Idee 1240.                                                


Het zou me niet moeielyk vallen, m'n hoogstongunstige meening over de levenswys onzer ouwelu met bewyzen te staven. En deze bewyzen behoef ik niet te putten uit spektatoriale geschriften alleen, die zedenmeesterend optreden met afkeuring en vermaningen. Ik vind ze juist in de kreupele lofdichten en tafellikkende rymelary van die dagen. Hoogstens neem ik als waar aan, wat er verzekerd wordt van de sommen die men aan spys en drank ten-koste legde, al zy 't dan dat ook deze uitgaven slechts byzonder hoog schenen in de oogen van hongerlyers. Van eigenlyk gezegde weelde, uit de verte gelykende naar die welke de wereldgeschiedenis in zekere perioden geboekstaafd heeft, was in 't bekrompen Nederland nooit spraak. 

Doch al missen we hier - en zonder spyt, waarlyk! - Lucullische overdaad en zotterny, toch werd er genoeg werk gemaakt van de keuken, om te doen blyken hoe weinig karakter en temperament er kan overgebleven zyn voor genietingen van verhevener aard. Met de verstandelyke ontwikkeling moet het sobertjes gesteld zyn geweest. Ik vraag wat de dagelyksche uitspanning van den geest kan hebben uitgemaakt by menschen die zich op hoogtyden vermaakten met de rymelary der prulpoten van die dagen? [1] Deze opmerking is tevens van toepassing op vroeger tyden, al zy 't dan niet in gelyke maat. Wat er van de verlustigingen op 't Muider Slot tot ons kwam, boezemt my geen hoog denkbeeld in van 't zielevoedsel waarmee Hooft en z'n geestverwanten tevreden waren in hun nverlustige uurtjes. Ik weet zeer goed dat velen hierover anders denken *) of liever dat velen zich nog altyd opdringen, fyn geestelyk levensgenot te vinden in 't gerymel en de redekavelingen van den Muider Kring. My komen al die dingen voor als monumenten van wansmaak, als noodkreten van allerdeftigst gedragen verveling, en ik voed hoop dat eerlang 't nu opluikend jong geslacht hieromtrent van myn meening wezen zal. [2] Zullen tegen dien tyd de letterprofessers die jaar-en-dag de voortreffelykheid van die oude dagen bedoceerden, aftreden? Of zullen zy den moed hebben, hun studenten te vergasten op 'n eerlyk me culp:

Beste jongens, wel beschouwd, vind ik de vrpruiksche wawelary niet veel pittiger dan die uit den pruikentyd-zelf! Weg daarmee, en... laten wy 't ronduit erkennen: onze letterkunde is faire! Helpt 'n handje!

Zeer wel! Maar we moeten ons haasten. We loopen gevaar optehouden 'n zelfstandig Volk te zyn, voor we 'r in slaagden door 't scheppen van 'n inderdaad nationale litteratuur, 'n zelfstandig Volk te wrden. [3]

*) Een der oorzaken van de ophemelary der letterkundige produkten van die dagen, meen ik in 657 te hebben aangewezen. Ook in dezen bundel (1269) komt een-en-ander voor, dat ter toelichting dienen kan. Tot m'n genoegen bemerkte ik onlangs, in m'n oordeel over zekere stukken uit vroeger tyd niet zoo alleen te staan als ik wel eens gevreesd had. Men leze in het tydschrift Nederland (1877, Nrs 8 en 9) de kritiek waaraan Prof. Jorissen den Gysbrecht van Vondel onderwerpt. Vivat sequens! Is de heer Jorissen al gesteenigd?


[1] Ik vraag wat de dagelyksche uitspanning van den geest kan hebben uitgemaakt by menschen die zich op hoogtyden vermaakten met de rymelary der prulpoten van die dagen?

Ik vrees dat ze zich niet "vermaakten" maar ook geen bezwaren hadden tegen "de rymelary der prulpoten van die dagen". In feite zullen ze zich er in meerderheid tegen verhouden hebben als toondoven tegen muziek: 't Zal wel mooi zijn als iedereen 't zegt.
 


[2] My komen al die dingen voor als monumenten van wansmaak, als noodkreten van allerdeftigst gedragen verveling, en ik voed hoop dat eerlang 't nu opluikend jong geslacht hieromtrent van myn meening wezen zal.

Een lezer van mijn site heeft mij de volgende fraaie ontboezeming toegezonden van "Een blik, geen 'blaam' op Nerlands pozy. Hekeldicht. Utrecht, 1841." dat hier verdient weergegeven te worden, omdat het laat zien dat Multatuli niet geheel alleen stond, en ook omdat wat volgt overeenkomt met mijn eigen gevoelens en ervaringen. Het lijkt wellicht wat lang, maar daar staat tegenover dat het waarachtig, zinnig, eerlijk, rijmend en smaakvol is. Ook heb ik 14 noten onderdrukt voor 't leesgemak. Ik neem de gehele tekst hier op vooral omdat het me verblijdt dat niet iedereen in Nederland dankbaar em jubelend van waarachtig kunstgenot door de knien ging voor Bilderdijkiaanse (1053 e.v.) en overige ellende-pozie.

Anoniem:
   Een blik, geen 'blaam' op Nerlands pozy.

Dr, waar voorheen de schoonste en stoutste Hemelval
In zielbetoovrend maatgeluid - n berg n dal
n Aarde n Hemelrijk verrukkingvol deed luisteren;
En woud- en roofgedrocht in hol en krocht deed kluisteren
Dr waar weleer de stem der Godenpozy
Zich hooren liet in onnavolgbre melody:
Heeft thands een Midaskroost zijn zetel zich verkoren,
En bromt ons dag en nacht zijn jammerklank in de ooren:
Een eeuwig huilend, krassend raaf- en uilgebroed,
Dat ons gevoel en ziel met huivring ijzen doet,-
Het niet door wansmaak reeds bedorven hart doet rillen,
En door zijn schril geluid ons 't stroomend bloed doet stillen.

Voor eeuwig is de tijd (die gulden tijd!) voorby,
Toen nog een BILDERDIJK, in keur van Pozy,
Aan ons den Ondergang der eerste wareld maalde,-
En, als der dichtren vorst, in Nerlands zangchoor praalde:
En door zijn Zangen zelfs een steenen hart bewoog,
En tranen perste uit 't vroeger nooit bevochtigd oog;
En, als een GODSGEZANT, dien elk in hem bewonderde,
Een diep verdwaasd geslacht Gods wraak in de ooren donderde.-
Die tijd, toen nog een LOOTS den Burgerstand bezong,
En door den lof op Hollands taal zijn roem voldong,-
Toen nog een HELMERS door verheven Bardenzangen
Het vaderlandsche hart aan 't Vaderland deed hangen.-
Toen nog een edel, een verbroederd dichtrenpaar
De zielen streelde door de zachtstgestemde snaar.-
Toen TOLLENS ons nog bracht naar Nova Zemblaas streken,
En 't ongevoeligst hart ontroerde, ...neen! deed breken!
Toen SPANDAW nog de Vrouw, de lieve vrouw bezong:
En MELPOMENE ons door WISELIUS nog dwong
Heur thands ontcierd, bouwvallig Tempelsticht te naderen:
En toen VAN HALL, wien 't jonglingsvuur nog stroomt door de aderen,
Om naar tonen luistren deed. Toen nog een FEITH
Het Graf ons schetste in al heur doodsche majesteit;
En minnenden het diepst geheim der Min deed kennen:
En toen nog LULOFS roeide op onverzwakte pennen.-
Toen KINKER nog het brein deed werken door zijn zang,
En den verlichtsten geest niet zelden uren lang
In zijn ontwerp, als in een doolhof, m liet dwalen.-
Toen nog een STARING ons vergastte op zijn verhalen,
En gastvrij 't Heiligdom der Oudheid ons ontsloot,
En 's kenners oog een schat van wondre Schoonhen bood.
Toen nog DA COSTA door gewijde Pozye
Den bastartgeest bestreed der zielendwinlandye!
Toen... maar voor eeuwig is die gulden tijd daarhen!
En lachte ons nog een schoon Vooruitzicht toe... maar neen!
Allenkskens gaat het licht der Pozy (is 't wonder?)
Door wansmaak en bedorvenheid geheel ten onder!

Dat licht, weleer meer klaar dan de ongelijkbre glans
Der zon, wanneer zy aan d'azuren Hemeltrans,
Geheel het Aardrijk koestert door heur gulden stralen:
Dat licht ziet men van gloed ontbloot ten grave dalen;
Om door het duister van den schrikbren baaiertnacht
Te worden overschaduwd - en van al heur pracht
Ontcierd te worden door vorst Midas lijftrawanten,-
Die by heur ondergang hun vreugdevanen planten.

Waaraan is wel in de eerste plaats den ondergang
Der kunst te wijten? Aan 't laaghartig zelfbelang
Van letteroefenaars en Letterlievende ezels;
Die zich niet schamen (die ondichterlijke kwezels!)
Datgeen te prijzen wat verachting vloek en schand'
En ergernis verdient; terwijl hun onverstand
(De Gids, alleen de Gids zij hiervan uitgezonderd!)
Het rijmziek slavendom ten Hemel toe bewondert;
En wat nog 't kenmerk draagt van echte Pozy,
In hunne onwetenheid verslijt voor zotterny!
Daar 't niet harmoniert met hun armzalig lollen,
Wanneer zy met elkar als Maartsche katten krollen.

Waaraan is zoo al meer den ondergang der kunst
Te wijten? Aan de (slechts voor vrienden veile) gunst
Der Redacteurs van Albums, Jaar- en Prenteboekjens,
(Die men den kinder thands in plaats van krentekoekjens,
Amandelen of Allerhande of Marsepyn
In handen stopt, wanneer ze ondeugend, drensig zijn)
Die zich de wrangste vrucht in handen laten plakken
Door 't legio van dichterlijke kakkerlakken;

Waaronder 'k HALMAEL., WITHUIJS, BOXMAN niet bedoel,
En VINKELES - en die door dichterlijk gevoel,
Als LENNEP, HASEBROEK, TEN KATE, BEETS en ENGELEN
d'Onwelkbren eerlaurier zich om de slapen strengelen;
'k Bedoel ook HECKER en JANSONIUS niet hier,
En LESTERGEON, die van het gloeiendst dichtervier
Doortinteld, voor hun boven lof verheven Zangen
Der liefde ons aller en der Schoonen dank ontfangen:
Geen GOEVERNEUR, geen VAN DER HOOP, - verr' van daar!
Geen HOFDIJK, VAN DEN BERGH, DE KANTER, GREB, TER HAAR!
BERLAGE, MEIJER neen'; dat heir van grappenmakers
Dat door een noemloos tal van kunst- en smaakverzakers
En nachtwachts kermiswenschpoeten als omringd,
Door wat nog schoon is - uit den weg te ruimen dingt:
Dat, daar 't zich door een dom gemeen ziet ondersteunen,
Niet ophoudt ons het naarst gebrom in 't oor te dreunen:
Die nooit naar eisch vervloekten versjensmakersstoet,
Die PIET BODDAERT in gloria herleven doet.
Die rijmlaars die door zich, en elks gehoor te kwellen,
Zich-zelv' en 't Vaderland ten spot van Vreemden stellen.

De onteerde Muze kwijnt; zy smacht naar lafenis,
En treurt om wat te vroeg - haar wreed ontwoekerd is
Door 't graf. De glans die ns haar schittrend heeft omschenen,
Is thands in een bedrieglijk schemerlicht verdwenen!
's Nachts zwerft ze by de donkre grafspelonken rond
Van hen, door wie heur naam zich 't schoonst verheerlijkt vond
En waant zy nog den onvervalschten zang te hooren
Dier Godgewijden die, tot Zangers uitverkoren,
En van ondoofbren gloed en Englenlust doorblaakt,
De waarde van hun roeping kenden: nooit verzaakt!
Dan ziet men d'eigen glans wer op heur wezen throonen
En mengelt ze in den galm der hemelzoete tonen -
Die de Verbeelding slechts haar hooren doet, - heur zang;
Maar ach! de Wellust dier begoochling duurt niet lang:
Weldra is ze uitgedroomd, die schoonste harer droonjen;.
Want naauw heeft de ongewijde stoet heur stem vernomen,
En zijn vervloekenswaarde tonen uitgebraakt:
Of zy ontvlucht het graf der Heilgen en - ontwaakt.
Ontwaakt - om wreeder nog, veel wreeder dan te voren,
Een oorvliesscheurenden - een bastaartklank te hooren:
Schier duizend malen tot vervelens afgezaagd.

Wel vruchtloos, maar helaas! niet zonder ren geklaagd:
'o Nerland, voedstergrond der grootheid zijt gy 't heden?
Een droeve erinnring aan een glorierijk Voorleden
Herroept de beelden van een beter voorgeslacht,
Dat waardige offers op 't ontheiligd outer bracht
Van wetenschap en Kunst - van Hernelpozye,
Door 't onverstand verzaakt van 't kroost der Bastaardye,
Dat aan den laatsten gloed, die op uw bodem leeft,
Zich snood vergrijpend, thands den laatsten doodsteek geeft
Aan de uitgestorven kracht eens tevens, dat in 't leste
Den flaauwen schemerschijn verglommen ziet, die 't restte.
Beklagenswaarde om 't lot, waar u uw kroost in stiet!
Uw glorie zonk - te veel voortreflijks zonk in 't niet.
Een eeuw van wansmaak zwaait bedorven en vermetel
Den looden scepter der barbaarschheid; plant den zetel
Op uw ontwijden grond, en galmt den banvloek s gouden snaren
Te roeren?! Wat poet was ooit z stug van aard?
Hy waar' zijn adeldom (zegge ADELDOM) onwaard:
Veel liever wil hy nog zijn snaren laten springen -
Dan by gelegenheid geen liedtjen me te zingen;
Hy kan niet zwijgen; neen! volstrekt niet, want hy voelt
Hoe de onhedwingbre dichtvlam door zijn aadren woelt.

Wie lust heeft 't Heiligdom dier rijmlaars in te treden:
Dien zal ik ze en voor n zoo A... als Z... ontleden;
Met dit beding dat, 'k u hun echten naam verbloem,
En man voor man door slechts een enklen letter noem:

A... potastert om den tijd wat te verdrijven.
B... gaat zijn hond AZOR een Albumversjen schrijven.
C... peinst hoe hy zich 't best wel op een recensent
Die zijn Gedichten voor slechts 'misdruk' heeft gevent,
Zal wreken. D... zit insgelijks te practiseeren:
Hy wil zijn dierbre ge een Huuwljksvers vereeren,
Wanneer zy twalef jaar vereend zijn door den Echt:
Terwijl dat E... zijn liefje' een Bloemenkransjen vlecht.
F... maakt een Rouwzang op zijn pas gestorven broeder.
G... schrijft een Afscheidsvers aan vader en aan moeder,
Daar hy een reis gaat doen. H... schrijft aan zijn Papa -
I... aan een boezemvriend - en J... aan zijn Mama -
Een Nieu-we-jaar-wensch. K... zit zich het hoofd te breken
Met 't vers wat hy in 't leesgezelschap uit moet spreken.8
L... schrijft een vleiend vers aan zeker Stroornpoet;
Terwijl dat M... en N... zich werken in het zweet
Met het vervaardigen van Lier- en Welkomstzangen,
Waarme zij d'een of andren grooten HANS ontfangen,
Die weldra in de stad voor 't eerst zijn intre doet.
O... heeft het ijslijk drok met een Geboortegroet
Byeen te flansen. P... een dichrertjen op sloffen,
Maar hoogstgevoelig mensch, voelt zich de zielgetroffen
Door 't sterven van zijn over-overlieve vrouw:
Met wie hy dertig jaar vereend door Liefde en Trouw,
Den weg bewandeld heefi door 't ondermaansche leven.
Q... wil in 't grievend wee - hem wat verzachting geven.
En schrijft hem onverwijld een hartenroerend lied,
Dat leniging en troost - hem in zijn droefheid biedt.
R... repeteert een oud, versleten Elegietjen.
S... maakt op zijn manier een lief gezelschapsliedjen.
T... geeft ons Raadsels op, en wel in pozy:
En U... tracteett ons op nog andere lekkerny:
Hy schrijft een bondeltjen Gelegenhedsgedichtjens.
V... maakt Vertellingen in rijm, voor zoete wichtjens.
W.. schrijft een vinnig vers op het 'COGNAC MET ZOUT':
En 'wijl dat X... zich met den Spoorweg bezig houdt:
Gaan Y... en Z... die van 't vethevenst dichrvuur blaken,
Op Pruikenmakers en Coiffeurs paskwillen maken.-

A... wien het heldenvuur door hart en aadren vliet,
Schrijft, met gezwinden pas, een krachtig Wapenlied.
B... vloekt en dondert op de afvalligheid der Belgen;
En wil hen door zijn rijm met huid en hair verdelgen.
C... schrijft een krijgsmanslied ter eere van CHASSE:
En D... een Dankgebed by 't sluiten van de Vre.
E... geeft Gedichten uit op raad van GOEDE VRINDEN,
En laat ze netjens in cartonnen bandjen binden:
Voor eigen reekning. (want zijn boekverkooper vreest
Dat 't werk geen aftrek vindt) Elk die zijn verzen leest,
Staat gants verbaasd van 's mans potische talenten,
En roemt hem Hemelhoog; zoo ook zijn recensenten:
Maar n dier Heeren (zoo ik wel heb, is 't de Gids)
Noemt (ach!!!) zijn Pozy - 'prullaria': (vermits
De prosodie is veronachtzaamd, - de ilideering
Is over 't hoofd gezien: waardoor ook de enjambeering
Verknoeid is, en het vers door lamheid kreupel gaat:
Dat niets dan lappery en daaglijkschheid verraadt)
Ja is zelfs stout genoeg, hoe andren hem ook roemen:
In het gebied der Kunst - een vreemdling hem te noemen.
F... die het schoon geslacht dolgaarne aan zich verplicht,
Maakt op een lieve Maagd een smachtend lief Gedicht:
Hy roemt heur zijden halt, heur loddrig turende oogjens.
Heur fraaien Griekschen neus, heur gladde wenkbraauwboogjens.
Heur zachten blik, die elk het hart betoovren doet,
Heur zilverzachte stem, heur schuldeloos gemoed,
Heur vriendelijken lach, heur elpenwitte tandtjens,
De roozen op heur wang, heur fijne, poesle handtjens,
Heur... maar t verveelt mij al. G... doet bekentenis
In rijm, dat hy tot dichter niet geboren is:
En dat hy daarvan ook ten volle wel bewust is; -
Maar dat het dichten toch zijn leven en zijn lust is:
En dat hy daarom rijmt. H... een zeer arm poet,
Maakt ulevelenversjens dat hy hijgt en zweet.
L... schrijft een Prijsvraag uit in stijve Alexandrijnen.
J... ziet men op het dichterlijk toneel verschijnen
Met zoogenaamde geestelijke Pozy.
K... schrijft Verscheidenhen met Ernst en luim daarby.
En L... de bolleboos der Citadelpoeten.
(Wiens taal m' onlangs 'door waterzucht verslapt' dorst heeten,
En wien de borst voor 't heil van 't lieve Nerland blaakt)
Bromt Cytherklanken, dat het dondert, raast en kraakt!
M... door een vriend genood' om lekker eens te smullen
Op zijn verjaarfeest, - wil nu ook dien plicht vervullen,
Die ieder rijmelaar steeds heilig is geweest,
Wen hy genoodigd werd op een of ander feest.
Gherlandus 'meende al lang van woelende gedachten'
Zich ''t hoofd - en hart van drift er saamgekropt te ontvrachten.
Wat vloog de gal' hem 'door het laaie onstuimig bloed
By 't spoorloos klimmen van den Dagbladsovermoed.'
En daarom slingert hy, met kracht en dollen ijver,
Zijn dichterbliksems uit naar elken Dagbladschrijver:
En bergt hy zijn 'talent niet doelloos weg in 't ZAND (?!?!)
'Maar' stelt her 'aan de kaak ten heil van Vorst en Land.'
O... schrijft een Heilwensch aan tweejeugdige Echtelingen:
En P... Q... R... S... T... U... V... en W... die dingen
Voor een Medaille door 't TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN
Als eerprijs uitgeloofd voor een Gedicht: maar neen!
Laat 'k liever zeggen: zy beproeven hun talenten
In 't streven naar de vijf en twintig gouden centen,
Die by het EERMETAAL gevoegd zijn. X... een kwast,
Die beide: componist en dichter is, verrast
Ons met een Kermislied. Y... met Hansworstenkluchten:
En Z... die goede hals zit troosteloos te zuchten
Door 't sterven van zijn jongst, zoo veelbelovend Kind.

A... treurt by 't somber graf van zijn hoogst dierbren Vrind.
B... klaagt der Muzen dat men hem in zeker schotschrift
Heeft aangetast, maar dat hy zich vr boven 't spotschrift
Verheven voelt; hy wijdt zijn vers den predikant
Van P - - - een suf en rijmelziek Pedant;
En drukt op diens gerijm en laffe zotternye
't Onwraakbaar (!) stempelmerk van ware Pozye. -
C... schrijft een Liedtjen aan de nooit-volzongen Hoop;
En D... een Vers - toen hy zijn Kindtjen hield ten Doop.

Zoo zou 'k, wanneer ik my daartoe den tijd wou gunnen,
Geheel het alphabet nog ns doorloopen kunnen:... ...
Wat!? Eens?! Neen, allerminst nog wel eenmaal of tien;
Maar 't is al mooi genoeg; ik laat u maar eens zien
Hoe al die prullen, die gelegenheidspoeten
Voor alles wat men thands nog Pozy kan heeten,
De ware pest zijn. - Even als de Brandewijn
Des menschen lichaam ondermijnt door zijn venijn,
En spieren vezel doet verkrachten en verlammen,
En 't zuiver vlietend bloed in de aderen doet stremmen:
Zoo ook zijn zy de pest voor alles wat nog el
En schoon genoemd mag zijn; daar zich hun sperwerskeel
Al wijder openspart om zich te laten hooren,
En door hun dol geschreeuw de melody te smoren,
Des echten zangers, die voor hooger Wareld leeft,
En, als op Englenwiek, het aetherruim doorzweeft,
Om by de Hallels der GOD eeuwiglovende Engelen,
In hemelreinen toon zijn Hymnen saam te mengelen.
Neen, 't is geen Pozy: - een ijdle peelt:
Dan weer d' orkaan gelijkt, die, krachtig forsch gevezeld,
n lucht n wond n stroom n strand n klippen geesselt:

Ja! dat is Pozy: de Taal, wier bliksemgloed
De koude borst verwarmt, - het hart vermurwen doet,-
En de ingesluimerde en verkleumde ziel doet blaken;
En in een hoogte en beetre Wareld doet ontwaken!

Wat zeggen verzen, waarvan reeds de tytel pleit
Voor der Autheuren laf- en kinderachtigheid?
Die, gants ontbloot van zwier en stoutheid, vuur en leven,-
Van 's dichters flaauwheid ons het klaarste denkbeeld geven.
Een Pozy - die, vreemd van kracht en dichtergloed,
Den schrijver - zelv' by een herlezen geeuwen doet:
Ja, die ter breischool zelf, den speelsche, onnoosle kinderen
Doet schoudertrekken en vervelen, walgen, hinderen;
Die eens niet waard is dat men ze op een zeekre plaats
Tot zeker iets gebruikt: en die men thands (HELAAS!!!)
Ons aan te plakken zoekt voor echte Poezye!

Hier geldt het u, verachtlijk kroost der bastaardye!
Ontaarten! die noch eergevoel bezit noch schaamt';
Die onderling den val der Pozy beraamt:
Zeg, kent ge uw Dichtgod wel en negen Zangodessen,
Waarvan gy immer ligt te snoeven en te zwetsen?
'k Geloof het waarlijk niet - dat ze aan u zijn bekend!
Zal ik ze u kennen doen? Uw Dichtgod is een vent
Van naastenby, naar 'k gis, zoo wat ruim zestig jaren;
Kort van postuur, van omtrek dik, heeft graauwe hairen;
Zijn oog, zijn beedlend oog dwingt ieder melij' af:
Waarom ik menigmaal hem een paar centen gaf;
Wanneer hy langs de Straat luidkeels riep: Zwa!-vel!-stok!-ken!-
Zwa!-ha!-vel!-stok!! ze branden goed in donkre hokken!'
Of wen ik hein ontmoette op de eene of andre sluis,
Als hy aan 't rijmen was voor t jeugdig schoolgespuis:
Hy is een rare snaak, - een recht potsierlijk klantjen!
In de Y-stad, waar hy resideert, noemt men hem: 'JANTJEN
DE RIJMER' en wordt hy gehouden voor een geest,
Wiens werga nimmer nog ter wareld is geweest.

Ziedaar uw Dichtgod! Wie nu zijn uw Zanggodinnen?
Zy, die al beedlend langs de Straat, heur broodjen winnen
Met liedtjens zingen: een verarmde vrouwenstoet
Die door heur armo mr het hart ons roeren doet,
Dan wel door heur gezang: een troepjen beedlaressen
In lompenkleed getooid; - ziedaar uw Zanggodessen!
Verwatenen! vervloekte schreeuwers! zoo ge wist
Dat gy door uw gebuik de dooden in de kist
Doet mmewentelen: en door uw potasteren
Den schoonsten klank verdooft: verdooft? neen, doet verbasteren,
En ons 't gehoor bederft, dat (aan den zuivren toon
Van TOLLENS, SPANDAW en DA COSTA eens gewoon,
En van WISELIUS) den klank niet kan verdragen,
Dien ge ons in de ooren brult die uw vervelend zagen
Reeds mr dan mo zijn: zoo ge wist dat nit uw naam
By 't nageslacht beroemd zal zijn: maar dat een blaam,
Een onuitwisbre blaam dien eeuwig zal beklijven:
Zeg, hieldt gy dan niet daadlijk p met verzen schrijven?
Ja, wy twijflen ook geen oogenblik daaraan;
Wilt tot uw eigen best' dees raad dan niet versmen:
Gaat voort, dolijvrig voort, niet vers by vers te rijmen,
En wilt ge ook al wat los en vast is saam gaan lijmen:
Wy zijn het u gegund; maar laat (dit bidden wy)
Voortaan de pers en ons van uw gekieskaauw vrij!!

Noemt gy nu allen! my een onbeschaamden rekel:
En haalt my op uw beurt eens duchtig door den hekel:
Ja, stelt ge ook my, als "waanziek lasteraar" ten toon!
Het stooten van een BOK - ben ik reeds lang gewoon!!

* Uit Een blik, geen 'blaam' op Nerlands pozy. Hekeldicht. Utrecht, 1841.
 


[3] Maar we moeten ons haasten. We loopen gevaar optehouden 'n zelfstandig Volk te zyn, voor we 'r in slaagden door 't scheppen van 'n inderdaad nationale litteratuur, 'n zelfstandig Volk te wrden.

Multatuli meende dat er goede redenen waren om te vrezen dat Bismarck Nederland wilde naasten, zoals hij ook allerlei Duitse hertog- en prins-dommetjes deed opgaan in het Duitse rijk. Hij had dit eerder uiteengezet in 1867 in wat ik z'n minste boek vind "Een en ander over Pruisen en Nederland". (Zie 217 voor een nogal revolutionair Multatuliaans citaat eruit.)

Idee 1240.