Schetsen uit
onwelriekende streken
[1] van zekere wereld beneden de oppervlakte der
zee, waarby men, o.a.
‘een man als U, m'nheer!’ te aanschouwen krygt. Ook de
jongeheer Pompile blyft voortgaan zich te vertoonen in al z'n
geurige beminnelykheid van verstand en hart.
De lezer herinnert
zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal op Wouter
gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n
bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch... er
bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy
zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in
z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem
aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde
nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het
waar-menschelyke boven het vals-goddelyke verheven is,
toch zou in dit geval z'n smaak al zeer spoedig den weg hebben
gewezen aan z'n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet
meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's
kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n
boteram [2], terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet
de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op
de beoordeeling van 't verhandelde. Geen onzer is in-staat den
oorsprong van z'n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met
juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen
op ons oordeel. [3] De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin
Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename
byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy
aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers
Bilderdyk's Floris gerepeteerd
[4], of 'n
preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was
te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n
onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien...
komaan, we zullen 't woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in
den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn
voor 't platste:
-
Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de
oudeheer met roerende vertrouwelykheid.
De
plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging ten-volle
waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en
voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek... één stap
achteruit... de handen gewreven, en:
-
Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel... 'n beetje.
Dat
‘beetje’ was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't gelyk-geven
aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n vermetele
aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo zeilt de
wyze tusschen twee klippen door! [5]
-
Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt
van de grachten, niet waar, Dieper?
-
Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten...
En,
alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon
tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de
plechtige woorden:
- Ik
heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de
grachten komt!
-
Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith.
-
Ja, m'nheer! En... 't is zoo'n... modderlucht, vindt u niet?
Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker
kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar
bégueule stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't
reinwasschen van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam.
Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn
in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al
geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den
nieuwen jongste-bediende een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven.
Misschien ook was 't Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem
waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet
ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide
lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend
zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof
op den Hymettus. Maar in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.
-
Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden
weifeling voor.
- O
né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen,
papa... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar,
Dieper?
Dieper betastte z'n hoofd:
-
Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings! [6]
- En
dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er
dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!
Meer
afdoende reden om ‘versche lucht’ buiten te sluiten, zal wel nooit
gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die
gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot -
niets was hem ooit te gering! - en als middel om z'n doel te
bereiken met de Pleiers en de Hockers en de
Kruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.
- De
zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar,
Dieper?
-
Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer,
behoorde reeds lang buiten te wezen!
Het
glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet
opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch
niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het te-voorschyn roepen zoo
dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: ‘een man als U,
m'nheer!’ Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel
ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door
overvoer. [7] Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook
zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op 't
afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor gek hield.
Neen... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was
'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober
en ingetogen, tot in z'n flikvlooiery toe. Bovendien, er was
inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry
periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n
opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had
volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de
zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar
't zoo heel erg... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de
bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden,
zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester.
[8]
[1]
onwelriekende
streken
Ik merk maar weer eens op, met verwijzing naar
522, dat 't Hart - die in zijn
eigen woorden, gezien z'n pretenties van belezenheid en kennis, een
"weerzinwekkende snoever" moet zijn - beweerd heeft dat "Nergens in
het hele werk" van Multatuli "is ook maar één vermelding van hoe
dingen ruiken." en dus eenvoudig ofwel loog met z'n bewering "het
hele werk" van Multatuli doorgelezen te hebben ofwel gewoon loog met
opzet ofwel loog omdat z'n geheugen en zorvuldigheid veel beroerder
zijn dan ze zouden moeten zijn voor beweringen als hij graag mag
maken over veel groter schrijvers dan hij.
Trouwens... ik vind
het niet erg dat 't Hart Multatuli niet kan lijden, en diens proza ook
niet. In feite zou ik van iemand als 't Hart nauwelijks anders
verwachten. Maar lieg er dan niet over!
[2] ..
dat Wouter's kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld
ging van 'n boteram ..
Ik verwijs de lezer naar
1120.
[3]
Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken nauwkeurig te
bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei
invloeden uitoefenen op ons oordeel.
Juist.
[4] ..
al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd
..
De naar Echte
Nederlandse Letterkunde hongerende lezer wordt verwezen naar
1053 e.v.
[5] -
Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel... 'n beetje.
Dat
‘beetje’ was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't gelyk-geven
aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n vermetele
aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo zeilt de
wyze tusschen twee klippen door!
Een voorbeeld van
het door Multatuli zo verafschuwde schipperen, dat toch de essentie
is van het ware burgerlijke fatsoen, en een kunstje dat iedereen die
maatschappelijk wil slagen dient te beheersen.
[6] -
Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings!
Dit is een mysterieuze
19e eeuwse klacht, of althans een term voor een klacht die sindsdien
uit de medische literatuur is verdwenen. De Multatuli Encyclopedie
verklaart zinkings als "een volgens de oude volksopvatting pijnlijke
aandoening in enig lichaamsdeel als gevolg van kwade vochten".
[7]
Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel
ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door
overvoer.
Ik
haal dit eruit om de letterkundige opmerking - à la mode de Schrant
- te maken dat een "specialiteit"
een specialist is, en de psychologische observatie dat Dieper
verdomd goed wist wat hij deed, wat zo is voor alle menselijke
rollenspelers, maar gewoonlijk niet eerlijk wordt toegegeven.
[8]
Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder
z'n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor
de voeten van z'n meester.
Hm. Dit hangt tot op
zekere hoogte af van de betekenis die men toekent aan "huichelen",
maar zoals ik het woord gebruik vergist M. zich hier, al is de kwestie
wat nu wel en niet tot huichelen behoort enigszins subtiel. Ik merk er
hier drie dingen over op, en verwijs naar
1112,
1171 en
1185.
In de eerste plaats: Honden kunnen
zomin huichelen als weten dat het volgende week zondag veertien
dagen na vorige week zondag is. Het vergt teveel van hun vermogens,
en honden en overige dieren spelen geen rollen in dezelfde zin als
mensen, want daarvoor zijn zowel taalvermogen als een menselijk
verstand en menselijke ambities nodig, en wellicht ook een
menselijke biologie, want lang niet alles aan het rollenspelen is
maatschappelijk of cultureel bepaald, al is het wel zo vormgegeven.
In de tweede plaats: Dieper speelt een
rol, namelijk die van "perpetueel
ondergeschikte", en weet dat
hij dat doet, en weet dat hij in die rol allerlei dingen moet
voorwenden te voelen of denken die hij feitelijk niet voelt en niet
denkt, en weet dat hij de voor zijn functie vereiste poses aanneemt
om z'n betrekking te behouden of in ieder geval de relaties met z'n
bazen zo te houden als z'n bazen dat graag zien.
Hierbij is dus sprake van liegen, van
doen alsof, van poses, van niet doen zoals men zèlf denkt of voelt
of wil, maar doen zoals de baas, de priester, de leider of de
maatschappij dat graag ziet, en daarmee van huichelen zoals ik dat
woord gebruik, en zoals de vertaling uit het Grieks van
"hypocrites", zegge: toneelspeler, huichelaar, poseur, dan ook
luidt.
Maar
het is hier nuttig op te merken dat dit tot op aanzienlijke hoogte
onontkoombaar is in een enigermate ingewikkelde maatschappij, want
de ingewikkeldheid daarvan bestaat vooral in het feit dat één en
dezelfde persoon op dezelfde dag geacht wordt een aanzienlijke
hoeveelheid rollen te spelen alleen om mee te doen en in leven te
blijven. (Rousseau's spreekwoordelijke Nobele Wilde had het een stuk
makkelijker met nobel, eerlijk, direct en niet-huichelend zijn: Veel
minder rollen te spelen.)
In de derde plaats: Wat een en ander
ingewikkelder maakt, zowel voor Dieper als Multatuli, is dat een
Dieper meent "zijn naastbijliggende plicht" te doen wanneer hij zo
bekwaam en volgens zijn rol liegt of doet-alsof tegen z'n baas. Voor
Dieper verschijnt het als fatsoenlijk, moreel, behoorlijk,
wenselijk, gepast om als "perpetueel
ondergeschikte" voortdurend
zich ànders voor te doen dan hij in feite voelt of denkt, en hij
heeft ongetwijfeld gelijk in z'n aanname dat niet alleen z'n bazen
maar de grote meerderheid van z'n medemensen er net zo over denken,
en verlangen dat hij zich "fatsoenlijk" vervalst tot een ander dan
hij is, omdat dit tot z'n rol behoort, en het tot de algemeen
erkende plichten van een "ondergeschikte"
behoort de baas honds de kont te likken, of wat daar onder mensen
mee equivalent is, én tegelijk te doen alsof dit niet gebeurt of
geheel menselijk en wenselijk is, en zeker hoogst moreel,
fatsoenlijk, en oppassend.
En dit alles is véél makkelijker te
begrijpen dan erkend te krijgen onder fatsoenlijke rollenspelers,
want het behoort ook tot de standaard-leugen van de meeste rollen
dat het géén rollen zijn, maar werkelijkheid, en dat de speler
van de rol wil en denkt wat hij zègt te willen en denken in z'n
hoedanigheid van speler van de rol.
Wat dit nogmaals
ingewikkelder maakt is dat gewone mensen werkelijk geloven in de
rollen die ze spelen; geloven dat de dingen maatschappelijk en
menselijk zo hóren als ze plegen te gaan; en dat zij zelf in hun
rollen overwegend of geheel "zijn" wie ze spelen te zijn. In
feite is dit zelfs een bruikbaar criterium om normale volwassenen te
onderscheiden van anderen: Zij die spel en werkelijkheid niet meer
kunnen of willen onderscheiden.