beroep loopt uit in een lange trillenden slier. Ieder die hem kende en dit handschrift ziet, weet hoe 't hem by 't neerzetten dezer woorden te moede was. Alzoo:) "Schryven is een onzedelyk beroep. Ik blyf by m'n idee 62. 't Kan alleen geschieden door faiseurs. Wie ziel in z'n arbeid legt, kan niet altyd doorwerken. En wie niet altyd doorwerkt lydt (in Holland) gebrek. [7]"

Het tweede deel van dezen bundel werd nu vry snel na alkaer afgewerkt.


[1] (Noot van M.D.D.-S.)

Deze noot is van Mimi Douwes Dekker - Hamminck Schepel, en dateert uit de eerste jaren van de 20ste eeuw, toen ze de "Verzamelde Werken van Multatuli" voor uitgever Elsevier redigeerde. Ik citeer uit de Garmond-editie die ik gebruik, waarvan ik voor het betreffende deel twee copieën heb, één zonder jaartal en één "derde druk" uit 1906. De twee copieën lijken sterk op elkaar, maar zijn niet van exact hetzelfde zetsel. De noot staat bijna exact in het midden van bundel VII.

Overigens heb ik mijn noten bij dit idee genummerd vanaf deze noot van Mimi.


[2] Op een namiddag in September '74 zat Multatuli aan zyn schryftafeltje in onze kleine woning in de Schwalbacherstrasse te Wiesbaden, toen geheel onverwachts het bericht kwam van 't overlyden zyner eerste vrouw, van Havelaars Tine.

De geïnteresseerde lezer kan e.e.a. tegenwoordig nalezen in de VW XVI, waarin alle of bijna alle  overleverde brieven van Multatuli uit die tijd te vinden zijn, en kan overigens achtergrond-informatie opdoen in de biografieën van Multatuli van Hermans en van Van der Meulen.

Wat de lezer hier bijvoorbeeld nièt te horen krijgt van Mimi, en wat wèl veel schandaal opleverde, is dat Multatuli, Tine en Mimi een ménage à trois voerden in Den Haag in 1869-70, met de twee kinderen van Multatuli en Tine, in die tijd puberend, en een inwonende dienstmeid. In het voorjaar van 1870 vluchtte Tine met de kinderen terug naar Italië, waar ze daarvoor een aantal jaren met hulp van een vriendin en wat financiële hulp via Potgieter had weten te overleven door het geven van bijlessen, en waar de kinderen gratis onderwijs konden krijgen, anders dan in Nederland. De geïnteresseerde lezer kan hier meer over leren in de genoemde biografieën en in de V.W. Het is trouwens wel jammer dat er niet veel brieven van Tine overgeleverd zijn.


[3] en liet Wouter als uiting van zyn gewond gemoed Hersilia's parasol aan flarden scheuren.

Gezien de feiten die nu bekend zijn via de V.W. moet dit betwijfeld worden: Funke had de betreffende kopy eerder, maar ik geloof niet dat Mimi hier opzettelijk liegt, want ze schreef haar noot zo'n dertig jaar na het gebeurde.

Het is echter wel zo dat Mimi, die Multatuli bijna 50 jaar overleefde, nogal zwijgzaam is geweest over M. na zijn dood, kennelijk omdat hij heel lang omstreden bleef, en ook omdat Mimi geen goede verhouding had met de kinderen van Multatuli, die vooral haar verantwoordelijk hielden voor de feitelijke scheiding van Tine en Multatuli, die ook voor Multatuli's kinderen zeer onprettig was.

En het is, welbeschouwd, ook jammer dat Mimi zo bijzonder zuinig was met haar noten en aanmerkingen bij haar verzorging van de Ideen, omdat ze ongetwijfeld bij een flink deel ervan interessante mededelingen had kunnen doen over - in ieder geval - Multatuli's omstandigheden toen hij ze schreef, en ongetwijfeld ook over sommige van zijn bedoelingen. Het is echter waar dat Multatuli's Ideën niet de juiste plaats waren voor veel aantekeningen van Mimi, maar jammer dat ze dat niet op een andere plaats deed, kennelijk omdat ze geen zin had in controverses, waarvan er ook in de 20ste eeuw nog heel wat gespeeld hebben rondom Multatuli.

In dit verband, en meer in het algemeen: De receptie en de status van Multatuli in Nederland zijn  tamelijk vreemd, hoewel nogal typisch Hollands oneerlijk, halfhartig en flauw.

In algemene termen geldt dat Multatuli in Nederland door de meeste Nederlanders en letterkundigen wel gelauwerd, gehuldigd en geprezen is als mooischrijver, en dat dan weer vooral i.v.m. de Max Havelaar en, soms, Woutertje Pieterse, maar slechts door weinigen is gelezen en begrepen als maatschappelijk hervormer, als radikaal filosoof, als man van ideeën en waarheid, als humanist, als voorstander van wetenschap, als tegenstander van religie en bijgeloof, en als verlicht denker over tal van menselijke, maatschappelijke en filosofische vragen.

Er zijn een paar uitzonderingen, waar ikzelf toe behoor, en W.F. Hermans tot zekere hoogte, en waar overigens F. Domela Nieuwenhuis een goed voorbeeld van is, om welke reden ik zijn uit 1908 daterende stuk Multatuli als ketter bij uitnemendheid opgenomen heb in het Multatuli-deel van mijn site.

Ik verwijs dus hier naar dat stuk, dat een goede inleiding is tot Multatuli, en hem tenminste behandelt als wat hij dacht te zijn, en niet alleen of voornamelijk als schijver van fantastische vertellingen, en ga hier alleen kort in op twee redenen waarom Multatuli, buiten kringen van zijn aanhangers en sommige links georiënteerden, die veel van zijn kritiek onderschreven, gewoonlijk niet is behandeld als hervormer, filosoof, humanist, verdediger van wetenschap en waarheid, en tegenstander van religie en bijgeloof.

De eerste reden is dat Multatuli's kritiek vooral Nederlandse gebreken, Nederlandse misstanden, Nederlandse misdaden, en Nederlandse liegende, poserende, zich verrijkende en bedriegende leidende personen betrof.

De grote meerderheid van de Nederlanders gingen en gaan daar liever niet op in, hoe fraai geschreven en scherpzinnig gezien die kritiek op allerlei Nederlandse tekortkomingen ook was.

De tweede reden is dat Multatuli na zijn dood vooral door letterkundigen en schrijvers is behandeld, en dan weer vooral vanwege zijn fraaie stijl en grote opgang bij zijn leven, en niet vanwege zijn ideeën, zijn maatschappij-kritiek, of zijn inzet als maatschappelijk hervormer.

Het probleem is dat letterkundigen, althans in Nederland, gewoonlijk letterkundigen zijn geworden uit gebrek aan enig talent voor echte wetenschap, weinig of niets van filosofie, psychologie, politicologie of wetenschap weten, en daar zelden om geven, en overigens hun carrière liever hebben dan het schrijven van waarheden die de heersende maatschappelijke élite onwelgevallig zijn.

Ik kan de lezer melden dat ik géén letterkundige ben, en kennelijk "verkeerd geboren" ben, wat het mij makkelijk maakt waarheid te schrijven, en arm te blijven in Nederland, en van de universiteit verwijderd worden bij filosofie "vanwege uw uitgesproken gedachten", al studeerde ik er toch brljant af bij psychologie (en zie 1253 en Spiegeloog-columns).


[4] Het vervolg van deze bundel dateert van 22 Sept. 76. Tusschen deze daten ligt de opvoering van Vorstenschool, het legaliseeren zyner verhouding tot my, en ... de verschyning van het beroemdste werk van den heer van Vloten.

Voor "Vorstenschool" zie Vorstenschool. Hoewel ikzelf niet bijzonder onder de indruk ben van dat stuk moet opgemerkt worden dat het Multatuli's reputatie rond 1875 veel goed deed, en dat het vergelijkenderwijs vaak opgevoerd werd, en behoorlijk verkocht werd in druk.

Wat betreft "het legaliseeren zyner verhouding tot my": Multatuli en Mimi trouwden in 1875, en deden dat vooral om maatschappelijke problemen te vermijden. Ze hadden toen al minstens 10 jaar samengeleefd, wat in hun tijd als behoorlijk schandalig gold, zowel vanwege het samenleven als vanwege Multatuli's onvermogen z'n eerste vrouw en z'n kinderen financieel te onderhouden.

Het "beroemdste werk van den heer van Vloten" is "Onkruid tussen de tarwe", dat een scherpe kritiek op Multatuli is door Van Vloten. Ik vermoed dat M.'s verwijzing naar noot 4 bij 448 zijn mening geeft over Van Vloten's motieven, en dat M. overigens vooral gegriefd werd door het feit dat zo weinigen M. verdedigden.


[5] Wat onze behoeften betreft moet ik u om geld vragen, maar ik durf niet voor ik u eerst wat kopie gezonden heb.

Funke betaalde M. direct bij ontvangst van kopij, en hielp hem overigens vaak en verstandig.

Misschien is het hier ook de plaats om iets meer te zeggen over George Lodewijk Funke (1836 - 1885), die Multatuli's uitgever was van 1872-1880, en Multatuli's vriend tot Funke's vroege dood, op 48-jarige leeftijd.

M. citeerde in 808, voordat hij Funke had leren kennen, Heine:

"Heinrich Heine, die zóó in z'n schik was met zyn uitgever, dat-i de goden dankte: weil sie ihm den Julius Campe zum Verleger gegeben... "

Zoals ik al opmerkte onder 808 geldt dit zeker ook de band tussen Funke en Multatuli.

Funke was zelf een bijzonder man in nogal wat opzichten: Hij had zich in korte tijd van niets opgewerkt tot belangrijk boekhandelaar,  uitgever en krante-eigenaar; hij was zeer intelligent en schreef goed; hij moet buitengewoon hard gewerkt hebben; hij was bijzonder tactisch en verstandig, en wist tegen Multatuli altijd, als vanzelfsprekend, de juiste toon te treffen, wat verre van makkelijk was; hoewel hij het kennelijk in veel dingen veel meer wèl dan niét eens was met M. was hij maatschappelijk veel succesvoller dan Multatuli, en ongetwijfeld ook een stuk handiger en meer diplomatiek; hij was in tal van opzichten een bijzonder rationeel, redelijk en moreel man; en was iemand van wie ik niets wist totdat ik over Multatuli kwam te lezen, en die ik sindsdien voor één van de grote Nederlanders houd waarvan ik weet heb, zonder wie er waarschijnlijk drie of vier bundels Ideën minder verschenen waren, en die ik verder voor een voortreffelijk mens houd, eenvoudig omdat hij al zodanig verschijnt in de hele correspondentie met Multatuli, en omdat hij daarin aldoor naar voren komt als een bijzonder rationeel, redelijk en moreel man. De correspondentie tussen Multatuli en Funke is voor een groot deel overleverd en afgedrukt in de documentatie-delen van Van Oorschot's uitgave van Multatuli's Volledig Werk, en trouwens ook eerder in een apart boekwerk verzorgd door een kleinzoon van Funke.

Het is uiteindelijk vooral aan Funke te danken dat Multatuli de laatste jaren van z'n leven iets als een klein pensioen had, en het was alweer Funke die daar het grootste deel van betaalde.

Hier is tenslotte, ook in verband met het Multatuli-citaat uit 808 dat ik gaf, een deel van een brief van Multatuli aan Funke van 26 oktober 1883:

Toch moet 't my van 't hart, al wordt ge boos. (..) Ge zyt de achtenswaardigste man dien ik ooit heb aangetroffen, myn beste edele, flinke verstandige Funke! 't Lykt wel boersch en plomp, zooiets à bout portant te schryven, maar, zoals ik zei, 't moet 't my van 't hart! Ik wou dat m'n brief verloren ging en dat het in de krant kwam. Dit juist zoudt gy niet willen, dit weet ik wel, maar my zou 't de vervulling eener behoefte zyn! (VW XXII, p. 761)

Voor Multatuli was dit een zéér bijzondere uiting, die temeer geloofwaardig is omdat Funke geheel geen verblinde Multatuli-bewonderaar was, terwijl iemand als ik, die de hele VW minstens twee keer doorgelezen heeft, en daarmee, al is 't op afstand van meer dan 100 jaar, behoorlijk uitgebreid kennis heeft kunnen maken met de karakters van vele Nederlanders die met Multatuli correspondeerden, niet anders kan dan het ééns zijn met Multatuli's mening over hem:

Funke was een heel bijzonder man, en had een kennelijk aangeboren rationaliteit en redelijkheid die maar heel weinigen hebben.


[6] De oorzaken van de stagnatie in Wouter moet ge zoeken by de van Vlotens, en by de wys waarop de pogingen van dezulken by 't publiek worden opgenomen, ze hebben myn indrukken bedorven.

Zie [11]: Mijn gissing is dat M. vooral gegriefd werd door de lauwe reacties van het Nederlands publiek en van zijn meeste medestanders op Van Vloten's kritiek.


[7] Wie ziel in z'n arbeid legt, kan niet altyd doorwerken. En wie niet altyd doorwerkt lydt (in Holland) gebrek.

Voor enige achtergrond zie het nawoord bij bundel III.


[8] Mocht de verklaring die ik in zekere noot op den ‘Brief aan Mevr. X’ (II, vyfde druk, blz. 11) van dit treurig verschynsel gegeven heb

Ik vermoed dat M. noot 4 bij 448 bedoeld.


[9] Is 't niet of het droit de boîte de wereld uit is

Zie 1218.


[10] Aan de zeer weinigen die openlyk protesteerden tegen de vuile manier waarop sedert eenigen tyd de afgunst van lettermannen zich openbaart, m'n hartelyke dank.

Voor die "afgunst" zie [8]. Eén reden voor de inderdaad zeer gebrekkige verdediging van Multatuli tegen de kritiek van Van Vloten behandelde ik onder [3]: zoveel van wat M. gepubliceerd had was bijzonder kritisch over tal van Nederlandse wantoestanden en over leidende Nederlandse personen.


[11] Over 't geheel echter hebben m'n landgenooten zich in bedoelde zaakjes weer zóó gedragen, dat ik niet anders kan dan uit den grond van m'n hart te volharden in de verachting die ik 't Publiek toedraag.

Deze "verachting" komt al voor in "Minnebrieven":

"Publiek, ik veracht u met grote innigheid"

en deed M. geheel geen goed in de ogen van veel Nederlanders, kennelijk omdat ze zichzelf, en met enig recht, door hem aangesproken en gekritiseerd vonden. En inderdaad, weer met verwijzing naar [3] en het daar gerefereerde stuk van Domela Nieuwenhuis "Multatuli als ketter bij uitnemendheid": M. was inderdaad bijzonder radikaal en vergaand, wat ik eerder illustreerde met een radikaal citaat uit zijn "Een en ander over Pruisen en Nederland" onder 217.


[12] 't Is dan ook alleen aan armoede te wyten, dat men nog een regel schrift van my te zien krygt. Waarom men myn geschryf koopt, begryp ik waarachtig niet. Sedert 'n paar jaren nu heb ik me byna uitsluitend beziggehouden met het korrigeeren van herdrukken, en m'n aandoening was één doorgaande verbazing dat m'n uitgever kans ziet m'n werken te plaatsen by 'n Publiek waarvan ik de eer heb zoo hemelsbreed te verschillen in levensopvatting en plichtbesef, in eergevoel en zedelykheid, in oordeel en in smaak. Ik sta naar m'n vermogen 't goede voor, en m'n arbeid moest dus 't drukloon niet waard zyn in 'n land dat tegen Havelaar party trok en trekt voor 'n troep schelmen. Toch wordt nog altyd m'n werk gekocht, naar me blykt.

Hier geeft M. feitelijk de redenen voor zijn verachting van - de grote meerderheid van - zijn publiek, waarbij de lezer twee dingen moet meewegen die hier niet vermeld worden: Zijn boeken werden feitelijk voornamelijk gekocht en gelezen door de zogeheten betere standen, die allemaal wel één of ander belang hadden bij het bestaan en voortduren van in ieder geval sommigen van de vele Nederlandse wantoestanden die Multatuli publiek hekelde, en Multatuli zowel als zijn gezin hadden sinds hij zich gedwongen voelde ontslag te nemen in Lebak, vele jaren in grote armoede moeten leven.


[13] Van velerlei zyden zelfs dringt men op 't voortzetten daarvan aan, en daar ik nu slechts de keus heb tusschen sterven en sprookjes-vertellen, sprookjes die toch niet begrepen worden... welaan, ik zal voortgaan. En tevens zal ik nu-en-dan me trachten te onthouden van 't uiten myner persoonlyke indrukken, geenszins omdat ik dit aan m'n lezers zou verplicht zyn, of liever aan verreweg 't grootste deel daarvan - de Natie heeft verplichting aan my, en voldoet er niet aan! - maar och, waartoe dient het?

In feite is dit idee, en deze passage, de aankondiging van het einde van Multatul's Ideën, die immers door hem bedoeld waren als "de "Times" van m'n ziel". Zie 34.


[14] Bovendien, sedert jaren heb ik my alle bedenkbare moeite gegeven m'n verhouding tot ons volk duidelyk te maken, en gedurig blykt me dat het den eersten den gemeensten kwajongen ongestraft blyft vrystaan my te behandelen alsof ik een van z'n straatkornuiten was. Ongestraft, of byna. Nogeens m'n dank aan de weinigen die protesteerden, en den moed hadden zich bloottestellen aan den drek van den edelen Schmoel.

Dit slaat ongetwijfeld op Van Vloten, maar niet alleen op hem. Met "den edelen Schmoel" refereert M. aan z'n Kruissprook uit "Minnebrieven", waarin o.a. "Daar werpt die Schmoel den kruisman weer met drek" te lezen is.


[15] Hun daad is te loffelyker naarmate zy meer alleen stonden, en me dunkt dat zy 'n gelyk oordeel als 't myne moeten vellen over 'n Publiek dat de Schmoels niet aan de deur zet. 

Dit verwijst ongetwijfelt naar de leraar Engels A. Loffelt, die een brochure had geschreven tegen Van Vloten's "Onkruid onder de tarwe". Voor "de Schmoels" zie [14].


[16] Ik herhaal uitdrukkelyk dat ik de Woutergeschiedenis - of wat er dan verder volgen mag - alleen voortzet uit armoed. Straks is de maand om, en ik mocht eens op-straat gezet worden als ik niet door wat spoedig dit vel op de post te brengen, nog even by-tyds zorgde voor huishuur.

Feitelijk was Ideen VII vrijwel het laatste dat M. voor publikatie schreef, en had hij twee jaar voordat hij dit idee schreef, in 1874, de eerste helft ervan al geschreven.

Hoe ontkwam Multatuli dan "armoed"? Doordat hij betaalde lezingen hield; doordat Funke hem bleef betalen voor korrekties en hem "een deel van de winst" uitkeerde; en tenslotte doordat er via de zogenaamde Huldiging voldoende geld werd verzameld voor een klein pensioen voor M. en Mimi.

M. schreef nog wel behoorlijk veel, maar dat waren vrijwel alleen brieven aan vrienden, die te vinden zijn in de latere delen van de VW, en vaak zeer fraai zijn.


[17] Bovendien, ik zal my geweld aandoen en me trachten optedringen dat ik slechts de weinigen onder m'n gehoor heb, die by wat meer ontwikkeling van verstand en hart, blyk gaven de kunst van lezen te verstaan. Wanneer die kunst wat algemeener was, zouden de heeren Schmoel & Co. groote moeite hebben 'n uitgever te vinden, en dan had ik geen uitgever noodig. Sedert lang zou men dan de infamie begrepen hebben van 't vonnis dat Chresos veroordeelt ‘tot de kosten van 't proces, en de luit.’

M. heeft hier tenslotte ook de soort positie bereikt die ik bijv. in mijn kommentaren Ideën IV aangaf: De Nederlandse meerderheid was zowel onwillig zijn maatschappij-kritiek, godsdienst-kritiek en koloniale kritiek te onderschrijven of zelfs maar serieus te overwegen, als te dom om daar veel van te begrijpen.

Idee 1252.