Idee 1228.                                                


Ja, daar stond-i! Met z'n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor 't geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith's zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Z stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith's rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht 'n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z'n wapen-vigilie dan Wouter aan z'n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z'n naastbyliggende plicht alweer noch met z'n wenschen noch met z'n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z'n wenschen telden niet mee. [1] Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheid getroosten moet om iets te worden in de wereld en 't kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z'n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had - en den stank! - als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten 'n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen. maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, 'n voorbydryvend wolkjen... alles en 't minste was voldoende om hem aan 't denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van 't besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z'n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden 'n examen afteleggen als hulponderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z'n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z'n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op 't altaar van z'n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z'n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds - en liefst te vroeg - te kunnen beoordeelen welke onverlaat 'n storing der rust van mevrouw Kopperlith in 't schild voerde. Maar zr ver reikten z'n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot 'n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, en hem telkens plaagde met den angst dat z'n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, en iedereen van 't beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? M'nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur? Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel 'n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z'n linkerbeen!

Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z'n loopbaan slechts twee keer 'n fout. Eens had 'n bedelbrief-industrieel z'n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo'n slordige plichtsvervulling?

Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op 't kantoor aan m'nheer Eugene zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: voor huis naar-i giste. Zeker, ze kwam voor huis en was zeer boos dat die jongen 't in z'n hersens had genomen, hr niet doortelaten. Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in 't groote verschil tusschen: papa's eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van 't heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in 't magazyn!

Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad 'n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. [2] In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over 't bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in 't magazyn beschenen werden door 'n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met 'n stuk zaklinnen of papier, want:

- Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dt van my!

Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z'n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z'n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter ws niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs. [3] Hy was 'n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden 't zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van 't besef dat gekleurde lappen 't licht niet verdragen kunnen? Wie toch had dze wysheid weten intepompen aan zulke in-dociele gemoederen? Magnus Apollo!


[1] Dat z'n naastbyliggende plicht alweer noch met z'n wenschen noch met z'n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z'n wenschen telden niet mee.

Dit klinkt rg hard, in de trant "De zesjarige Mozart werd aan het stenenbikken gezet voor voedsel" en "Dat z'n naastbyliggende plicht alweer noch met z'n wenschen noch met z'n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake" etc.
 


[2] Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith's aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden.

Zie onder 1221.
 


[3] ... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter ws niet eens 'n broeder. Geen neef zelfs.

De frase over een "broeders hoeder" is Bijbels, in welk boek de lezer ook opgeroepen wordt tot fraaiere gedragingen, zoals de heren Pompile en Eugne ongetwijfeld wisten:

- Heb uw naasten lief gelijk uzelve
- Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet

Uit het feit dat het n noch het ander een vaak gehandhaafde morele regel is, kan de lezer - van voldoende geestesvermogens en hardheid van hart - opmaken dat het over voor alledaagse mensen moeilijke of onmogelijke morele aansporingen gaat.

Idee 1228.