Idee 1235.                                                


't Was donderdag geweest en vrydag geworden, en Wouter werd, op 't kantoor komende, verrast met de uitnoodiging om den volgenden dag zich te komen verlustigen op Groenenhuize. De jongeheer Pompile verwaardigde zich in hoogsteigen persoon hem deelgenoot te maken van deze genadige beschikking, niet zonder Wilkens 'n wenk te geven dat de tien stuivers welke den betrokkene voor reiskosten moesten worden uitbetaald, zeer gevoegelyk konden geboekt worden op: huishouden

- Niet waar, Eugène? Zeg jyzelf nu eens of zulke uitgaven de zaken aangaan, wat je noemt de zaken?

- Hm!

- Juist! Niet waar? En wat zeg jy, Dieper?

- Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, 't zyn kleinigheden, niet waar? [1]

- Precies! En daarom zeg ik altyd... maar, kyk, daar komt my iets nog beters in den zin. Zeg, Eugène, weet je-n-ook of Calbb en Hersilie van-plan zyn morgen op Groenenhuize te komen? En of ze papa's britschka gevraagd hebben.... met huurpaarden, weetje? Want zieje, dan kon Pieterse best meeryden. Weetje wat je doet, Pieterse? Je moet de goedheid hebben even by m'nheer Calbb te gaan, en doe 't kompliment van my - van m'nheer Pompile, moet je zeggen - en vragen of m'nheer Calbb....

- Calbb is niet thuis, bromde Eugène.

- Zoo? Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer Calbb z'n huis te gaan, en.... je schelt huis, weetje? [2] En je doet het kompliment van my, van m'nheer Pompile, en je zegt - aan de meid, weetje, die je opendoet - dat je morgen buiten mag komen - buiten, op Groenenhuize, moet je maar zeggen - en dat ik vragen laat of mevrouw Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz - want Ludwig-Bonifaz heet het zoontje van m'n zuster, mevrouw Calbb-Kopperlith, weetje? - nu, dan zeg je dat ik vragen laat of de familie van-plan is morgen met papa's britschka - met de britschka van m'nheer Kopperlith, moet je zeggen - met huurpaarden....

- Hm, bromde Eugène.

- Ja, juist.... van huurpaarden hoef je niet te spreken. Dat weten ze zelf wel.... wat zeg jy, Eugène? Nu dan vraag je-n-of m'nheer Calbb en mevrouw Calbb en de jongeheer Bonifaz naar buiten gaan? En hoe laat? En.... of je mee mag ryden? Maar.... asjeblieft, moet je zeggen, niet waar, Eugène?

- Hm!

- Juist! Asjeblieft, zeg je, en je moet vooral het kompliment van my doen. Zeg, Eugène, vind jy 't niet wat indiskreet van Calbb, zoo altyd met de britschka van Papa...

Vóór Wouter Eugène's meening over dit diepzinnig vraagstuk te weten kwam, was-i reeds lang op weg naar den huize Calbb. Hy deed z'n boodschap met de voorgeschreven asjebliefts en komplimenten, en kreeg ten-antwoord dat mevrouw Calbb en m'nheer Calbb en de jongeheer Bonifaz Calbb zoo tusschen negenen en twaalven de Haarlemmer Poort passeeren zouden. ‘Als dus Pieterse mee wou, liet de edele Hersilia door de meid aan Wouter op de vloermat boodschappen, had-i te zorgen op z'n tyd dáár te zyn, en men zou hem 'n plaatsjen inruimen. Maar... lastig was 't wel, want de jongeheer Bonifaz was er op gesteld zich te laten vergezellen van z'n hobbelpaard, en dat nam veel plaats in.’

Wouter had den moed niet, m'nheer Pompile voortestellen den weg naar Haarlem te voet te maken, al zy 't dan dat de onsmakelyke wys waarop hem passage zou verleend worden, hem zéér deed. En toen hy, te-huis gekomen, bemerkte dat z'n moeder opgetogen was van de eer die in hem de heele familie werd aangedaan, meende hy alweer dat-i zich vergist had in 't beoordeelen van den indruk die mevrouw Calbb's plompheid by hem te-weeg bracht.

- Gut, in 'n britschka! Dat 's zeker 'n koets, Trui, 'n staatsiekoets, denk ik! En daarin zal Wouter ryden als 'n banjerheer, den heelen weg over van hier af tot Haarlem toe, en dat zal de heele wereld te zien krygen...

- Met 'n hobbelpaard, moeder!

- Nu ja, met 'n hobbelpaard, maar... wat zou dat? Denk je dat iemand daarvan iets te weten komt? Wat zeg jy, Stoffel? En bovendien, wie loopt er op dien Haarlemmerweg? Geen mensch! Geen levende ziel! Geen sterveling! Niemand zal 't merken dat je met 'n hobbelpaard in die... koets zit. Weetje wat ik zou doen in jou plaats? Ik nam 't tusschen m'n knieen...

- Gut, moeder!

- Wel zeker! En je legt 'n zakdoek op je schoot, dan kraait er geen haan na. Je bent 'n ontevreden jongen. Kyk eens naar al de arme kinderen die God danken zouden op hun bloote voeten... ja, dat zouden ze, als ze ook zoo 'reis naar-buiten mochten gaan, naar 'n wezenlyk Buiten.

- Drie uur wachten aan de Haarlemmer-Poort!

- Wel, wat zou dat? Wou je dan dat zoo'n heer als m'nheer Calbb zich haasten zou voor jou? En de mevrouw van die m'nheer? En de jongeheer... hoe heet-i?

- Bonifaz, moeder.

- Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader 't beleefd had, die zoo zuur werkte voor z'n brood... [3]

Den volgenden morgen stond Wouter op z'n post. 't Was nog niet volkomen middag, toen de familie Calbb zich vertoonde in de britschka van papa. Er was in dat tentwagentje inderdaad geen plaats over, en Wouter werd uitgenoodigd zich te behelpen met de ruimte die door 'n menigte pakken en pakjes was opengelaten in 'n achterbakje. Heel grootsch was-i niet toen hy bemerkte dat z'n inscheping de aandacht trok van den accynsman aan de poort, en van 't half dozyn straatjongetjes dat uit armoed aan pleizier gewoon was geraakt 'n heele gebeurtenis te zien in 't stilhouden van 'n rytuig. Helaas, hy had graag zichzelf tusschen de knieen genomen, en... 'n zakdoek er over! Hy haalde adem toen de Haarlemmerweg bereikt was. Zoo volstrekt verlaten van menschen, levende zielen en stervelingen, als juffrouw Pieterse beweerd had, was deze weg nu wel niet, maar toch niet zéér veel personen kregen gelegenheid optemerken hoe benepen onze Wouter daar zat tusschen al die bagage. Dat was 'n àndere tocht voorwaar, dan de rit te-paard waarvan Vrouw Claus... gedroomd had! Hy sloot z'n oogen, en trachtte in 't sukkelig schokken van den wagen, de kadans te vinden van z'n eigen galoppeerend rooverslied: met m'n zwaard... hop, hop, hop... enz. Mevrouw Hersilia Calbb-Kopperlith spaarde hem 't voortzetten van z'n vruchtelooze pogingen, door 'n vermaning:

- Zeg, Pieterse.... of hoe je heet, je zit toch niet op den zak met soezen? En.... hou toch die mand wat tegen! 't Ding schommelt zoo tegen m'n hoededoos.

Wouter deed alweer wat hem gelast was. Mand, hoededoos en soezen kwamen onbeschadigd op Groenenhuize aan.


[1] - Wel zeker, jongeheer! Ik vind dat zulke uitgaven... want, weet u, 't zyn kleinigheden, niet waar?

Ongetwijfeld was dit "een intieme fiktie" van Dieper. Zie 1212.
 


[2] Wel, Pieterse, dan moet je-n-eens zoo goed wezen naar m'nheer Calbb z'n huis te gaan, en.... je schelt huis, weetje?

Zoals Pompile en de lezer zich wellicht herinneren begon Wouter zijn werk bij de fa. Ouwetyd & Kopperlith met verkeerd aanbellen. Zie 1188.
 


[3] - Zoo'n jongeheer kan toch niet, om jou pleizier te doen... weet je wat je bent, Wouter? Je bent 'n rechte izegrim. Als je vader 't beleefd had, die zoo zuur werkte voor z'n brood...

Juffrouw Pieterse geeft in dit idee weer blijk - als in ... - van een vrijwel volmaakt vermogen voor onlogische gevolgtrekkingen. Eerder wist ze Wouter te vertellen dat "Je vader deed geen steek. Hy kòn 'tzelfs niet!". Zie 1091.

Idee 1235.