Merkwaardige genoegens
van het
Buitenleven. Treurig uiteinde van 'n romantischen droom over
wisselkoers, en van 'n parasol. Wouter gaat de wereld in om
zeven gulden dertien te zoeken.
Ik moet erkennen
dat onze Wouter niet zeer ingenomen was met den hem in die
mangelkamer aangewezen werkkring. Hy voelde zich verdrietig, ja byna
wrevelig. Hoewel dit niemand zal verwonderen, geloof ik toch niet
dat de ware oorzaak van deze in hem ongewone stemming den
oppervlakkigen beschouwer helder voor oogen ligt. In-verband met
sommige opmerkingen in het vorig hoofdstuk, zou men allicht geneigd
wezen z'n verdriet uitsluitend toeteschryven aan de teleurstelling
die 't ‘Buiten-zyn’ hem berokkende. Zeker, de roeping om by 'n
ondeugend knaapje de rol van hobbel-surrogaat te vervullen, was noch
landelyk, noch idyllisch, noch romantisch, noch ridderlyk, noch
zielverheffend, en Wouter nam zich dan ook ernstig voor, andere
soorten van vermaak uittedenken zoodra hyzelf eenmaal in 't bezit
wezen zou van 'n Buitenplaats, of al was 't dan maar van 'n
Optrek. Maar teleurstellingen van dezen aard had hy sedert
eenigen tyd zoo véél ondervonden, dat hy daaraan reeds eenigszins
was gewoon geraakt. De bloemen zyner fantazie waren verlept en
geurloos geworden. [1] Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin
hy gekomen was met wat hy voor ‘de wereld’ houden moest, zoo geheel
iets anders dan hy zich daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de
oogen afwendde van de droombeelden die vroeger z'n inwendig leven
schoon, en daardoor 't andere dragelyk maakten. [2] De oorzaak dezer
ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan 't verschil tusschen
werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte vatbaarheid om dat
werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.
[3]
[1]
De bloemen zyner fantazie waren verlept en geurloos geworden.
Dit is in ieder geval fraai verwoord,
en het behoort opgemerkt te worden, ook met verwijzing naar
74, 136 en
276, dat pubers en adolescenten een moeilijke taak hebben, gedwongen
als ze zijn de gewoonlijk veilige en verzorgde kinderwereld te
verlaten, en begrippen en waarden te verwerven die ze in staat stellen
te overleven tussen volwassenen, en mee te doen met het gewone
maatschappelijk leven. De gewone gang lijkt hier inderdaad neer te
komen op het overwegend afsnijden of ombrengen van de kinderlijke
spontaniteit en fantasie, en het vervangen daarvan door conventionele
begrippen en doelen, die in meerderheid leugens of lege frases zijn,
maar gewoonlijk wel geloofd of uitgedragen worden alsof ze iets zeer bijzonders, geldigs en
belangrijks zijn.
[2]
Tot-nog-toe leverde hem elke aanraking waarin hy gekomen was met wat
hy voor ‘de wereld’ houden moest, zoo geheel iets anders dan hy zich
daarvan had voorgesteld, dat-i moedeloos de oogen afwendde van de
droombeelden die vroeger z'n inwendig leven schoon, en daardoor 't
andere dragelyk maakten.
Ik
wees er al op onder [1], en het lijkt een nogal
normale ervaring voor pubers en adolescenten, waarvoor zie
74 en, ter verklaring, de reeks
commentaren over rollen, met een handzame ingang met veel links en wat
definities, achtergronden en literatuurverwijzigingen in
1211.
[3] De oorzaak dezer
ontrouw aan zichzelf, lag evenwel minder aan 't verschil tusschen
werkelykheid en illuzie, dan aan z'n geknakte vatbaarheid om dat
werkelyke te kleuren en optesieren, of des-noods te vervormen.
Kortom: Wouter is ziek qua Wouter, om
het eens zo uit te drukken. Hij is zijn kinderlijke fantasie kwijt.
Overigens is er in de ideen die in dit en het volgende hoofdstuk volgen een behoorlijk
goede analogie met Multatuli's eigen positie. Zie hiervoor in het
bijzonder 1248 en 1249.