Idee 1230.                                                


Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke ‘naastbyliggende plichtjes’ vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in 'n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstek dociel was, en 't werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou 't zichzelf hebben toegerekend als 'n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z'n voorschrift eenvoudig als 'n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z'n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: ‘handen-uitsteken’ behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by 'n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen - 'n smid met Wouters gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot 'n Krupp! [1] - maar om z'n al te eenzydige neiging tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan 's avends neervallen op z'n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na 't uittrekken van z'n tweede kous, ja van z'n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z'n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting ‘halt!’ toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden: alleen met denken

Meent bezig te houden, want waarschynlyk is dit 'n onmogelykheid. Gelyk de vlam van 'n olielamp, hebben wy 'n tastbaar sprietje noodig waaraan onze gedachten zich hechten, waarby zy opklimmen, waar-omheen ze zich kronkelen, waarmee ze zich bevruchtend paren. Het is ons moeielyk alle zintuigen wegtedenken doch by analogie kunnen wy besluiten tot volslagen stompheid, tot geestelyk niet-zyn, indien het zintuigelyk waarnemen van de buitenwereld ophoudt. Zóó ongeveer is onze toestand in de oogenblikken die den slaap onmiddelyk voorafgaan. En het denken neemt weer terstond 'n aanvang zoodra onze zintuigen door de een-of-andere uitwendige oorzaak tot hernieuwde bezigheid worden opgeroepen. Deze stelling schynt ongegrond, omdat we soms worden opgeschrikt door 'n invallende gedachte, doch ik beweer juist dat de onverwachte verschyning dáárvan altyd 'n oorzaak heeft van stoffelyken aard. We zyn maar niet gewoon ons rekenschap te geven van de wyze waarop de ziel werkt, en kennen gewoonlyk de vóór-oorzaak niet, van wat we ten-onrechte houden voor eersten indruk. [2]

Dat ons denkvermogen afhankelyk is van uitwendige invloeden, zou overigens kunnen blyken uit den gedachtenloop van iemand die in wakenden toestand gedroomd, gemymerd of gepeinsd heeft. Indien hy, na afloop der abnormale inspanning - welker graden van intensiteit door de drie gebezigde woorden: droomen, mymeren en peinzen nagenoeg bepaald worden - zich moeite geeft om de aanleiding tot z'n denken optesporen, zal hy gewoonlyk 'n stoffelyk punt van uitgang ontmoeten. En ook op den loop onzer gedachten, op onze meeningen zelfs, oefenen de voorwerpen die wy met de zinnen waarnemen, hun invloed uit. Wy merken dit zelden op, omdat zelfkennis in 't intellektueele niet minder schaars is dan in 't zedelyke. Toch bestaat er 'n middel om in dit gebrek te voorzien. Men behoeft slechts acht te slaan op anderen, en moeielyk is deze studie niet. [3] By tallooze gelegenheden kunnen wy opmerken hoe zeldzaam het denken voorkomt, zonder zichtbare lichamelyke beweging, al mocht die dan den patient zelf onbewust blyven. De een schommelt met den voet, de ander speelt met baard of haren, een derde vouwt, kreukt of verscheurt 'n papiertje. Sommigen trekken pluisjes uit hun kleeding, vegen met den vinger stofjes by elkaar, trommelen op de tafel of tegen den rand van hun stoel, enz. Wat my betreft, ik word bezeten door de zeer afkeurenswaardige hebbelykheid, de boeken die ik lees stuk te krabben. [4] 't Schynt wel dat deze manoeuvre voor my noodig is om 't gelezene te begrypen, al beweer ik nu niet dat ze my dient om alles te begrypen wat ik lees. Dit zou te veel gevergd zyn.

Uit dit alles schynt te blyken dat bespiegeling in volstrekt-abstrakten zin ons moeielyk valt, en misschien onmogelyk is. Ik zeide reeds dat het vlammetje van onzen geest 'n tastbare pit noodig heeft, 'n kern, 'n punt van houvast. Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z'n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo'n handleiding liep hy gevaar...

Wel zeker, hy maakte kennis met die jongeluî by 't postkantoor! Zy zouden 't hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter's eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de ‘heeren op 't kantoor’ aangaat... ze deden er niet in. [5]


[1] 'n smid met Wouters gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot 'n Krupp!

Krupp was een Duits staalmagnaat met een groot bedrijf dat opkwam in de 19e eeuw, en groot werd door een betere kwaliteit staal, wat leidde tot betere kanonnen gemaakt door deze firma, wat weer een grote betrokkenheid bij en bemoeienis met de Frans-Duitse, Eerste en Tweede Wereldoorlog met zich meebracht, en zeer grote oorlogswinsten.

Het bedrijf bestaat nog steeds, in enigszins andere vorm, en het is aannemelijk dat als Multatuli de geschiedenis van de fa. Krupp vooruit had kunnen zien dat hij voorzichtiger was geweest met het toekennen van "Wouters gaven" aan Krupp, want één kenmerk daarvan was een grote gewetenloosheid.
 


[2] We zyn maar niet gewoon ons rekenschap te geven van de wyze waarop de ziel werkt, en kennen gewoonlyk de vóór-oorzaak niet, van wat we ten-onrechte houden voor eersten indruk.

Wel, dit is nog steeds zo, ook in de wetenschap der psychologie. (Voor "ziel" zie 16.) Enig voortschrijdend inzicht is er wel, en dit neemt hier de vorm dat de menselijke ervaring niet op één oorzaak teruggaat, maar het product is van veel tegelijk werkende gedeeltelijk onafhankelijke processen.
 


[3] En ook op den loop onzer gedachten, op onze meeningen zelfs, oefenen de voorwerpen die wy met de zinnen waarnemen, hun invloed uit. Wy merken dit zelden op, omdat zelfkennis in 't intellektueele niet minder schaars is dan in 't zedelyke. Toch bestaat er 'n middel om in dit gebrek te voorzien. Men behoeft slechts acht te slaan op anderen, en moeielyk is deze studie niet.

Ja, maar het probleem hierbij is dat geen mens de ervaringen van een ander mens heeft.
 


[4] Wat my betreft, ik word bezeten door de zeer afkeurenswaardige hebbelykheid, de boeken die ik lees stuk te krabben.

Historisch waar: In 't Multatuli Museum is de bibliotheek van Multatuli te vinden, van de boeken die hij bij z'n dood bezat, waarin men nog krabplekken in de marges kan aanwijzen.
 


[5] Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de ‘heeren op 't kantoor’ aangaat... ze deden er niet in.

Nee, dat is een misvatting: Mensen van het niveau Wilkens, Pompile, of Stoffel Pieterse hebben eveneens behoefte aan gezelligheid, en produceren die ook, maar wel naar eigen vermogens en van eigen soort: Gemaakt, onecht, vormelijk, maar toch wel de gezelligheid van hun soort mensen.   

Idee 1230.