Waar zoud-i heen? Al
peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was
door.... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen
reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak was
van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt
raakte? [1] En ditmaal nogal erg. De geringschatting van de menschen aan
wie hy verantwoording schuldig was, had reden van bestaan in ieder
ander, maar niet in hèm. Z'n moeder was z'n moeder, de heeren
Ouwetyd & Kopperlith waren zyn patroons. Hy was niet grof
genoeg van inborst om de draden waarmed-i zich aan de maatschappy
verbonden voelde, eenvoudig te verbreken en zich vry te maken: om
‘de wereld integaan’ zooals dit heet. Hieraan dacht hy wel, doch
maar 'n oogenblik want hy was te week om het besef te verdragen van
de smart zyner betrekkingen.... die wel luidruchtig, maar niet zoo
byzonder diep zou geweest zyn. Doch dit wist hy niet. Op-eenmaal
kwam hem nu in den zin dat-i in z'n lessenaar op 't kantoor allerlei
rympjes had verborgen, waarin veel schoons werd gezegd.... van háár.
Wie deze ‘haar’ was, doet er niet toe. Het is te betwyfelen, of
hyzelf hiervan een heldere voorstelling had. Want al droegen z'n
ontboezemingen gewoonlyk de kleur der indrukken die Femke hem had
meegedeeld, toch dwaalde hy telkens te veel af van dat ééne model,
om te kunnen beweren dat hy in die rympjes z'n liefde voor háár
schetste. Niemand zou 'n waschmeisje zoeken in 't origineel van de
wolkerige portretten die hy leverde. 't Wemelde in z'n poëzie van
prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van
wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God
was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker
bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat.
[2]
Kompromitteerend in gewonen zin waren alzoo Wouter's dichtproeven
niet. Noch Pompile, noch Wilkens zouden by 't vinden der
achtergelaten rymelary, op 't denkbeeld gekomen zyn dat hun
weggeloopen jongste bediende in betrekking stond tot 'n dame die men
noemen kon. Hoogstens zou 'n beetje scherpzinnigheid hun de middelen
aan-de-hand doen om van Wouter's ongedisciplineerde
hartstochtelykheid geen jota te begrypen. Hyzelf echter meende dat-i
maar al te duidelyk had lucht gegeven aan z'n gevoel, en in
verbeelding zag hy reeds z'n onbescheiden talent misbruikt om al de
jonkvrouwen van zyn hart tentoontestellen in de courant. Prinsessen
zouden er 't meest onder lyden, want aan hoven is de eer 'n teedere
zaak. En ook Julie liep gevaar. In dat ééne gedicht namelyk -
koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk eens!
[3] -
had-i zich niet kunnen onthouden, 'n zwevenden engel uittedosschen
in 'n zwierig rykleed van bruine taf, en van zoo'n stof was juist
het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk vier
stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond! [4] Duidelyker
zinspeling op z'n verrukking over haar neerbuigen tot hem, kon wel
niet gevat worden in koupletten van acht regels met slechts twee
rymen! Ja toch, hy had melding kunnen maken van 't wollen fichuutje
dat ze by die gelegenheid om den hals droeg - want ze was op dien
merkwaardigen stond 'n beetje verkouden - maar de eischen van rym en
maat bewaarden hem genadiglyk voor indiskreete vereeuwiging van deze
byzonderheid. Die zwabberende bruin-zyden amazone was waarlyk al
verraderlyk genoeg! Zou de oude Dieper by 't ontdekken en
beoordeelen zyner rymschatten, de goedheid hebben Pompile
aftebrengen van de gevaarlyke gissing dat er verwantschap bestond
tusschen die zwevende engel en z'n wederhelft? Och, op zoo'n
boekhouder valt niet te rekenen. Gaf-i niet altyd iedereen gelyk?
Wouter zag hem z'n pen neerleggen, z'n snuifdoos opnemen, den
bekenden stap achterwaarts doen, en dit alles om met vereischten
nadruk te verzekeren:
-
Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met
dat schimpdicht bedoeld heeft.... [5]
-
Schimpdicht, Dieper? 't Is geen schimpdicht? Wàs 't dat maar. De
kwajongen is verliefd, en wel op....
-
Precies, jongeheer! Ik wil maar zeggen, net als u, dat-i zeker met dien golvenden luchtgeest mevrouw Kopperlith-Huddewitz bedoeld
heeft. 'n Mensch moet toch iets bedoelen, niet waar? Zeker, zeker,
die engel in 't bruin is de jonge mevrouw! Vindt u 't niet erg....
brutaal, jongeheer?
Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend door
den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van
de vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte.
[6] Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de
oudeheer aansloffen:
-
Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet te
rekommandeeren? [7]
En
Dieper beloofde deemoedig dat-i 't nooit weer zou doen.
De
oude Gerrit? Nu, zyn tusschenspraak schikte nogal. Gelukkig
voor Wouter, dat-i eindelyk 'n figuur ontdekte van iets minder
afschuwelyken aard, iemand waarmed-i het tooneel dat z'n angst hem
voormaalde, wat minder krimineel stoffeeren kon. Gerrit mompelde:
‘wat 'n geseur over die liedjes! Allemaal wind en 'n engelsche
notting!’ Lieve Gerrit! [8]
Opmerkelyk, niet waar, dat Wouter wel de gaaf had zich zoo
nauwkeurig voortespiegelen wat er gebeuren zou, wanneer men na z'n
wegblyven z'n archief doorsnuffelde, hy die zich niet in-tyds
rekenschap had weten te geven van den zotten toestand waarin iemand
geraken moet, die z'n zeer behoorlyk jasje verruilt voor 'n
schanslooper van de vreemdste soort, en z'n fonkelnieuw hoedje voor
'n rooden kalen gedeukten tromblon die hem bovendien eenige
nummers te groot was? Weinig jongelieden zouden zich in Wouter's
geval hebben schuldig gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en
toch zou 't onrecht wezen hen daarom voor verstandiger te houden.
Voor 't meerendeel hadden ze slechts door onthouding van 't
excentrieke, blyk gegeven beneden Wouter's fouten te staan. Kon hy
't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er 'n
aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en
de wereld waarin hy leefde? [9]
De
manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had kon
zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden
onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in
den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder van de
waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy
inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen
naar 't schema dat hy in omgang met zichzelf alleen,
samenknutselde. [10] Wouter droomde van engelen.... die er niet zyn, en
van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei
aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn. [11] Het is er ver af dat
deze aandoeningen onverdeeld schoon waren, en dat alzoo in alle
opzichten de werkelykheid beneden z'n droomeryen zou staan.
Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy
tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in 't
een-of-ander opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, 't geen
reeds hieruit blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot
dwaasheden als die welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in
den Haarlemmer-Hout. [12] Inderdaad, lezer, 't is onzedelyk 'n
nieuwen jas te verruilen voor 'n ouden! Ik laat nu de kazuistische
finesse waarmee sommigen zotterny willen onderscheiden van
slechtheid, stilzwygend in haar onwaarde, zéker is 't dat onze held
even beschaamd was over 't verkwanselen van z'n kleeren, als-i over
diefstal zou geweest zyn. En, wanneer hy de wereld goed gekend had,
zoud-i gróóter schaamte nog gevoeld hebben over z'n dwaasheid dan
over eigenlyke misdaad. Deze immers wordt begrepen, omdat
ieder deelt in de aandrift die daartoe leiden kan. Met 'n vroom:
‘God zy by ons... wie staat, zie toe!’ bekruist men zich - en hangt
den dief op, nu ja - maar men deelt volkomen in de gevoeligheid voor
verlokking die den zondaar máákte tot 'n zondaar. Vraag eens aan
juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in
geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een der tien
geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het Wetboek
van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: ‘de mensch is zwak!
Heer, wees my armen zondaar genadig!’ [13] Heel goed, ik mag lyden dat de
Heer het doet. Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen
dat zy 'n splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in 'n
onderrokje ronddolen op den publieken weg.... zonder de minste
aanroeping van den Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En
dit is de waarheid. Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet
brengen, al liet God haar in den steek. [14] Wel schynt alzoo zyn hulp
onontbeerlyk om bewaard te blyven voor galg en rad, maar domheden
als die van onzen Wouter weet men te vermyden zonder de minste
tusschenkomst van den Hemel.
En
nog 'n opmerking, ditmaal van eenigszins aangenamer aard. Dat
Wouter's manier van spekuleeren niet tot welvaart leidt, zal ieder
erkennen en goedkeuren. Maar men is te zeer gewoon zich goede
uitkomsten voortestellen van het tegendeel. Dit is onjuist. Ik kan
den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig toonde
in zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is
't geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't
eigenaardig gebrek aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog
onvolkomen dichterlykheid. [15]
[1]
Waar zoud-i heen? Al
peinzend over den zonderlingen toestand waarin hy gebracht was
door.... eilieve, lezer, door wàt eigenlyk? Hyzelf kon er zich geen
reden van geven, maar aan U vraag ik, wat toch de oorzaak was
van de onaangename verwikkelingen waarin hy telkens verstrikt raakte?
Hier zijn weer parallelen tussen
Wouter en Multatuli, en "de
oorzaak was van de onaangename verwikkelingen"
waar beiden "telkens"
in geraakten ligt natuurlijk in hun individuele bijzonderheid. En
dit kan weer uitgesponnen worden op minstens twee manieren: Een
overmaat aan talent, en een gebrekkig of ontbrekend vermogen om mee
te draaien in de maatschappij als een braaf oppassend radertje, en
niet op te vallen door persoonlijke standpunten of eigenaardigheden.
[2]
't Wemelde in z'n
poëzie van prinselyke diademen, van goddelyke straalkransen, van
wereld-overzien, en van de bekende algemeene gelukkigmakery. Ook God
was niet vergeten, dit spreekt vanzelf. Het is ieder verzenmaker
bekend, hoe makkelyk dit eensylbig woordje zich schikt in elke maat.
Zoals de Nederpoëzie in die tijd, ook
de poëzie van M. vóór 1850, en waarvoor overigens zie
1240
dat er een goed beeld en een aardige kritiek van geeft.
[3]
In dat ééne gedicht
namelyk - koupletten van acht regels met slechts twee rymklanken, denk
eens!
W. had zich voorgenomen zuinig met
rijm te zijn (eind VI).
[4] ..
van zoo'n stof was
juist het japonnetje dat zy aanhad op den dag toen hy zoo ridderlyk
vier stuivers had afgedongen op haar liggenden jachthond!
Zie 1204.
[5] -
Juist, jongeheer! Ik heb de intieme fictie dat de jongen met
dat schimpdicht bedoeld heeft....
Zie 1210, waar "fictie"
als "fiktie"
is gespeld.
[6]
Wouter's verbeelding tooverde hem 't kantoor voor, en dwalend door
den Hout was-i getuige van de woede, van de minachting, van
de vernederingen die 't burgerzielig konklave over hem uitstortte.
Het is mogelijk dat hier een wat
bedekte verwijzing ligt van M. naar Beets' "Camera Obscura".
[7]
Wilkens blaette afkeuring, Eugène bromde z'n: hm! Daar kwam ook de
oudeheer aansloffen:
-
Zieje, Pompile, 't is de schuld van Dieper. Waarom zoo'n deugniet te
rekommandeeren?
Allen spreken op hun eigen wijs (zie
...) en 1124.
[8]
Gerrit mompelde: ‘wat 'n geseur over die liedjes! Allemaal wind en 'n
engelsche
notting!’ Lieve Gerrit!
Zie 1209 - en niet iedereen is
misdadig bij Ouwetyd & Kopperlith (zie eind 1211)
[9]
Weinig jongelieden zouden zich in Wouter's geval hebben schuldig
gemaakt aan de zotterny die hy begaan had, en toch zou 't onrecht
wezen hen daarom voor verstandiger te houden. Voor 't meerendeel
hadden ze slechts door onthouding van 't excentrieke, blyk gegeven
beneden Wouter's fouten te staan. Kon hy 't helpen dat-i z'n
ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er 'n aanhoudende stryd was
tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de wereld waarin hy
leefde?
Zie [1], en het
was ook zo voor Multatuli, bijvoorbeeld inzake Lebak, en daarna in
Nederland: "Kon
hy 't helpen dat-i z'n ongewoonheid niet wist te regeeren? Dat er 'n
aanhoudende stryd was tusschen de wereld die hy in zich omdroeg en de
wereld waarin hy leefde?"
Maar bijvoorbeeld M.'s schoonfamilie
vond dat hij dat wel kon helpen, en niet goed wijs was, en zich
onverantwoordelijk en als een Don Quichot gedragen had, en dat vonden
velen.
Het probleem is natuurlijk - zie
[1] - dat de weinige Don Quichots die geboren
worden temidden van de vele Sancho Panzas enigszins anders intern
ingericht en uitgerust zijn dan de grote meerderheid, wat tot allerlei
misverstanden aanleiding geeft, zowel bij de normale doorsnee als de
dolende ridder-types, die ook al nauwelijks kunnen bevatten hoe groot
de verschillen zijn tussen normale conformisten en hooggestemde
waarheidsprekers en waarheidzoekers.
[10] De
manier waarop hy zich gedurende den afgeloopen dag gedragen had kon
zonder verkrachting van den zin der uitdrukking, gerangschikt worden
onder de rubriek: krankzinnigheid. Wel zeker! De arme dwaas die in
den waan verkeert dat z'n beenen van glas zyn, is niet verder van de
waarheid dan de dweeper die zonder de wereld te kennen zooals zy
inderdaad is, z'n aanraking met haar meent te kunnen regelen
naar 't schema dat hy in omgang met zichzelf alleen,
samenknutselde.
Opnieuw geldt
dit niet alleen Wouter, maar ook Multatuli, en iets als het hier
gestelde werd door M.'s schoonfamilie over M. gezegd na Lebak.
[11] Wouter droomde van engelen.... die er niet zyn, en
van zielenadel... die niet bestaat. Hy onderging allerlei
aandoeningen die aan anderen niet bekend zyn.
Opnieuw als M, die zich pas rond de
jaren dat hij dit schreef werkelijk bewust werd van de grote
verschillen tussen hemzelf en zijn Nederlands publiek, dat in grote
meerderheid helemaal niet in waarheid geïnteresseerd was, en in het
geval dat ze zelf welstaand waren die welstand vaak geheel of
gedeeltelijk aan de onderdrukking van de Javanen dankten, of aan
andere wantoestanden in Nederland waar M. tegen geprotesteerd en
geschreven had.
[12]
Integendeel. Onder alle personen, zonder onderscheid, die hy
tot-nog-toe had leeren kennen, was niemand die niet in 't een-of-ander
opzicht hem in zedelyke waarde te-boven ging, 't geen reeds hieruit
blykt dat geen hunner ooit zich vervoeren liet tot dwaasheden als die
welke hem daar zoo wanhopig deden rondzwerven in den Haarlemmer-Hout.
Zie eind 1211.
Het verdient wellicht ook opmerking dat er is géén verdienste schuilt
in normaal zijn, al menen normale mensen in Nederland van wel. Zie
bijvoorbeeld 155 in dit verband.
[13]
Vraag eens aan juffrouw Pieterse en haar vry groot aantal verwanten in
geestesarmoed, of ze 't voor mogelyk houden dat zy een der tien
geboden zullen overtreden, of zelfs maar 'n artikel uit het Wetboek
van Strafrecht? Zy en allen zullen antwoorden: ‘de mensch is zwak!
Heer, wees my armen zondaar genadig!’
Ja, dat is juist, en ik heb iets als dit
veel gehoord, vooral n.a.v. de 2e Wereldoorlog, en altijd van mensen
die ook heel trots waren te betuigen dat zij zelf zulke zulke
bijzondere heel gewone mensen waren.
Toch spreken ze overwegend de waarheid
als ze van hun eigen zwakte verhalen.
[14]
Maar, eilieve, stel haar de mogelykheid voor oogen dat zy 'n
splinternieuwen merinossen rok zou weggeven, en in 'n onderrokje
ronddolen op den publieken weg.... zonder de minste aanroeping van den
Heer, zal ze verontwaardigd uitroepen: nooit! En dit is de waarheid.
Zóó ver kan de slimste Duivel 't mensch niet brengen, al liet God haar
in den steek.
Ja, dat lijkt me ook, en het is de
moeite waard op te merken wat hooggehouden wordt door de
conformistische doorsnee: Het is weer de schijn, de rol, die gewone
mensen voor de essentie houden, en dat is ook de reden dat ze véél
eerder de schijn ophouden, hun rol spelen, en doen wat de autoriteiten
verlangen, dan voor een gek doorgaan die z'n morele plicht durft te
doen als dat moeilijk, gevaarlijk, of ongebruikelijk is.
[15]
Ik kan den lezer verzekeren dat de kleerenjood die zich zoo handig
toonde in zaken, niet eens millionair was toen-i stierf, en dit is
't geval met velen die zich vermeten minachtend neertezien op 't
eigenaardig gebrek aan praktyk, dat 'n uitvloeisel is van nog
onvolkomen dichterlykheid.
Ook hier is weer
een parallel tussen Wouter en Multatuli in 1856 en 1859, toen M. geen
geld had en z'n jas moest verkopen. Het is ook niet onmogelijk dat er
in dit idee een aantal verhulde toespelingen zijn, bijvoorbeeld naar
M.'s broer Jan, die hem soms hielp, en soms niet hielp, en die heel
wel mogelijk het soort dingen tegen M. gezegd kan hebben als "de
kleerenjood" in dit idee.