Idee 1247.                                                


Na 't eten werden de Kruckers onthaald op den traditioneelen toer. En ook Wouter mocht meeryden.... in 't achterbakjen alweer, waar men hem 't aanminnig Bonifaasje te bewaren gaf. 't Kind mocht er durchaus niet uitvallen, zei de elsasser konsul. Julie snapte in n adem door, en Wouter begon te vinden dat ze de proef wat ver dreef. Wel bleef het 'n zekerheid dat zy de eenige van 't gezelschap was, die blyk had gegeven van den lust iets te willen doorgronden, maar toch.... 'n beetje droefenis voor den misselyken toestand waarin ze haar ridder gebracht had, zou niet kwaad hebben gestaan by haar verheven zucht tot ontwikkeling. Ze babbelde zoo ongedwongen met al die Kruckers, ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest [1], ze scheen zoo volkomen tevreden met de toejuiching waarmee de plompe Pompile haar domste uitvallen vereerde.... kortom, Wouter wist niet hoe hy 't had met z'n Dame. Hy zou er veel voor gegeven hebben, haar 'n oogenblik alleen te spreken.... hm, 'n voetval zou er niet kwaad by staan! Maar.... hoe daartoe de gelegenheid te vinden? Als-i 't huis in brand stak? Dit plan was zoo heel verwerpelyk niet. Al de Kopperliths en Kruckers geschroeid, verbrand, verkoold, verteerd, vernietigd, en hy de redder van de weetgierige Julie! Hy zag zich in gedachte, hr door rook en vlam den trap afdragend! Hr hield hy in de armen, hr fluisterde hy toe: wees gerust, edele dame van m'n hart, al die stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en 'n verhandeling over den wisselkoers.... [2]

- Zeg, Pieterse, of hoe heet je, houd m'n parasol wat over 't kind. De zon steekt zoo!

Deze ontboezeming vloeide over de lippen der schoone Hersilia, die met haar zonnescherm onzen ridder aantikte, en hem vry gevoelig terugriep in de werkelykheid. Hy schrikte, en nam 't ding werktuigelyk aan....

- Schuif 't op, jongen! Druk op de veer.... daar, daar, de veer in 't stokje! Versta je me niet? Wat 'n onhandig jongetje, Pompile!

Wouter kneep het ding, en voelde neiging de schoone Hersilia daarmee den kop te kloven. Hy staarde haar zonderling aan.

- Op de veer drukken, weetje? Druk op dat veertjen in 't stokje, schreeuwde Pompile, die evenmin als de anderen aan iets anders dacht dan aan onhandigheid, of hoogstens meende dat de jonge Pieterse z'n zuster niet verstaan had.

- Doe 't 'm eens voor, Pompile, zei de oudeheer.

Pompile die op de voorbank gezeten was, stond op en boog zich over 't gezelschap heen, om den jongen Pieterse les te geven in 't openen van 'n parasol. Maar hy kwam te laat. Wouter kneep, trok, drukte, schoof, en schoof wat krachtig....

- Ik kn wel, m'nheer, zeid-i.

....en 't ding was aan flarden! Hy hield den stok in de eene hand, en de fladderende zy met de andere omhoog als 'n vlag! Het heele gezelschap was ontdaan. Men keek elkander verbaasd aan, als om te vragen wat dit beteekenen moest? Welnu, niemand begreep het. Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn. [3]

- 't Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb? [4]

- Je moet altyd begrypen Hersilie, 't is 'n burgerjongetje, riep Pompile. Hy wist niet wat je bedoelde, zieje? Je moet altyd denken, 't is 'n burgerjongetje, en.... nooit in gezelschap geweest. Dr komt het van!

- Zeven gulden, dertien!

Het stokjen en de lappen werden, zoo goed het hossen van 't rytuig toeliet, aan elkaar gepast om nogeens voor 't laatst te bewonderen hoe het ding er had uitgezien voor de vreeselyke katastroof. Nog 'n paar maal mompelde de majestueuze Hersilia haar tragisch: zeven gulden, dertien en vry ontstemd liet het gezelschap zich voortkruien door den zandweg. Toen men thuis kwam, nam Pompile de rol van verslaggever aan mama op zich. Niemand was meer verontwaardigd dan de juffrouw. Ze had wel drie fransche woorden om te betuigen dat de zaak....

- Ja, ja, zeker! zei Pompile. Maar u moet begrypen, mama....

- Hy stond mevrouw zoo delicieus by die gele bergre, maseurde de juffrouw.

- Goed, juffrouw. Maar ziet u, mama....

- 't Is 'n ware balourdise, m'nheer!

- Zeker, juffrouw! Maar, mama, Hersilie had het niet moeten doen, mama. Want zoo'n jongen....

- Fi donc, zoo lomp te zyn!

- Volkomen juist, juffrouw! Maar ik wou aan mama zeggen dat mevrouw Calbb had moeten begrypen dat zoo'n jongetje...

- 't Is infaam!

....dat zoo'n jongetje maar.... 'n burgerjongetjen is! Dt wou ik maar zeggen aan mama.

En dit alles moest Wouter aanhooren! Z'n woede was gebroken. Hy voelde zich verlamd, onmachtig, wezenloos, en alweer overmeesterde hem zeker heimwee naar de vroeger zoo geminachte levensopvatting ten-zynent.

Was dt nu de wereld die hy zou leeren kennen als-i groot was? Wanneer hy op dit oogenblik z'n ouden vyand Slachterskeesjen ontmoet had, hy zou hem aan 't hart hebben gesloten als 'n bode uit hooger sfeer. Men ziet het, te laag gezonken om behagen te scheppen in de voorstellingen uit den mythentyd zyner jeugd, begon hy reeds te verlangen naar 't weerzien van de grove gestalten die hem in dien dagen omgaven. Zoo ook verwarren onnadenkende geschiedschryvers den onbehagelyken toestand van den wilde met de gouden eeuw van Saturnus.

Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want vyandschap meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem z te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was. [5] Pompile gaf zich de moeite hem op 'n parapluie te wyzen hoe men 'n parasol opent, en tenlaatste was Wouter na veel vruchtelooze pogingen om de ware oorzaak van z'n zonderlingen handgreep onder woorden te brengen, wel genoodzaakt zich aantestellen alsof hy werkelyk voor 't eerst te weten kwam dat men by zoo'n gelegenheid op 'n veertje moet drukken. Pompile scheen zeer voldaan over de les die hy gegeven had, en roemde er op dat de jonge Pieterse de zaak nu volkomen verstond, en zeker by 'n volgende gelegenheid....

- Zeven gulden, dertien, jammerde Hersilia.

De maat liep over. Wouter stond haastig op, vloog de deur uit, het erf af en den weg op, om zich te verdrinken of.... zeven gulden dertien te zoeken.

A la bonne heure! [6]


[1] .. ze toonde zich zoo geheel-en-al op de laagte van de rest ..

Dit heb ik eruit gelicht als bruikbare uitdrukking, die een gewone gang of stand van zaken beschrijft.
 


[2] Hr hield hy in de armen, hr fluisterde hy toe: wees gerust, edele dame van m'n hart, al die stommelingen zyn dood en byna begraven! Ik ben hier, ik, Wouter, die uw dorst naar kennis lesschen wil met m'n laatsten druppel bloed en 'n verhandeling over den wisselkoers....

De lezer(es) mag me geloven als ik opmerk dat ikzelf ook maatschappelijk gehinderd wordt door een ongebruikelijk goed intellect en een veel te grote eerlijkheid, en overigens in m'n jeugd veel moeite heb gedaan jonge vrouwen te bewegen tot wat jonge mannen gerieft. En het is waar, en de reden voor deze opmerking, dat ook ik in mijn zeer jeugdige jaren naief mocht dromen dat deze of gene schone in zou zien dat mijn konkurrenten voor haar gunsten "stommelingen zyn" en de schone zelf in groot verlangen zou ontbranden naar "'n verhandeling" van mijn hand. (Hoewel ik niet mag klagen over gebrek aan succes lag dat zelden of nooit aan de schoonheid van mijn verhandelingen.)
 


[3] Niemand kwam op de gedachte dat men hier te-doen had met 'n gewond menschenzieltje dat iets verscheuren moest om uiting te geven aan onlydelyke pyn.

En waarom zouden ze ook? Het is hun schuld niet dat hun geest anders bewerktuigd is dan die van Wouter. Het is waar dat ze de jongen denigrerend en onsympathiek behandelen, maar ook waar dat dit voor hun soort geheel vanzelf spreekt en normaal is, en ze het met iedere andere jongste bediende ook gedaan zouden hebben, naar men mag aannemen zonder veel kosten of pijn voor diens ziel. (Voor "ziel" zie trouwens 16.)
 


[4] - 't Heeft zeven gulden dertien gekost, jammerde Hersilia. Niet waar, Calbb?

Ik heb al eerder opgemerkt dat Multatuli kennelijk opzettelijk allerlei verbanden legt en verwijzingen maakt, die veel te maken hebben met zijn uitwaaierende, mozasche fractaal-achtige manier van schrijven, die trouwens ook zijn manier van praten schijnt te zijn geweest, maar kennelijk ook redelijk wat van doen hebben met opzet en overleg, en z'n vaak herhaalde geloof dat "Alles is in alles, alles raakt aan alles".

Hier valt het behoorlijk op dat de dochter van Kopperlith treurt over een parasol van zeven gulden dertien, terwijl Wouter eerder (1227-1) erin geslaagd is een rekening te innen voor de fa. Ouwetyd & Kopperlith van zevenhonderd gulden dertien.

Men kn hier natuurlijk denken: Hoe verschillend vatten verschillende mensen het menselijk verkeer op "in de handel"!
 


[5] Wouter was wanhopig. En z'n stemming werd er niet beter op, toen-i bemerkte dat ook Julie tot z'n vyanden behoorde, want vyandschap meende hy te moeten veronderstellen in al de menschen die, na hem z te hebben gegriefd en vernederd, niet eens schenen te begrypen dat-i voor grief en vernedering vatbaar was.

Terwijl dat toch waarschijnlijk niet zo was, naar we mogen aannemen over de Kopperliths en hun soort: Voor hun verscheen het alsof ze Wouter hielpen een behoorlijk, fatsoenlijk jongste bediende te zijn, die het overigens niet past zich "gegriefd en vernederd" te voelen door een behandeling die een jongste bediende past als jongste bediende.
 


[6] A la bonne heure!

Hier moeten we aannemen dat het moment goedgekozen was omdat Wouter lang genoeg geplaagd was met domheid en minderwaardigheid, en Fancy er wel voor zorgt dat de zaak terecht komt. (Helaas zorgde Fancy er niet voor dat Multatuli de rust, welstand, en gezondheid vond het verhaal uit te vertellen. Het echte leven is dan ook geen sprookje met fancies.)

Idee 1247.