Idee 1222.                                                


Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. De roem der hedendaagsche Batavieren, behoudens bataafsche nederigheid eenigszins gestaafd. Handel, Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met 'n bespiegeling over gebrek aan isralitische kontroverse.

De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. [1] Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door 'n bad in 't gemeene.... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets nders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. [2] Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor 't najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd n fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m'n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nogeens te wyzen op m'n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft 'n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en z vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. [3] Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan 't onbeschaamde grenzende slordigheid, is.... 'n evangelist. [4] Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen - bly zyn ze niet altyd.... nu ja, maar boodschappen zyn het toch! - behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van ongerymdheid ook? [5] Om 'shemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid - wat ik in 't voorbygaan bewyzen wilde - heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen seizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in wittegrondjes-driekleur, wysgeeren, tuinlui, e.d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of 'n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: 'n wonder! En zoover had Wouter 't nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder 't gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z'n overspannen plichtbesef. [6]

Met 'n gewicht alsof 't heele bedrag van 't geaccepteerd wisseltjes in kopergeld aan z'n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z'n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z'n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d.i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, 't had 'n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, met al z'n makkers en in z'n besten tyd - vr die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes - Glorioso-zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat.... [7] nu, Glorioso was er niet, en de marteling van 't konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van 'n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en.... met 'n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen 'n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet z gemakkelyk ontfutselde men onzen held 'n papiertje dat hem door z'n lastgevers was toevertrouwd!

Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z'n handen te geven: voor-i geld zag. En.... niet te kwiteeren: voor-i dat geld hd! Want ook hyzelf moest teekenen.... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en 'n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: ont.... van.... gen.... Wou......ter.... Pie.... ter.... se. Z zou er staan in z'n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die.... ja, wt? Hier struikelde Wouter's verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op 'n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z'n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z'n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat - tot nader order! - op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hd. Z had Dieper gezegd! En in z'n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waarmed-i z'n handteekening bekrachtigen en sieren wilde. 't Zou 'n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van 'n rooster, De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen'n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van 'n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.

Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar.... het tellen! En, twee, drie, vier.... dit zou wel gaan. 't Bleef echter de vraag wt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar.... de pietjes? De derdiend'halven? De schellingen? De zest'halven? Of - erger nog! - al die muntsoorten door-elkaar? Hm.... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i.... och, dit was alweer de vraag niet. Hy ws geen koning. Hy was jongstebediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren, van 'n groote som gelds. Dit was z'n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.


[1] Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte.

Ook wat betreft die "specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie": We hebben eerder als het ware terloops vernomen dat er een zeer grote familie-gelijkenis is tussen de kinderen Holsma, hun neef en nicht prins Erik en prinses Erika, en Wouter. Zie 1176. Ongetwijfeld hing dit in Multatuli's opzet duidelijker samen met het in idee 405-409 vermeldde dan hij uiteengezet heeft in het deel van de geschiedenis van Wouter Pieterse dat hij wl uitgeschreven heeft voor publiek, dat niet verder gaan dan Ideen 7.

De genoemde "uitspatting" wordt beschreven in 1134, waar Wouter ook voor het eerst de vraag opwerpt "Hm... zou ze misschien willen ruilen? Hy: prins Erik. En zy... ".

Maar om terug te komen op de "specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie": Ik heb al in mijn kommentaren bij de vorige bundel gezegd dat er zeer veel parallelen, herhalingen en analogien in de Woutertje Pieterse aan te wijzen zijn, die daar vaak vrijwel zeker opzettelijk in gelegd zijn door Multatuli.
 


[2] Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy 't dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets nders dan nasmaak van overdreven hoofsheid.

En weer wat betreft die "assimilatie" genoemd in mijn vorige opmerking: De hele Wouter-geschiedenis wordt ingeleid met idee 361 dat opent met "Wat pozie, myn God, opdat ik niet verga van walging over zooveel walglyks m my!", en Wouter is al eens afgespoeld en gereinigd door Vrouw Claus. Zie 1167.
 


[3] Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z'n zaak zyn, en z vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan.

Hier is M. ongetwijfeld ironisch. In feite blijkt Goebbel's "grosze Lge" - als je liegt, liegt dan grof - verreweg het meest effectief, zowel in de reclame als de politieke en religieuze propaganda.

En de enige groep mensen die systematisch probeert acht te geven op "waarschynlykheidjes" zijn de wetenschappers. Gewone mensen richten hun geloof niet in naar wat ze kunnen weten dat de feiten en de waarschijnlijkheden zijn, maar naar hun eigen wensen of naar de wensen van de maatschappij.
 


[4] Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan 't onbeschaamde grenzende slordigheid, is.... 'n evangelist.

Zoals ik net opmerkte geldt dit niet alleen voor "vervalschers", maar ook voor wetenschappers. Het is wel waar dat evangelisten school hadden kunnen gaan bij dr. Joseph Goebbels, als deze geen school had gegaan bij hen.
 


[5] Waartoe zou het Geloof dienen, als 'n profeet, by al z'n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van ongerymdheid ook?

Juist: "Credo quia absurdum" is de wortel van het religieus "Geloof". En men gelooft wat men wt dat absurd, ongefundeerd, onbegrijpelijk of zonder enige behoorlijke evidentie is omdat men wnst dat het waar is.

Feitelijk is dat onbehoorlijk, oneerlijk en irrationeel, en al is het waar dat volwassenen in beginsel het recht behoren te hebben hun eigen meningen te kiezen, hoe ongefundeerd ook volgens andere volwassenen, het is ook waar dat het onbehoorlijk is kinderen "geloofswaarheden" voor te houden en ze er in op te voeden als de volwassenen niet eens in staat zijn er behoorlijke rationele argumenten voor te geven.
 


[6] En zoover had Wouter 't nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder 't gewone, en had al z'n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z'n overspannen plichtbesef.

Dokter Holsma had daar in ieder geval toe bijgedragen, ongetwijfeld vol goede bedoelingen. Maar zoals ik herhaaldelijk aangegeven heb: Plichtdoen is alleen goed als ofwel wat de plicht inhoudt goed is ofwel omdat de doener niet in staat is zelfstandig redelijk te oordelen en de opdrachtgever dat wel is.
 


[7] .. Glorioso-zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat....

De oplettende lezer weet dat we Wouter hebben leren kennen "in de Hartenstraat" waar hij zich aan "Glorioso" ging laven, na het daarvoor benodigde geld te hebben verkregen door verkoop van zijn Nieuwe Testament. Zie 362.

Idee 1222.