Idee 1223.                                                


Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op 'n verstoord mierennest. 't Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z'n weg te vinden. Van bespiegelingen over 't zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die leelykheid. [1] Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. [2] Een revue van dertigduizend man linie - zou ze in vertrouwen gezegd hebben - met vierd'halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden. Zoodra deze ingenomenheid met haar kluchtig uitstapje ter-oore kwam van ‘echt-vaderlandsche’ krantenschryvers, werd ze door deze eerbiedwaardige industrieelen tot tekst verheven van schoone lofliederen op de nederlandsche natie. Een buitenlandsche prinses had de genade gehad onzen Jodenhoek te bekyken! Alle abonnees voelden zich gestreeld door dezen op-nieuw gebleken roem der finaal-onverbasterlyke Batavieren, slechts geëvenaard door de nederigheid waarmee ze steeds trachten al dien roem te bedekken. De nationale voortreffelykheid golfde over den rand van de kaart heen, en bezondvloedde de buren met onweerstaanbare kitteling tot onmachtig-afgunstigen eerbied. De nabywonende volksstammen verhuisden dan ook naar 't verre Westen, wanhopiglyk den wedstryd opgevend tegen zoo'n verpletterend overwicht in zake: volksvolmaaktheid. 't Verder-af liggend Europa, moe van verbaasd-staan, viel om van verbazing. Zelfs de beroemde buitenlandsche Mr. Chose noemde in 'n versjen onzen naam. Vorsten en vorstinnen hongerden en smachtten naar den afval van hollandsche glorie, en de amsterdamsche burgervaders onder wier hoede die Jodenhoek zich zoo prachtig ontwikkeld had... [3]

Ik denk over dit alles eenigszins anders dan die krantenschryvers, misschien wel omdat ik me niet te storen heb aan den smaak van abonnees. Dat de burgervadery in Wouter's tyd 'n allerfatsoenlykst vak was, kan waar zyn. We bezitten nog altyd de bruiloftsverzen en gelegenheidsdichten, waarop die heeren zich lieten onthalen door de karaktervolle ‘poëten’ van dien tyd... modellen van smaak, fyne levensopvatting, schoonheidsgevoel, zedelykheid, enz. Maar in-weerwil hiervan zou 'n beetje onderricht in petite voirie hun geen kwaad gedaan hebben. Deze zeer nuttige wetenschap, lezer, werd vroeger in Nederland tamelyk slordig beoefend. De oorzaak is eenvoudig. Er heerschte toen een bespottelyk nepotismus. De vraag was niet, wie blyk had gegeven van bekwaamheid en eerlyke bedoelingen, men regelde de benoemingen... naar die huwelyksverzen, geloof ik. Dit is thans anders. [4] Het Volk kiest z'n voorgangers en gemachtigden, en zorgt dus wel dat er geen onbekwame of gewetenlooze lieden aan 't bestuur komen. [5] Sedert meer dan vyftig jaren reeds is 't voor geblazeerde prinsessen niet de moeite waard zich te verlustigen in den Jodenhoek, vroeger zoo byzonder aantrekkelyk door de schoonheid van 't leelyke.

Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die - altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn - zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt - interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk! - nog altyd zag men daar de orde of wanorde van 'n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor 't zand der heide - want als hei vertoonen zich die zandzeeën - vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen - vuistslagen in 't gezicht der beschaving... in Wouter's tyd! - waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de open lucht, en van terugkeer tot vóórkanaänsche zeden... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van 't etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handel gedreven. Daar leefden zy.

Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. [6] Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z'n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef 'n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?

Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter's tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden ‘rei’ en ‘kraam’ zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op 'n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z'n goederen niet - neem er 'n voorbeeld aan, opgeblazen koprolithen van de Keizersgracht! - hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren ‘waarin-i deed’ en vond er niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde oxyde van 'n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan 't nederiger?

Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door 'n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel 'n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D.V. & T.W. die ze vrouwelyk maken zouden, 'n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral verroest! Dit scheen den eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door 'n artikel in de patentwet, waarin hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die 'n naam hebben, of misschien eenmaal 'n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar 'n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het beschryven van 't overig deel der ‘markt’ gaat m'n talent nog verder te-boven, dan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen - maar wie toch kocht er iets? - daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man gebracht voor 't mogelyk geval dat 'n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de opgelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen 'n tumulus van zuurkool en 'n tropee van hoeven en horens. Ginds stond 'n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan geweest zyn, want dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse valet illatio. [7]


[1] In z'n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al 't onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in 't karakteristieke van die leelykheid.

Het lijkt er sterk op dat een mens voor het hebben van zinnige vergelijkende begrippen zowel een behoorlijke ervaring als een minimum-leeftijd moet hebben.
 


[2] Z'n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem 'n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde.

Zie 1134.
 


[3] .. en de amsterdamsche burgervaders onder wier hoede die Jodenhoek zich zoo prachtig ontwikkeld had...

Hier is M. ironisch: De "Jodenhoek" had zich natuurlijk geheel niet ontwikkeld door enige inspanning van "de amsterdamsche burgervaders", en bestond alleen omdat ze getolereerd werd in Amsterdam, en joden overigens ongetwijfeld op z'n best met grote onverschilligheid - de gewoonlijke inhoud van wat Nederlanders hun "tolerantie" believen te noemen - werden "behandeld".

Toch is het wel waar dat in Nederland de joden althans getolereerd werden, wat in andere Europese landen, zoals Engeland en Frankrijk, niet het geval was, hetzij periodiek, hetzij eeuwen lang.
 


[4] Er heerschte toen een bespottelyk nepotismus. De vraag was niet, wie blyk had gegeven van bekwaamheid en eerlyke bedoelingen, men regelde de benoemingen... naar die huwelyksverzen, geloof ik. Dit is thans anders.

En anno 2006 is dat o zo radikáál anders: Hoewel volgens de Grondwet iedere volwassen Nederlander in beginsel recht heeft op benoeming in alle functies, is het feitelijk zo dat alléén leden van politieke partijen belangrijke en goed betalende hogere bestuursfuncties kunnen krijgen.

De reden voor die regel is dat men zodoende zeker is dat nieuw benoemden even bekwame leugenaars en bedriegers zijn als hun voorgangers, en dat reeds jaren hebben aangetoond in hun politieke partijen. 

Dus zonder ironie: In Nederland heerst in de politiek nog steeds het nepotisme. De bestbetalende ambten worden nog steeds, en al sedert eeuwen, verdeeld onder de eigen vrienden en medestanders. En dit zou ook zo èrg niet zijn als degenen die op deze wijze in functie worden geholpen ook moreel en intellectueel bekwaam zouden zijn.
 


[5] Het Volk kiest z'n voorgangers en gemachtigden, en zorgt dus wel dat er geen onbekwame of gewetenlooze lieden aan 't bestuur komen.

Deze stijlfiguur heet ... "ironie". Zie 118, 119. (Zinniger en ironielozer is: Het Volk is in meerderheid onbekwaam tot oordelen, en kiest dus in meerderheid onbekwaam, en gewoonlijk voor onbekwamen.)
 


[6] Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z'n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof.

Het is heel jammer dat er vrijwel niets overgeleverd is uit de diverse eeuwen joodse geschiedenis in de Amsterdamse jodenhoek.
 


[7] En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch 't geval niet kan geweest zyn, want dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse valet illatio.

Dit is het eind van een zeer fraaie alinea. Het Latijn is een redeneer-regel van de scholastische logici en luidt in vertaling: "Van zijn naar mogelijk is een geldige gevolgtrekking" - wie konkludeert dat iets mogelijk is omdat het bestaat redeneert korrekt.

Idee 1223.