[0] Alweer over 't kleine.
Wouter wordt op post gezet voor de zenuwen van ‘mevrouw.’
Kent de lezer Gus Halleman nog? Verhandeling over het denken,
uitloopende in 'n waarschuwing tegen het leenen van boeken aan den
auteur, die ten-slotte fiasco maakt in colloquia prava.
Mochten sommige
lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna
zonder afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van nietigheden,
dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak... op die
nietigheden zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer groot gedeelte
des levens bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling van 't
geringe. [1] Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze
eigenaardigheid over 't hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik 't
deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid
‘aristokratie van den smaak’ wordt genoemd. Ook 't woord:
tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalifikatie van m'n
arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de
wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm... den zynen! Om evenwel
ook de vele graven en markiezen onder m'n lezers tot moedhouden
optewekken - onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van
zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken - verbind ik my
Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn
aan 't een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n
huis voor hem op de Keizersgracht. Om de vermetelheid
optedoen die voor zoo'n sprong noodig is, wacht ik 'n oogenblik van
byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou 't niet
lukken. [2] Het is echter de vraag of hy - aangeland in zóó verheven
sfeer - fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die 't
oude vygenvrouwtje bewoog ook op háár beurt 'n herodiaansche
expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar
‘handel’ overtelaten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen
om Wouter te beschermen tegen de al te uitgebreide muntkennis van
haar kleinzoon.
Bovendien beroep ik my, wat het belang der onderwerpen aangaat, die
ons op dit oogenblik bezighouden, op zekere bladzyden in den Vn
bundel, waar ik iets zeide over diatomeën. Wat overigens het
aristokratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed.
[3] Te edel, byv. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke
voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder
goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin - op de
naïveteit na - nog altyd op de laagte stond van 't kind Wouter. Wat
my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven
zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt
het kriterium van den smaak. De eenige eisch is: waarheid!
Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al 't andere toegeworpen
worden... natuurlyk op de toejuiching der koprolithen na, die
hy missen kan. [4]
Wouter oogstte by m'nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van
z'n tocht, en vernam tot hartsterking: ‘dat-i 't by-gelegenheid eens
weer mocht doen.’ Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou
afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.
De
bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel
overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den
eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m'nheer Pompile, het
knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z'n werk,
om nu niet te spreken van 't vegen op de zolders en in 't magazyn,
lokalen waar, volgens m'nheer Wilkens, voor 'n jong-mensch altyd
iets te leeren viel.
Het is my een gewetensplicht hier alle
aanleiding tot zeker misverstand uit den weg te ruimen, dat zeer
veel jongelieden welkomer wezen zou dan behoorlyk is. Ik verklaar
uitdrukkelyk, geen aanmerking te maken op de soort van bezigheden
die men Wouter opdroeg. Niet hierin waarlyk ligt het zwaartepunt
myner aanklacht tegen zekere klasse van menschbedervers. De stalen
moesten nu eenmaal uitgezocht, geknipt en opgeplakt worden, en die
brieven gekopieerd... wie anders dan hy kon daarmee belast worden?
En zelfs die boodschappen! Geestverheffend waren al deze
werkzaamheden voorzeker niet, doch men neemt geen jongste-bediende
in 'n lappenhandel, met het doel om meetewerken aan 't verheffen van
z'n geest. Dit is evenmin de eisch zyner vorming, als 't in
billykheid verwacht kan worden van de personen die over hem te
beschikken hebben. De bekende spreuk: il n'y a pas de sot métier,
il n'y a que de sottes gens acht ik hier van volkomen
toepassing. Een geest die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil
van 't handwerk, is de moeite der ontwikkeling niet waard.
[5]
In-weerwil? Dit is de vraag. Juist zulke nietige bezigheden
laten het denkvermogen vry. Ik meen reeds ergens gezegd te hebben
dat ik jaloers was op Spinoza den
brilleslyper... dien geluksvogel! Ook roerde ik in myn
Mattheus XIX de hier behandelde stelling aan. ‘Uit de
Schrift leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in
't denken by 't spinnewiel.’ (183)
Niemand staat voor 't geringe te hoog, en zeker was dit dan ook 't
geval niet met onzen Wouter, die aan 't breidelen van z'n begeerten
zoo byzondere behoefte had. De kwestie was of-i netjes knipte
en plakte, of z'n kopie korrekt was? Hierin alleen lag z'n
naastbyliggende plicht, en niet in 't onbesuisd haken naar voornamer
werkkring. Schreef niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine?
[6]
Nog
'n andere bezigheid kwam - aanvankelyk nu-en-dan, later byna
geregeld - voor Wouter's rekening. Hoe weinig er ook in de
zomermaanden ‘gehandeld’ werd, toch kwam het by-uitzondering voor,
dat er verzendingen moesten geschieden ‘naar buiten.’ Het ‘pakken’
van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de
funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo
geoefend in 't voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van
arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den
kruier interoepen, en de posten die deze interventie op 't
‘weekbriefje’ te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van
den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid
eener byzondere styfte van Gerrit's rhumatiek, de paknaald ter-hand,
en werd zoo geprezen over den uitslag van z'n eerste poging om dat
werk te verrichten - men had het tot-nog-toe voor 'n vak gehouden
dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was - dat de jongeheer
Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke
voorkomende gelegenheid als pakhuisknecht optetreden. En inderdaad,
de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand,
plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd - gemetseld, had ik byna
gezegd - netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en
nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen
die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze ‘over 'n huis
gooien’ als 'n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. ‘Het
is of-i 't al z'n leven gedaan heeft!’ betuigde zelfs m'nheer
Wilkens in 'n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet
erkennen dat ook Wouter schik had in 'n bekwaamheid die hem
verraste. 't Was hem 'n eerezaak dat er nooit klachten werden
ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van de goederen
die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem
schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op
misdadiger wys z'n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd 'n
bezigheid voor hem uitgedacht... neen, 'n bezigheid was 't eigenlyk
niet. Het was 'n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus
in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar
terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile
zich alweer in de hier bedoelde zaak van 'n zeer gunstige zyde deed
kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor
binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot
z'n belangryke gesprekken:
-
Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.
-
Zoo, papa?
-
Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht
gedroomd heeft!
-
Dat is zeker nogal heel akelig, papa!
- Ze
heeft gistr'avend kreeftensla gegeten, weetje?
-
Zoo, papa?
- En
daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze
heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.
-
Dat is wel verdrietig, papa!
- Niet waar?
-
Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie
Krucker...
- Ze
kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...
-
Hè, papa?
-
Ja, zóó erg is 't! Want... het ophalen van de draad maakt zoo'n
vreeselyk leven, zegt mama.
-
Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze
zeggen...
-
Maar, Pompile, wat zullen wy 'r aan doen? Mama lust haar portwyn ook
niet meer...
-
Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!
- En
ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt
van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.
-
Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van
madera?
-
Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond
is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is
niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar 't helpt allemaal
niet, als er zoo'n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen,
Pompile!
-
Ja, papa!
- De
bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.
-
Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens
zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan
iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan 't venster, zieje? En je
ziet... wie 't is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als 't dan
iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in
de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als 't
voor ‘huis’ is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan
m'nheer Eugène... niet waar, Eugène?
-
Hm!
...dat er iemand voor ‘huis’ is, zieje? En dan zegje-n-aan m'nheer
Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo
ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er
aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan
wordt er niet gescheld, en... als dan mama weer beter is, kan ze
naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en
hun gezegd...
Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan
de Hockers gezegd had? Vorder 't onmogelyke niet, lezer! Zonder nu
juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's
eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in
m'n geschiedkundige navorschingen. [7] Geen lid van de zoo beroemde
familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van 't
gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat
Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur
van 't magazyn, voor die teedere zoon z'n papa deelgenoot maakte van
de Hockersche konfidentie.
[0]
Zie 1227-1.
[1]
Mochten sommige lezers
klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder
afwisseling rondleid op 'n tentoonstelling van nietigheden, dan neem
ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak... op die nietigheden
zeker niet, maar op m'n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens
bestaat nu eenmaal uit 'n aaneenschakeling van 't geringe.
Zie
1193e.
[2]
Zeker, de artist stelt
de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in
zekeren vorm... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en
markiezen onder m'n lezers tot moedhouden optewekken - onder ons
gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid
logeeren in stal of keuken - verbind ik my Wouter niet te laten
sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan 't een of ander
hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur 'n huis voor hem op de
Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo'n sprong
noodig is, wacht ik 'n oogenblik van byna krankzinnige
tuchteloosheid af. In kalme stemming zou 't niet lukken.
Hier leren we dus iets over M.'s
voornemens over de verdere geschiedenis dan Wouter, die hij nooit
uitschreef.
[3]
Bovendien beroep ik
my, wat het belang der onderwerpen aangaat, die ons op dit oogenblik
bezighouden, op zekere bladzyden in den Vn bundel, waar
ik iets zeide over diatomeën. Wat overigens het
aristokratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed.
De lezer die het wil nalezen moet
in 1065 zijn.
[4]
Doch, voor den
honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De
eenige eisch is: waarheid! Den kunstenaar die hiernaar
streeft, zal al 't andere toegeworpen worden... natuurlyk op de
toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan.
Nee, wie de waarheid schrijft doet
dat niet vaak in een bijzonder goede stijl, of zelfs maar in een
stijl die tot lezen uitnodigt. Bovendien zijn veel waarheden
vervelend, saai, bekend, pijnlijk, of vreselijk.
[5] Een geest
die zich niet weet te ontwikkelen in-weerwil van 't handwerk, is de
moeite der ontwikkeling niet waard.
Wel, dat hangt natuurlijk af van de
omstandigheden waarin die "geest" zich
feitelijk bevindt, en overigens van de eigen vermogens.
Frederic Douglas was een 19e-eeuwse
Amerikaanse negerslaaf die wegliep, zichzelf ontwikkelde, en een
fraaie autobiografie schreef, waarin hij o.a. verhaalt dat de slaven
zichzelf lezen leerden, wat ze verboden was. Ik vond dat een
aangrijpend en moedig iets, maar het ligt voor de hand dat men van
wie als slaaf moet overleven niet redelijkerwijs kan eisen dat hij
of zij zich zelfstandig ontwikkelt, al is dat sommigen mogelijk
geweest.
Vervolgens: Uit het verval van het
Nederlands onderwijs de afgelopen 40 jaar, over alle geledingen, van
kleuter-onderwijs tot en met universitair onderwijs, in een land
waar vrijwel iedereen gedurende al die jaren een makkelijker en
beter verzorgd en veiliger bestaan had dan vrijwel iedereen vrijwel
altijd, blijkt dat onderwijs voor meesten, met de gaven waarmee ze
geboren zijn, nauwelijks hoeft, weinig effect heeft, niet veel goed
doet, en bijna altijd tegen heug en meug in moet gebeuren. De grote
meerderheid amuseert zich veel liever op de kermis of voor de TV dan
dat ze iets leert.
[6] Schreef
niet ook Jezus voor, getrouw te zyn in 't kleine?
Zoals het Hollands gezegde luidt
"Wie het kleine niet eert, is het grote niet weert". Maar
ja...
[7]
Zonder nu juist te
beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter's eigen
gedenkschriften, spelen toch die dokumenten 'n groote rol in m'n
geschiedkundige navorschingen.
Ik denk dat we hier voor "Wouter's
eigen gedenkschriften" mogen
lezen "mijn eigen jeugdherinneringen". En overigens is
naar mijn weten niet bekend welke "andere
bronnen" Multatuli raadpleegde
voor de feiten die hij behandelt in Wouter's geschiedenis.