Idee 1212.                                                


- Zieje, Pompile, als mama zoo erg is, zoo heel erg.... wat zullen we doen? Ik kan toch niet in m'n eentje, naar Groenenhuize! Wat zeg jy, Dieper? Ik zou me daar vervelen, denk je niet?

- Zeker, m'nheer, ik ben zeker dat m'nheer zich daar vervelen zou. M'nheer zou daar zoo.... heelemaal alleen zyn, niet waar?

- Nu ja, papa, dat's waar, maar.... 't saizoen gaat voorby. Ik kan u verzekeren, papa, dat er geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad is, wat je noemt: 'n fatsoenlyke familie! Wat zeg jy, Dieper?

- Zeker, jongeheer, er is geen enkele fatsoenlyke familie meer in de stad, dàt is waar.

- Ziet u, papa? En als mama niet zeer spoedig resolveert.... zal ze nog veel zieker worden. Dat heeft de dokter ook gezegd, niet waar, Dieper?

Hm! Wat zou de boekhouder zeggen? Hy kon toch in-gemoede de meening niet bevestigen van 'n dokter dien-i nooit had te zien of te spreken gekregen? En ook de vreeselyke ziekte van mevrouw was aan de ‘heeren van 't kantoor’ slechts zeer schemerachtig bekend, want de half-vertrouwelyke ontboezemingen van Gerrit weken weleens 'n beetje van z'n officieele berichten af, 'n byzonderheid die oplettende hoorders en lezers ook nu-en-dan in andere kringen kunnen waarnemen. Ook de betrekkelyke duisternis der onwetendheid omtrent mevrouw's zeer voorname kwalen zou in diepen nacht zyn overgegaan, wanneer men by die heeren gevorscht had naar bekendheid met de mevrouw-zelf. Zy was in hun oog de zeer letterlyk-etymologische uitdrukking van 't solemneele: men zag haar éénmaal 's jaars, op den eersten Januari. Op dien dag namelyk werden Dieper, Wilkens, en later ook Wouter, door een der ad hoc gekommitteerde jongeheeren plechtstatig door den bovengang in de suite geleid, waar ze dan konden wachten totdat mevrouw door haar gezelschapsjuffer het sein liet geven dat ‘de heeren’ mochten binnentreden in de eeuwige zykamer. Schryvers van middelmatige konscientie zouden allicht uitstrooien dat ze daar werden toegelaten tot den handkus, maar wie eerbied voor waarheid heeft, zal ten-allen-tyde verzekeren dat de plechtigheid niet zóó ver ging. Dieper wenschte by deze gelegenheid: ‘ook namens de andere heeren, aan mevrouw.... des Hemels besten zegen, en.... bestendig welzyn.’ Ze was er mee tevreden, en zei dat ze 't vandaag zoo byzonder erg ‘op’ haar zenuwen had, en dat het zeker van 't weer kwam. Nadat dit door Dieper beaamd was - met 'n buiging, want z'n welsprekendheid was òp - kon men de zaak als afgeloopen beschouwen. De gezelschapsjuffer opende een der dubbeldeuren van de suite, en de ‘heeren’ verlieten ruggelings de ‘zykamer van mevrouw.’ Dieper was dan gewoonlyk zeer warm, en kon niet altyd de schuld hiervan op 't weer schuiven, want het vroor soms. En ook lag de oorzaak van die hitte niet in de vermoeienis van de reis die zoo byzonder ver niet was, en maar weinig inspanning vorderde. De plechtige exodus nam op 't kantoor 'n begin.... linksom, vyf treden in den ondergang.... de keuken voorby, waar de meiden stonden te lachen en te ginnegappen, vooral om 't malle gezicht van m'nheer Wilkens, daarop volgde een donker slakhuisvormig trapjen, en twaalf korte schreden tot aan de deur van de suite... neen, neen, uit vermoeienis van de marsch ontstond Dieper's verhitting niet! Doch al ware dit anders, ik vraag of zoo'n kennismaking voldoende is om iemand in-staat te stellen tot beoordeeling van de vraag of ‘mevrouw nog zieker worden zou als ze niet spoedig naar buiten ging?’ En tevens: of men uit zoo'n bezoek op nieuwsjaarsdag - en in die hitte nogal - voldoende gegevens putten kan om te berekenen hoe de dokter mevrouw's toestand zou beoordeelen in 't hartje van den komkommertyd? Maar de jongeheer Pompile had nu eenmaal Dieper's getuigenis ingeroepen. Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een ‘intieme fiktie’ by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes [1], en dus:

- Ja, ja, m'nheer, 't is zeker goed voor mevrouw, dat ze spoedig naar Groenenhuize vertrekt, want ziet u - o, prachtsprong over 't onbekend gezegde van den onbekenden dokter! - 't is zeker goed voor mevrouw, anders... gaat de tyd van jonge doppertjes voorby!

- Ziet u, papa? Dàt is juist wat ik altyd zeg. Mama moet absoluut naar buiten! 't Is voor mama niet langer in de stad uittehouden, niet waar, Dieper?

- Juist, jongeheer! M'nheer, het is voor mevrouw in stad niet langer uittehouden!

- Voor niemand, papa!

- Zeker, m'nheer, voor niemand!

En hyzelf dan? En al z'n lotgenooten?

- 't Water in de grachten ziet paars van den stank papa! Niet waar, Dieper? [2]

Ook dit beaamde de getuige, en ditmaal met grondige reden van wetenschap. Want hyzelf woonde in den Jordaan, waar de opgezamelde meststof zich niet onbetuigd liet in dartele kleurspeling op 't water. 't Was juist 'n buurt om nieuwe verfstoffen uittevinden.

- Maar.... Pompile, hoe krygen wy in-godsnaam mama de stoep af? Dàt is de vraag!

- Juist, papa, dàt is het! Dàt's de zaak! Ik heb er Flip over gesproken, Flip den kruier, papa!

- Hè?

- Ja, papa, den kruier! Met hun drieën zien ze geen kans mama de stoep aftedragen....

- In 'n fauteuil, Pompile!

- Juist, papa, in 'n fauteuil! Weet u wat ze zeggen? Ze zeggen: 't handt niet, omdat de trap van de stoep wat smal is, papa! En ze zouden mama laten vallen, papa! U moet begrypen, papa, 't is lomp volk, papa!

- Maar.... hoe dan?

- Flip, zei: als we mevrouw in 'n flinken leuningstoel hadden - fauteuils kent zoo'n man niet, papa! - en dan 'n strop er om - om den fauteuil, papa! - en dan... maar toen zei ik: met veel kussens, papa, weet u, met héél veel kussens, dan zouden we....

Eugène trad binnen. Blykbaar was hy door z'n vader op kondschap gezonden, of er iets met de oude koppige dame te bereiken zou zyn. Doch ook hy bracht geen bevredigend antwoord mee.

- En jy, Pompile, wat had jy dan bedacht?

- Wel, papa, 'n fauteuil.... en mama daarin, met veel kussens, en dan 'n strop er om... om den fauteuil, Eugène! En dan... 't venster open - Flip zei, 't kon best, maar ik zeg: met veel kussens, weet u, papa? - en dan....

- Ben je mal, Pompile, wou jyzelf nu mama 't venster uithyschen? En zoo-even zei je....

- O neen, Eugène, zoo meende Flip. Maar ik zeg: met veel kussens, weetje? Maar.... die kruiers zyn lompe menschen, en... ze rekenen hoog. Al wat boven 'n dubbeltjes-boodschap gaat... berekenen ze vreeselyk hoog, papa! 't Weekbriefje - vooral als Gerrit styf van rhumatiek is, papa! - o, dan is 't weekbriefje.... fameus, papa! En daarom had ik gedacht - omdat we nu 'n jongste-bediende hebben ook - nu dacht ik.... kyk, papa, we kunnen voor mama die kruiers best missen. U weet misschien dat Gerrit weer styf van rhumatiek is? Nu, dat's hetzelfde.... maar Dieper heeft telkens briefjes te inkasseeren.... morgen 'n smeerig papiertje, niet waar, Dieper?

- Ja, jongeheer! Morgen 'n smeerig papiertjen in den Jodenhoek, m'nheer, heel smeerig!

- Maar, Pompile, wat wou je dan met mama?

- Met veel kussens, papa! Dan wou ik vragen of Wilkens zoo goed zou willen zyn - niet waar, Wilkens? - met dat jonge-mensch daar, aan 't windas te gaan. Ziet u, papa, dan konden wy die kruiers missen.... lomp volk! Maar.... met veel kussens, dit begrypt uzelf wel, papa! En, ziet u, papa, Eugène en ik, wy zouden.... beneden staan, en.... er goed naar kyken, papa!

Eugène bromde. Maar 't was karakteristiek dat niemand lachte by Pompile's voorstel om - niet zonder terugzicht op zuinigheid - z'n moeder 't venster uittehyschen aan 'n strop.... om den fauteuil.

- De buren!

- Juist, Eugène, de buren! Precies wat ik zeg! En daarom.... als we mama konden bewegen.... 's morgens vroeg....

By noorderzon alzoo! Wouter wist nog niet wat 'n windas was, en dacht zich suf over de rol die hy zou te spelen hebben. Hy voelde reeds angst by de bedenking of-i wel in-staat wezen zou by die gelegenheid z'n naastbyliggende plicht te vervullen. 't Was hem 'n kleine verademing dat Pompile's voorstel nog altyd niet gaaf werd aangenomen. Men scheen te betwyfelen of "mama" genoegen nemen zou met de vreemde lokomotie. De oudeheer klaagde dat zy zéker weigeren zou als ze hèm verdacht van de uitvinding.

Hy iets uitvinden!

- Wel, papa.... u kan zeggen dat Flip de kruier het verzonnen heeft. Dat kan u best zeggen, papa!

- Hm.... ja.... als nu by-voorbeeld de juffrouw dat aan mama verzekerde?

- Dat zou zeker 't allerbeste wezen, papa. Maar.... ik geloof dat wy op die juffrouw niet best kunnen rekenen, papa! Weet u wat ze doet, papa? Ze stookt!

- Zou je dat denken, Pompile?

- Ja, papa! Want, ziet u, anders had ze 'r al lang op aangedrongen dat mama naar buiten ging, wat zeg jy, Dieper?

- Zeker, jongeheer, zeker! Anders had ze 'r al lang op aangedrongen.

- Die nieuwe juffrouw is 'n gekkin, bromde Eugène.

- Mama is zeer met 'r tevreden, zei de oudeheer. Ze is zoo erg fatsoenlyk, zegt mama, zoo heel erg fatsoenlyk. En.... haar papa was prokureur, Eugène!

- Ze heeft kale plekken op 't hoofd.

- Wel, wel, Eugène!

- Dat kan my nu niet schelen, zei Pompile, als ze mama maar wou overhalen om naar Groenenhuize te gaan, papa!

- Waar is Gerrit? vroeg de oudeheer.

- Styf van 't rhumatiek, papa! En morgen heeft Dieper 'n smeerig papiertje, niet waar, Dieper?

- Nu ja, maar als Gerrit nu eens - zonder dat het van ons kwam, begryp je? - aan de juffrouw vertelde dat de kruier gezegd had.... want zieje, Pompile, als ik alleen ga, dan verveel ik me zoo! En.... hoe met de keuken? Ik kan toch niet te Haarlem in 'n restauratie gaan eten, als 'n kantoorbediende! Wat zeg jy, Dieper?

- Zeker niet, m'nheer! Een man als U kan niet in 'n restauratie gaan eten. Zeker niet!

Diezelfde "man als U" kon wel de hulp inroepen van den kruier, en van den knecht, en van de gezelschapsjuffrouw, om z'n vrouw te bewegen tot iets dat ze hardnekkig nalaten zou zoolang ze meende dat hy er op gesteld was! En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit.  [3]

Om overigens den belangstellenden lezer, die zich zeker al ongerust maakt over den gezondheidstoestand van die ‘mevrouw in de zykamer’ wat moed intespreken, beroep ik me hier op zeker getuigenis van Gerrit, die eenmaal aan Wouter deze vertrouwelyke mededeeling deed:

- Je kunt me gelooven - ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie - zy.... eet te veel, en ze-n-is koppig en sagrineus: dàt is het! Haar heele ziekte.... komaan, ik zal 't je maar op z'n rond-hollandsch zeggen, is wind en 'n engelsche notting! Maar zy.... eet te veel. Zy.... eet den godganschelyken dag, dàt is het! Als ik haar dokter was, kreeg ze niets dan één roggebroodjen in de week, en verder pompwater.... anders niets, wat ik je zeg!


[1] Des boekhouders naastbyliggende plicht schreef dus voor, een ‘intieme fiktie’ by-de-hand te hebben, die den jongeheer kon dienen by z'n plannetjes

Juist: Rollen worden overwegend met opzet gespeeld - men moet weten wat de anderen verwachten, en daarop inspelen, en ook de rollen van anderen tegemoet treden met het maatschappelijk juiste tegenspel. En zoals ik eerder opmerkte (1112): Rollen veronderstellen gedeelde kennis o.a. over de bedoelingen van de rol en van de speler van de rol.
 


[2] - 't Water in de grachten ziet paars van den stank papa! Niet waar, Dieper?

En dit is er weer uitgehaald om de "intieme fiktie" van 't Hart over z'n eigen voortreffelijkheid tegen te spreken, en duidelijk te maken dat het een leugenaar, aansteller en poseur is, alleen bewogen door z'n eigen afgunst en onvermogens. Zie 522.
 


[3] En al die naaktheid mocht Wouter te aanschouwen krygen! Geen van de sprekers kwam op het denkbeeld dat ze zich voor dien jongen kantoorbediende vertoonden in 'n zonderling licht. Men ziet het, ook 't gemeene heeft z'n naïveteit.

Nee, het ligt niet zo: Ze deden allemaal hun "naastbyliggende plicht" in de rollen die ze speelden, en meenden allen, ongetwijfeld maatschappelijk terecht, volgens de heersende normen, hun fatsoenlijke best te doen. Overigens hàd de fa. Ouwetyd & Kopperlith een naakte handelsgod op hun briefpapier (zie: ...) en mag aangenomen dat die naaktheid door M. opzettelijk genoemd werd.

Idee 1212.