Idee 1245.                                                


Merkwaardige genoegens van het
Buitenleven. Treurig uiteinde van 'n romantischen droom over wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter gaat de wereld in om zeven gulden dertien te zoeken.

Ik moet erkennen dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem in die mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja byna wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling die 't ‘Buiten-zyn’ hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n ondeugend knaapje de rol van hobbel-surrogaat te vervullen, was noch landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, noch zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit wezen zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n Optrek. Maar teleurstellingen van dezen aard had hy sedert eenigen tyd zoo véél ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins was gewoon geraakt. De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden. [1] Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor ‘de wereld’ houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk maakten. [2] De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan 't verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen. [3]


[1] De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden.

Dit is in ieder geval fraai verwoord, en het behoort opgemerkt te worden, ook met verwijzing naar 74, 136 en 276, dat pubers en adolescenten een moeilijke taak hebben, gedwongen als ze zijn de gewoonlijk veilige en verzorgde kinderwereld te verlaten, en begrippen en waarden te verwerven die ze in staat stellen te overleven tussen volwassenen, en mee te doen met het gewone maatschappelijk leven. De gewone gang lijkt hier inderdaad neer te komen op het overwegend afsnijden of ombrengen van de kinderlijke spontaniteit en fantasie, en het vervangen daarvan door conventionele begrippen en doelen, die in meerderheid leugens of lege frases zijn, maar gewoonlijk wel geloofd of uitgedragen worden alsof ze iets zeer bijzonders, geldigs en belangrijks zijn. 
 


[2] Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat hy voor ‘de wereld’ houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't andere dragelyk maakten.

Ik wees er al op onder [1], en het lijkt een nogal normale ervaring voor pubers en adolescenten, waarvoor zie 74 en, ter verklaring, de reeks commentaren over rollen, met een handzame ingang met veel links en wat definities, achtergronden en literatuurverwijzigingen in 1211.
 


[3] De oorzaak dezer ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan 't verschil tusschen werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte vatbaarheid om dat werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.

Kortom: Wouter is ziek qua Wouter, om het eens zo uit te drukken. Hij is zijn kinderlijke fantasie kwijt. Overigens is er in de ideen die in dit en het volgende hoofdstuk volgen een behoorlijk goede analogie met Multatuli's eigen positie. Zie hiervoor in het bijzonder 1248 en 1249

Idee 1245.