Idee 1246.                                                


Doch ik zeide reeds dat Wouter's verdriet over de zonderlinge wyze waarop men hem liet deelnemen aan de genoegens van 't Buitenleven, ditmaal 'n andere oorzaak had - of 'n andere onmiddelyke aanleiding ten-minste - dan de reeds eenigszins versleten ergernis over z'n gewone teleurstellingen. Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in 'n kring van zeer onontwikkelde menschen. [1] Nog kort geleden zoud-i by den lagen vlucht der gewisselde denkbeelden, zichzelf de schuld gegeven en gemeend hebben dat-i niet op de hoogte stond om het gewicht der behandelde zaken te vatten. Maar dat gesprek over den wisselkoers had hem wakker gemaakt. Ook hy had zich tot-nog-toe geen reden gegeven van dien eb en vloed in den prys der remises naar 't Buitenland, en eerst door Julie's klakkeloos vragen werd hy zich z'n onkunde bewust. Onwillekeurig verweet hy zichzelf dat-i deze vraag niet reeds sedert lang gedaan had, en nu ze eindelyk werd geopperd door 'n ander, was-i nieuwsgierig naar 't antwoord. Het hakkelen en stamelen der voorlichters bevreemdde hem. Op-eens bracht hy hun blykbare onwetendheid in verband met de meer dan onachtzame wyze waarop hy in dien kring ontvangen was, en tevens met z'n laag standpuntjen over 't geheel. Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die ryke menschen, die aanzienlyke menschen, weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks aan hun waarneming opdringt? [2] En juist die menschen zyn het, aan wie ik 'n voorbeeld nemen moet om iets te worden in de wereld? En het is door hn dat ik behandeld wordt met 'n minachting die.... die....

Kortom, hy was wrevelig, en voelde aandrang tot.... wraak wel niet, maar tot iets toch als genoegdoening. Hy peinsde op middelen om aan den oudeheer, en aan m'nheer Pompile en aan al die Kruckers 'n bewys te leveren dat men verkeerd had gedaan hem naar de mangelkamer te verwyzen. Het spreekt vanzelf dat Julie's vraag reeds lang vergeten was in de achtergalery, waar 't onderhoud nog altyd op de bekende belangwekkende manier z'n gang ging, maar onze Wouter verdiepte zich, al spelend met den kleinen Bonifaz, in 't opgegeven raadsel. De zaak begon hem voortekomen als 'n uitdaging waarop hy ridderlyk verplicht was in 't kryt te verschynen, ten-einde aan de verheven dame die het tournooi had uitgeschreven....

Wel zeker, er was 'n hooggeboren dame in 't spel, en 'n tournooi ook! Ik deed verkeerd zoo lang te wachten met het wyzen op deze byzonderheid, de geringste niet onder de oorzaken die Wouter noopten tot opscherping van z'n denkvermogen. Ach, hy had z'n roman gereed voor ze nog terdeeg was opgezet! Die Julie.... o goden, was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als 'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden jachthond? [3]

Een jong ridder die zlke onderscheiding vergeten zou.... neen, ondankbaar was Wouter niet! Nu zoud-i haar toonen dat z'n gemoed in-staat was weerklank te geven op zoo'n verheven blyk van vertrouwen, en dat ze niet te-vergeefs haar sluier had neergeworpen in 't strydperk. Want.... aldus begon zich de zaak te kleuren. Met lans en zwaard strydt men niet meer - helaas! - maar de Dame die in onze dagen riddereer op de proef stellen wil, doet 'n beroep op de kracht van den geest. Met gemaakte achteloosheid laat zy 'n onopgelost vraagstuk heenglyden over den rand der tribune, en daar beneden wachten leeuwen en tygers.... neen, deze soort van kampioenen behooren tot 'n vroeger tydperk, k niet onbehagelyk voorzeker, maar we hebben nu zeer uitdrukkelyk met ridders te doen. Verbaasd, verschrikt, ontzet, verlamd, staren zy 't waagstuk aan, dat er van hen gevorderd wordt. Aanstaren is 't juiste woord niet, want ze wenden de oogen af, en weifelen, en trekken zich terug, en beroepen zich op de onmogelykheid om 't pand ongeschonden terugtebrengen, en als huldeblyk neerteleggen aan de voeten der uitdaagster. Alles heeft z'n grenzen, wreede Dame, tot riddermoed toe! Keizers, Koningen en Prinsen, zoo-even nog vast in 't zaal, en tegen elkander zoo dapper de lans vellende.... uitwegen zoeken ze nu om zich te onttrekken aan 't schrikbarend wapenfeit dat zoo roekeloos werd gevorderd van hun geest. Sire Kopperlith-zelf had er z'n glimlach by ingeschoten, en ridder Pompile z'n zelfgenoegzaamheid. De schrik was Don Eugne om 't hart geslagen, en hy stond op 't punt - akelig! - mr te zeggen dan z'n enkele sylbe! Was niet zelfs de krygshaftige clan der Kruckers - van-ouds toch zoo vermaard om z'n onvergelykelyke prouessen in kurk! - genoodzaakt geworden z'n veldgeschrei 'n oktaaf lager te stemmen, en zich te bepalen tot 'n deemoedig: ja, ziet u, dat zyn zoo van die zaken.... m'n lieve mevrouwtje? En heette dit niet in Wouter's overzetting allerduidelykst: schoone dame, als je op ns rekent tot het terug-erlangen [4] van je pand, kan je 'r staat op maken ongesluierd naar huis te gaan!  

Dat nooit! riep ridder Wouter. En hy gordde zich aan tot begrypen.

Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook inderdaad - zooals de meeste vraagstukken - is werkelyk 'n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten. [5] Wie meenen mocht dat ik de geestelyke gelaatstrekken der Kopperliths en Kruckers te afzichtelyk schilder, neme eens de proef by mannen van 't vak. En men behoeft zich niet te bepalen by de vraag die de onnoozele Julie ter-tafel had gebracht in die achtergalery, noch ook by 't vak waartoe kwestien van dezen aard schynen te behooren. Overal zal den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort [6] , en zelfs dat het niet-berusten van sommigen, hun door vakmenschen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid. *)   

Nu, Wouter ws buitensporig. De hemzelf onbewuste vertaling van 't nogal triviale gegeven in 'n heldenfeit, wond hem op. Werktuigelyk spelend met den kleinen Bonifaz, trachtte hy in de kern van 't vraagstuk doortedringen, en de eigenaardige richting van z'n geest - geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid [7] - leidde hem aldra tot de primitiviteit van opvatting, waaraan alle vraagstukken - ook de moralistische - behooren getoetst te worden. [8] De steentjes die hy den kleinen jongen toewierp, en door dezen naar hem werden teruggerold, stelden in z'n verbeelding al zeer spoedig de koopmanschappen voor, die uit onderscheiden landen in de naburige streken worden ingevoerd. Behoefte aan betalingsmiddelen groeide aan naarmate men meer goederen ontving. Zoolang men nu hierin kon voorzien door het terugzenden van andere waren.... zeker, zoo is het, meende hy. En hy redeneerde: we zenden.... kaas en boter naar Engeland. Dit moet betaald worden. Zoo 'n koopman ginds, moet iemand zoeken die van ns geld te-goed heeft voor.... wittegrondjes-driekleur of diemet - 'n moeielyk vak, zegt m'nheer Wilkens! - en dan betalen wy eigenlyk die diemetten met kaas. Maar als we nu weinig kaas hebben gezonden om al de lynwaden die wy ontvingen, te betalen, dan valt het moeielyk in Holland iemand te vinden die geld te goed heeft van 'n Engelschman.

En deze moeielykheid moet overwonnen worden door hooger bod op den wissel, want het spreekt vanzelf dat het recht om te trekken in waarde ryst, naarmate het minder voorhanden en meer noodig is. Wie dus 'n wissel afgeven kan, vraagt er mr voor dan....  

Aldus peinzend had-i allengs de steentjes die dienen moesten tot vermaak van den kleinen jongen, verdeeld in soorten die allerlei koopwaar voorstelden. De vloer van de mangelkamer werd in landen en provincien afgedeeld. Dr lag Engeland met z'n wittegrondjes-driekleur, dr Frankryk dat wyn leverde, dr Nederland met z'n stereotiepe kaas en boter.... jazelfs Spanje kreeg 'n plaatsje met z'n kurk. En hy schoof de produkten heen-en-weer, en schiep 'n handelsbeweging, en vergat daarby zelfs de crises niet. Bonifaz had er 't recht begrip niet van, en schopte wel-eens 'n stock of entrept uit elkaar op 'n manier die gevoegelyk kon doorgaan voor 'n revolutie, die dan door Wouter zoo goed mogelyk by z'n overleggingen werd in rekening gebracht. Weldra was-i dan ook met de oplossing van 't fameuze probleem gereed, en hy verlangde naar 't oogenblik dat-i onder de oogen zyner dame... du jour, z'n tegenstanders uit het zadel ligten zou. Laat zien wat er verder gebeuren moest. Keizer Kopperlith stond hem de helft van z'n ryk af, met de hand zyner schoondochter Julie, die den hemel danken zou dat ze verlost was uit de onwaardige ketenen van den pseudo-ridder Pompile. Zeer wel, maar hoe triumfeerend ook, Wouter schonk hem 't leven. Ook Eugne mocht blyven bestaan, en al de Kruckers, mits ze driemaal 't schoeisel kusten van Wouter's dame. n onzekerheid nog slechts hield den ridder die straks al z'n vyanden uit het veld zou slaan, in eenige spanning. Zoud-i z'n wapenfeit uitvoeren in eenvoudig proza of... nu ja, in verzen kwam hem de nederlaag des vyands verpletterender voor. En verplettering hadden ze verdiend! Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen stam? [9] Had men niet wat eerbied moeten voelen voor z'n prikkelende onbekendheid? Onze jongste bediende, onze jongste bediende! had wapenkoning Pompile geroepen... welnu, waarom bezat alleen de edele Julia - god zegene haar! - roman-takt genoeg, en lektuur-bedrevenheid en tournooi-instinkt, om onder 't palletootje van den kantoorklerk 'n kampvechter te vermoeden van den eersten rang? Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen? [10] Te-wapen, te-wapen! riep alles Wouter toe. Jongste-bediende... hm! Ik zl ze bedienen, jong of oud dan, maar bedienen zl ik ze! En aan de wereld en m'n Dame wil ik toonen... sakkerloot!

Hier kwam een der meiden berichten dat de jongeheer Bonifaz aan-tafel werd geroepen, en Pieterse mocht zoo goed zyn, meetekomen. Wouter stapte met opgeheven hoofd en saamgeknepen vuisten de kamer in, waar 't gezelschap dineeren zou. By 't binnentreden kon-i zich niet weerhouden, Julie een blik toetewerpen die zooveel zeggen wilde als: wees gerust, dame van m'n hart, ik heb uw noodkreet verstaan en zal den goeden stryd stryden. De hoofdzaak ligt in de verhouding tusschen wittegrondjes-driekleur en hollandsche kaas... wees gerust: uw ridder is hier!

Dat Julie hiervan niets begreep, zou te veel beweerd zyn. Ze zag den heelen Wouter niet, en kon zich dus onmogelyk schuldig maken aan wanbegrip omtrent z'n bedoelingen. Hy gloeide als 'n kool en brandde van strydlust, maar... hoe z'n wysheid aan-den-man te brengen? Eigenlyk was 't Julie's plicht geweest hem op den weg te helpen. Maar ze hield zich of de heele zaak haar glad ontgaan was! Zoo zyn die edelvrouwen! Eerst lokken zy 'n ridder op allergevaarlykst terrein... ze winden hem op tot ylhoofdigen lust om te-gronde te gaan in haar dienst, en dan... wel, ze laten hem over aan zichzelf! Lieve hemel, domme Julie, begryp je dan niet dat Wouter daar zit te wachten op 'n blik? Och, och, och... als-i maar door 't eerste woord heen was!

Dat eerste woord liet zich niet gemakkelyk aanhechten. Wouter bespiedde elke uiting, elken klank, maar... helaas! Wel begon-i 'n paar keer: de wisselkoers, m'nheer... maar de woorden stikten hem in de keel. Het spreekt vanzelf dat de spyzen uitstekend waren, maar wat baatte dit hm? De ligtzinnige Julie stelde zich aan alsof ze nooit 'n ridder op post had gezet. Ze lachte, ze keuvelde, ze ginnegapte, ze vermaakte het gezelschap met haar naiveteit - of met de onnoozelheid die daarvoor doorging - en sloeg geen acht op haar aanstaanden bevryder uit de klauwen van 'n al te laag geboren echtgenoot. Wouter preekte zich voor, dat ze zyn standvastigheid op de proef wilde stellen. Zoo-iets was meer geschied, meende hy.

De tafelgesprekken waren van de bekende gewichtige soort.

De oudeheer begon weldra luidruchtig te worden, en den toon aanteslaan, dien Wouter had leeren kennen by z'n namiddagbezoeken op 't kantoor. Zelfs tot hm richtte de oude babbelaar 't woord, natuurlyk tot groote ergernis van Pompile, die telkens beproefde den vloed van papa's spraakzaamheid te doen afloopen in voornamer bedding.  

- En jy, mannetje, zeg jy nu eens hoe 't je buiten bevalt? Want, jongen, je bent nu... buiten! Verbeeld je, m'nheer Krucker, hy meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort! [11] Hi, hi, hi, dt meende-n-i!

De Kruckers vonden dit byzonder dwaas.

- En zeg nu nogeens hoeveel je wel dacht dat de jongeheer Flodoard te Rome verteerde in 'n heel jaar! Neen, stil, Pompile, laat 'm begaan! Luister, m'nheer Krucker! In 'n heel jaar, weetje! M'n zoon Flodoard te Rome!

- Maar, papa...

- Stil, Pompile! Wel, mannetje, spreek op! Laat m'nheer Krucker dt eens hooren.

Wouter zweette. Hy zocht Julie's oogen te ontmoeten, maar 't lukte niet. In-godsnaam! Mt of zonder aanmoediging zyner dame dan, vr z'n dame:

- De wisselkoers, m'nheer....

- Nn, dt is nu de vraag niet! M'nheer Krucker wou zoo graag weten hoeveel je dacht dat m'n zoon Flodoard.... te Rome....

Pompile viel z'n vader in de rede, en had het geluk hem ditmaal van z'n belangryken topic aftebrengen. Ook een der Kruckers hielp 'n handje, door met roerende belangstelling naar tyding van Leon te vragen.

- Hy maakt het uitstekend, zei de oudeheer, uitstekend! Zou je wel gelooven, m'nheer Krucker, dat-i al 'n titel heeft van.... o, zoo'n langen titel! En.... hy is weledelgestreng, wat zeg je daarvan? Wel.... e.... del.... ge.... streng, m'nheer Krucker! Is 't niet waar, Pompile?

- O ja, papa!

- En hy schryft fameus-mooie brieven! Pompile, je moet m'nheer Krucker eens zoo'n brief van Leon laten zien.

- Zeker, papa!

- En, uw zoon de zeeofficier, m'nheer Kopperlith?

- Die was volgens de laatste berichten te.... te.... hoe heet het ook weer, Pompile?

- Te Amboina, papa.

- Juist! En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den gouverneur. Van.... den.... gouverneur! [12]

De arme Kruckers kwamen verbazing te-kort. Wouter voelde dat ze hier 'n bewerking ondergingen, van de soort die men op hm had toegepast, toen-i flauw moest vallen van bewondering over de vorstelyke uitgaven van Signore Flodoardo. En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep. [13] Zoolang hyzelf maar patient was, belette hem z'n verlegenheid om 't kinderachtige van die hoogheidsjacht behoorlyk te vatten. Maar nu hy op 't gelaat der gasten iets meende te ontdekken dat naar spot geleek, viel hem 't drdenken iets gemakkelyker. Ook zonder terugzicht op den schipbreuk dien 't heele gezelschap geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar Buiten en eigen rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden. [14] Hy kon de vergelyking met den onderhoudenden gezonden toon die er by de Holsma's heerschte, niet terugdringen, en ze viel zeer ten-nadeele van z'n heeren patroons uit. Ook maatschappelyk bleken zy eigenlyk geen recht te hebben op de vergoding die hun door ng lager geplaatsten werd toegebracht, want al ware het dat rykdom grond gaf tot zoo groote vereering, eilieve, hoe plat burgerlyk was de inrichting van het huis, hoe prozasch die mangelkamer, hoe bekrompen dat achterbakje van de britschka, hoe kleingeestig die bekommering over 'n hoededoos en 'n mand met soezen, hoe kinderachtig dat onophoudelyk streven naar verheffing op.... niemendal! De jongeheer Rodomont had gedanst met de dochter van 'n gouverneur.... gouverneur van wt, eigenlyk? Lieve hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet grootsch op. [15] Hengelden zy naar bewondering van hun hoogheid? Erkenden ze niet zelfs, zonder noodzaak en zonder schaamte, dat de eenvoudige Femke na aan hen verwant was.... zy, 'n waschmeisje!

Maar hier brak Wouter z'n gedachtenloop af. Dit geschiedde telkens zoodra haar beeld zich aan hem vertoonde. Elke herinnering uit den heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt. [16] Het liefelyke deed hem zr, en hy voelde slechts kracht tot de eigenaardige zwakheid die den naam draagt van wrevel: die Kopperliths! Het duurde dan ook niet lang voor zich deze stemming duidelyker op z'n gelaat vertoonde dan in deftig gezelschap geoorloofd is. Hy kneep de lippen op elkander, en zag een der Kruckers - die 't niet helpen kon! - uitdagend aan. Maar men gunde hem de eer niet, naar de reden van z'n zuurkyken te vragen. Waarschynlyk zelfs had niemand daarop acht geslagen, en juist deze verwaarloozing stemde hem bitterder dan ooit. Hy was woedend en had lust in.... vechten. Met wien? Met allen tegelyk, als 't wezen kon. Met Bonifaz en den oudeheer, met Pompile, de Kruckers, Eugne, de juffrouw en Hersilie. Met al wat 'n eigen Buiten had, en wat er geen had. Met de heele wereld, ziedaar!  

Hoe onrechtvaardig ook deze stemming was, het zal den weldenkenden beschouwer van z'n zielegeschiedenis aangenaam wezen te ontwaren dat-i nog iets anders was dan kinderlyk en goedig alleen. Het werd waarlyk tyd.

*) Noot van 1879. Tallooze keeren wendde ik my tot zoogenaamd-deskundigen om eenige inlichting over de oorzaken van de sedert eenige jaren in geheel Europa heerschende malaise op financieel en industrieel gebied, doch 't mocht me tot-nog-toe niet gelukken 'n bevredigend antwoord te ontvangen. [17] Er bleek me telkens dat de heeren van 't vak f zich vergenoegden met het verwarren van de begrippen oorzaak en naastliggende aanleiding, f dat ze over 't gansche verschynsel niet eens hadden nagedacht. [18] In redevoeringen van geachte leden moet men geen licht zoeken. Volgens die heeren ligt de schuld van zulke dingen eens-voor-al aan die vervloekte andere party. [19]  


[1] Gedurende de gesprekken die hy zoo-even bywoonde, was voor 't eerst de gedachte in hem opgekomen dat-i was aangeland in 'n kring van zeer onontwikkelde menschen.

Wouter verkeerde nu toch al enkele maanden alle werkdagen bij de fa. Ouwetyd & Kopperlith, zodat dit me wat traag voorkomt, voor iemand die zo bijzonder intelligent is. Aan de andere kant: Hij is nog aan het opgroeien, en de overgang van school naar dienstbetrekking is inderdaad nogal radikaal.
 


 [2]  Hoe, dacht hy, die volwassen menschen, die ryke menschen, die aanzienlyke menschen, weten geen reden te geven van 'n verschynsel dat zich dagelyks aan hun waarneming opdringt?

Dit is een goede vraag, maar het is ook een feit dat dit vrijwel lles geldt wat een mens waarneemt, want over alles dat men ziet, hoort, ruikt etc. is veel onbekend, inclusief waarom men ze waarneemt zoals men dat doet.

Waar Wouter echter gelijk in heeft is dat de meeste mensen zich vanaf hun puberteit of vroege adolescentie overwegend opsluiten in het wereld- en mens-beeld dat ze dan verwerven, en daarna niet veel belangstelling meer hebben voor de werkelijkheid waarin ze leven, omdat ze effectief menen dat ze er genoeg van weten.

Voor de overgrote meerderheid is "kennis" overwegend instrumenteel en sociaal: Weten wat en hoe men moet handelen om iets te krijgen dat men wil, en geloven en doen wat gebruikelijk is, als een waarachtige Romein ("if in Rome, do as the Romans do") en echt conformist, met een aangepastheid die uit welbegrepen eigenbelang of waarachtige overtuiging voortkomt.
 


[3] Die Julie.... o goden, was zy 't niet die zich eenmaal verwaardigde hem te behandelen als 'n persoon, door hem z'n gevoelen te vragen over haar liggenden jachthond?

Ja, hier zit het verschil tussen als persoon behandeld worden, of alleen als rol: Dat men aangesproken wordt op ideen, waarden of oordelen die buiten de rol vallen die men op dat moment speelt.
 


[4] .. het terug-erlangen ..

Enigermate letterkundig: De term "erlangen" verschijnt mij als een germanisme, en betekent hier "verkrijgen". Hoewel Multatuli feitelijk overwegend in Duitsland woonde toen hij de Ideen schreef is het, ook gezien het vele Frans en Latijn in zijn teksten, nogal opvallend dat er weinig Duits in te vinden is, en ook weinig germanismes. "Erlangen" is er kennelijk wel n, maar het lijkt ook waar dat het in M.'s tijd vaker gebruikt werd door andere Nederlanders, voor "verkrijgen" of "bereiken".
 


[5] Het vraagstuk waarmee ons heldje zich bezighield, hoe eenvoudig ook inderdaad - zooals de meeste vraagstukken - is werkelyk 'n struikelblok voor veel geldmannen en zoogenaamde ekonomisten.

Dat laatste betwijfel ik in ieder geval, en het eerste eigenlijk ook, want er zijn al vele eeuwen wissels. Uiteindelijk gaat het om kredietwaardigheid, en geldmannen en economen weten daar wel iets van.
 


 [6] Overal zal den oplettenden waarnemer blyken dat het begrypen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort

M. meende dat hij, als genie (77, 1002), een speciale gave had voor "het begrypen van eenvoudige waarheden", maar dat lijkt me overwegend onwaar. Immers, als het waar was dan had hij een lijstje van onondekte "eenvoudige waarheden" in de Ideen of elders kunnen geven, en hij deed dat niet, of nauwelijks, al is "de Javaan wordt mishandeld" is een enigiszins plausibele kandidaat.

Het is natuurlijk wel waar dat M. veel intelligenter was dan vrijwel al z'n land- en tijdgenoten, en zowel zeer scherpzinnig was als buitengewoon goed kon formuleren. Maar wat Multatuli het meest effectief aan de kaak stelde waren toch veel eerder de gewone leugens waarop de Nederlandse maatschappij, godsdiensten, koloniale praktijken, en uitbuiting van de werkende stand gevestigd waren - en dit is geheel in overeenstemming met Multatuli's bedoeling met de Iden.

En het is ook waar dat Multatuli met z'n groot vermogen tot het aan de kaak stellen en doorzien van gewone leugens en gebruikelijke illusies een talent toonde voor "het begrypen van eenvoudige waarheden", logisch gesproken.
 


[7] .. en de eigenaardige richting van z'n geest - geheel-en-al uitvloeisel van 'n karakter dat slechts vrede had met eenvoudige waarheid ..

Ook dit is iets wat M. over zichzelf dacht. Mijn eigen opvatting - zie ook 77 - is anders: Hij was zo ongebruikelijk intelligent dat hij allerlei moeilijkheden onderkende met vele bewerinigen die in zijn tijd doorgingen voor "eenvoudige waarheid" maar feitelijk gewoon politieke, religieuze of morele vooroordelen waren die de zeer velen die veel dommer waren dan M. als vanzelfsprekend en onproblematisch waar onderwezen hadden gekregen en overwegend geaccepteerd hadden.
 


[8] de primitiviteit van opvatting, waaraan alle vraagstukken - ook de moralistische - behooren getoetst te worden.

Nee. Het is weliswaar een rationeel streven om te proberen z'n oordelen te herleiden tot axioma's of grondwaarheden of eerste aannames, maar vooral in het "moralistische" leidt dit heel makkelijk tot problemen, fanatisme, of het invoeren van geloofswaarheden.

En eenvoudige waarheden die zeer velen - van sterk geloof - niet willen zien is dat men zich kan vergissen, dat men veel niet weet, dat men niet alle relevante evidentie kent etc. 
 


[9] Was 't onheusch of niet van al die verwaten ridders, zoo prat op hun lynwaden en kurken, de romantische mogelykheid voorby te zien dat de jonge schildknaap zonder geslachtswapen of uithangbord, misschien de inkognite spruit wezen kon van edelen stam?

Als de Onechte Zoon uit Kotzebue's toneelstuk, waar Wouter over leerde in 1049c of zoals Wouter zelfde droomde in 405-412.
 


[10] Waren ze dan doof en blind en idioot, al die anderen?

Ik zou zeggen dat het juiste antwoord moet zijn: Vergeleken met Wouter helaas wel. Hetzelfde gold Multatuli, zoals hij tot zijn afgrijzen leerde. (Zie o.a. Ideen IV)
 


[11] Verbeeld je, m'nheer Krucker, hy meende dat-i buiten was op den singel by de Aschpoort!

Hier gebruikt ook de oude Kopperlith de term "Aschpoort" voor wat feitelijk - leerden we in 363 - de Raam- of Zaag-poort was. Was de term gebruikelijk, of vergist M. zich hier?
 


[12] En, m'nheer Krucker, weetje wat-i daar gedaan heeft? Hy heeft er gedanst met de dochter van den gouverneur. Van.... den.... gouverneur!

We mogen aannemen dat dit voor M. niets bijzonders was, en misschien een persoonlijke toespeling op iets is.
 


[13] En deze opmerking bracht hem 'n stapje verder in menschkunde, of liever ze deelde hem den moed mee om te erkennen wat-i begreep.

Dit is een heel zinnig onderscheid, niet alleen omdat er regelmatig enige moed nodig is om iets te onderkennen of willen weten, maar ook omdat heel veel vooroordelen in stand worden gehouden door dat de bevooroordeelden weigeren evidentie onder ogen te zien waarvan ze feitelijk wel het bestaan kennen. 
 


[14] Ook zonder terugzicht op den schipbreuk dien 't heele gezelschap geleden had in de opheldering van de koerskwestie, begon hy de mogelykheid intezien, dat die heele familie Kopperlith met haar Buiten en eigen rytuig en verdere voornaamhedens, wel eens veel lager konden staan dan ze voorgaven en dan door anderen scheen geloofd te worden.

We hadden al geleerd dat de Kopperliths volgens het Pennewipse classificatie-systeem bijna tot dezelfde stand als Wouter behoorden, al woonden ze op de Keizersgracht, wat echter weer volgens M. niet geheel waar was. En het is ook van enigszins twijfelachtige consistentie dat M. in Ideen VI (zie 1152) de Amsterdamse renomme van de Kopperliths nodig had om prinses Erika te doen helpen.
 


[15] Lieve hemel, de Holsma's hadden prinsessen in hun familie, en waren er niet grootsch op.

Ja, maar doen alsof je niet groots bent is k mogelijk, en de Holsma's gingen wel degelijk, en vergezeld van Wouter, naar de Stadsschouwburg om hun nichtje de prinses te zien. Zie 1176.
 


[16] Elke herinnering uit den heldentyd van z'n ziel maakte hem den indruk van snerpend verwyt.

Voor de "heldentyd van z'n ziel" zie 74: Het is de kindertijd, en de enige tijd dat gewone mensen zich geven zoals ze werkelijk zijn, denken en voelen, afgezien van tijden van dronkenschap, waanzin, en grote emotionaliteit in volwassenheid. Volwassen worden is leren jezelf te vervalsen. Zie ook 1185.
 


[17] Tallooze keeren wendde ik my tot zoogenaamd-deskundigen om eenige inlichting over de oorzaken van de sedert eenige jaren in geheel Europa heerschende malaise op financieel en industrieel gebied, doch 't mocht me tot-nog-toe niet gelukken 'n bevredigend antwoord te ontvangen.

Misschien omdat het zo ging als met het gewicht van de vissen van Karel Stuart (zie 542): Omdat het niet slechter maar economisch beter ging. Ik meen namelijk begrepen te hebben dat het de Nederlandse en europese economie beter ging vanaf ca. 1870, wellicht als gevolg van de Frans-Duitse oorlog of de vereniging van Duitsland onder Bismarck, en zeker mede als gevolg van de ontwikkeling van de natuurwetenschap.

Het is wl waar dat de wetenschap der economie toen en nu niet genoeg voorstelt om het economisch functioneren van een maatschappij zowel behoorlijk te verklaren als te voorspellen.
 


[18] Er bleek me telkens dat de heeren van 't vak f zich vergenoegden met het verwarren van de begrippen oorzaak en naastliggende aanleiding, f dat ze over 't gansche verschynsel niet eens hadden nagedacht.

Dat is mogelijk, maar het geven van een behoorlijke definitie van "oorzaak" is niet makkelijk (wie het interesseert kan te rade gaan bij Mario Bunge: "Causality"), om van "aanleiding" niet te spreken.
 


[19] In redevoeringen van geachte leden moet men geen licht zoeken. Volgens die heeren ligt de schuld van zulke dingen eens-voor-al aan die vervloekte andere party.

Dit is nog steeds zo, en n reden waarom parlementaire demokratie uitdraait op een gespindokterd web van leugens voor de domme massa, die de meerderheid heeft in 't stemhokje. (Zie 118 en 119.)

Idee 1246.