Idee 1210.                                                


Schetsen uit onwelriekende streken
[1] van zekere wereld beneden de oppervlakte der zee, waarby men, o.a. ‘een man als U, m'nheer!’ te aanschouwen krygt. Ook de jongeheer Pompile blyft voortgaan zich te vertoonen in al z'n geurige beminnelykheid van verstand en hart.

De lezer herinnert zich den indruk dien pater Jansen's eenvoudige taal op Wouter gemaakt had. Niet geheel-en-al ongelyk dááraan nu was z'n bevreemding over den aard der gesprekken op het kantoor. Doch... er bestond verschil. Wel sprak ook pater Jansen geheel anders dan hy zich had voorgesteld, maar er blonk iets zoo liefelyk-goedaardigs in z'n onderhoud door, dat Wouter den moed niet had iets in hem aftekeuren. Al was onze leerling in menschenkennis en menschkunde nog niet ontwikkeld genoeg om intezien hoe hoog het waar-menschelyke boven het vals-goddelyke verheven is, toch zou in dit geval z'n smaak al zeer spoedig den weg hebben gewezen aan z'n oordeel. Om nu evenwel zelfs den braven Jansen niet meer te geven dan hem toekomt, moeten wy wel onthouden dat Wouter's kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram [2], terwyl het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith niet de minste bykomende omstandigheid aanbood die verlokkend werkte op de beoordeeling van 't verhandelde. Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel. [3] De kennismaking met het stukje nieuwe wereld waarin Wouter aanving zich te bewegen, ging vergezeld van zulke onaangename byzaken, dat-i moeite zou gehad hebben de gesprekken die hy aanhoorde schoon of belangryk te vinden, al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd [4], of 'n preek opgezegd. In-plaats van de gulle ontvangst die hem was te-beurt gevallen by Vrouw Claus, voelde hy zich geplaagd door 'n onbevredigden eetlust die hand-over-hand toenam. Bovendien... komaan, we zullen 't woord dat niet gaarne uit m'n pen vloeit, in den mond leggen van de sprekende personen-zelf, die niet te goed zyn voor 't platste:

- Zeg eens, Dieper, vindje niet dat het hier erg stinkt? vroeg de oudeheer met roerende vertrouwelykheid.

De plichttrouwe boekhouder toonde zich deze neerbuiging ten-volle waard. Hy volbracht de by zulke gelegenheden voorgeschreven hand- en voetgrepen: pen in de gleuf van 't opgeslagen boek... één stap achteruit... de handen gewreven, en:

- Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel... 'n beetje.

Dat ‘beetje’ was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door! [5]

- Ja, ja, papa, bevestigde Pompile, 't stinkt hier heel erg. Dat komt van de grachten, niet waar, Dieper?

- Zeker, jongeheer, 't komt van de grachten...

En, alsof deze betuiging niet voldoende was om den jongen patroon tevreden te stellen, bezwoer de boekhouder deze meening met de plechtige woorden:

- Ik heb de intieme fiktie, m'nheer, dat het alleen van de grachten komt!

- Ei? vroeg of zei m'nheer Kopperlith.

- Ja, m'nheer! En... 't is zoo'n... modderlucht, vindt u niet?

Dieper had zeer gerust de kwalifikatie 'n paar graden onfatsoenlyker kunnen inrichten, zonder te-kort te doen aan de waarheid. Maar bégueule stiptheid in omschryving was minder z'n zaak, dan 't reinwasschen van m'nheer's kantoor van àl te onwelriekenden blaam. Op gelyke wys had Gerrit dien ochtend het even laag gelegen magazyn in bescherming genomen door de schuld op de riolen te werpen, al geschiedde dit dan niet zoozeer uit diplomatie, als wel om den nieuwen jongste-bediende een blyk van z'n scherpzinnigheid te geven. Misschien ook was 't Gerrit alleen om 'n praatje te doen, een bodem waarop veel onbekookte meeningen groeien. In-zoo-verre echter moet ik zoowel Dieper als den knecht volkomen gelyk geven, dat de beide lokalen die thans in zoo slechten reuk stonden, misschien welriekend zouden geworden zyn wanneer men ze had overgeplaatst naar 'n lusthof op den Hymettus. Maar in zoo'n lusthof lagen ze nu eenmaal niet.

- Als jeluî de ramen wat opschooft? stelde de oudeheer met bescheiden weifeling voor.

- O né, papa! Volstrekt niet, papa! Dat kan niet, papa! Ik zal u zeggen, papa... vooreerst, Dieper kan niet tegen tocht, papa! Niet waar, Dieper?

Dieper betastte z'n hoofd:

- Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings! [6]

- En dan, papa, als we hier versche lucht binnenlaten, dan komt er dadelyk zoo'n fameuze stank in van de binnenplaats, papa!

Meer afdoende reden om ‘versche lucht’ buiten te sluiten, zal wel nooit gegeven zyn. De oudeheer berustte dan ook in de zaak, en Pompile die gelegenheid zag de verpeste atmosfeer te gebruiken als bondgenoot - niets was hem ooit te gering! - en als middel om z'n doel te bereiken met de Pleiers en de Hockers en de Kruckers, bracht zeer handig het gesprek op iets anders.

- De zaak is, papa, dat u behoorde buiten te wezen in Juli. Niet waar, Dieper?

- Zeker, jongeheer, zeker! Ja, m'nheer, een man als U, m'nheer, behoorde reeds lang buiten te wezen!

Het glimlachje dat de oudeheer Kopperlith by deze gelegenheid liet opgaan over de boozen en goeden van z'n kantoor was goud waard. Toch niet om de zeldzaamheid, want Dieper kon het te-voorschyn roepen zoo dikwyls hy verkoos met 'n allergoedkoopst: ‘een man als U, m'nheer!’ Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door overvoer. [7] Meer dan tweemalen daags zeide hy 't niet. En gewis ook zóó veel keeren kon m'nheer Kopperlith het verdragen zonder op 't afgryselyk denkbeeld te komen dat z'n boekhouder hem voor gek hield. Neen... Dieper had verder kunnen gaan, waarachtig! Maar de man was 'n vriend van 't gemiddelde, een vyand van overdryving, matig, sober en ingetogen, tot in z'n flikvlooiery toe. Bovendien, er was inderdaad geen element van bespotting in de hulde die hy vry periodiek neerlegde op 't altaar van de Kopperlithsche hoogheid. Z'n opblazen by 't betreden van de buurt die hyzelf bewoonde, had volstrekt niets te maken met de gemoedsstemming die inderdaad de zyne was zoodra hy den gewyden grond der Keizersgracht betrad, waar 't zoo heel erg... 'n beetje stonk. Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester. [8]


[1] onwelriekende streken

Ik merk maar weer eens op, met verwijzing naar 522, dat 't Hart - die in zijn eigen woorden, gezien z'n pretenties van belezenheid en kennis, een "weerzinwekkende snoever" moet zijn - beweerd heeft dat "Nergens in het hele werk" van Multatuli "is ook maar één vermelding van hoe dingen ruiken." en dus eenvoudig ofwel loog met z'n bewering "het hele werk" van Multatuli doorgelezen te hebben ofwel gewoon loog met opzet ofwel loog omdat z'n geheugen en zorvuldigheid veel beroerder zijn dan ze zouden moeten zijn voor beweringen als hij graag mag maken over veel groter schrijvers dan hij.

Trouwens... ik vind het niet erg dat 't Hart Multatuli niet kan lijden, en diens proza ook niet. In feite zou ik van iemand als 't Hart nauwelijks anders verwachten. Maar lieg er dan niet over!
 


[2] .. dat Wouter's kennismaking met dien eenvoudigen geestelyke vergezeld ging van 'n boteram ..

Ik verwijs de lezer naar 1120.
 


[3] Geen onzer is in-staat den oorsprong van z'n indrukken nauwkeurig te bepalen, noch met juistheid het aandeel te schiften dat velerlei invloeden uitoefenen op ons oordeel.

Juist.
 


[4] .. al hadden de sprekers Bilderdyk's Floris gerepeteerd ..

De naar Echte Nederlandse Letterkunde hongerende lezer wordt verwezen naar 1053 e.v.
 


[5] - Ja, m'nheer, 't stinkt hier wel... 'n beetje.

Dat ‘beetje’ was kostelyk. Het moest er volstrekt by, om 't gelyk-geven aan m'nheer Kopperlith niet te doen ontaarden in 'n vermetele aanranding der eer van m'nheer Kopperlith's kantoor. Zoo zeilt de wyze tusschen twee klippen door!

Een voorbeeld van het door Multatuli zo verafschuwde schipperen, dat toch de essentie is van het ware burgerlijke fatsoen, en een kunstje dat iedereen die maatschappelijk wil slagen dient te beheersen.


[6] - Zinkings, m'nheer! Allemaal zinkings!

Dit is een mysterieuze 19e eeuwse klacht, of althans een term voor een klacht die sindsdien uit de medische literatuur is verdwenen. De Multatuli Encyclopedie verklaart zinkings als "een volgens de oude volksopvatting pijnlijke aandoening in enig lichaamsdeel als gevolg van kwade vochten".
 


[7] Maar hy was te bekwaam in z'n specialiteit van perpetueel ondergeschikte, om de kitteling van z'n streelen aftestompen door overvoer.

Ik haal dit eruit om de letterkundige opmerking - à la mode de Schrant - te maken dat een "specialiteit" een specialist is, en de psychologische observatie dat Dieper verdomd goed wist wat hij deed, wat zo is voor alle menselijke rollenspelers, maar gewoonlijk niet eerlijk wordt toegegeven.
 


[8] Hy huichelde evenmin als de bulhond die, wild en onhandelbaar onder z'n gelyken en by vreemden, zich deemoedig kruipend neerstrekt voor de voeten van z'n meester.

Hm. Dit hangt tot op zekere hoogte af van de betekenis die men toekent aan "huichelen", maar zoals ik het woord gebruik vergist M. zich hier, al is de kwestie wat nu wel en niet tot huichelen behoort enigszins subtiel. Ik merk er hier drie dingen over op, en verwijs naar 1112, 1171 en 1185.

In de eerste plaats: Honden kunnen zomin huichelen als weten dat het volgende week zondag veertien dagen na vorige week zondag is. Het vergt teveel van hun vermogens, en honden en overige dieren spelen geen rollen in dezelfde zin als mensen, want daarvoor zijn zowel taalvermogen als een menselijk verstand en menselijke ambities nodig, en wellicht ook een menselijke biologie, want lang niet alles aan het rollenspelen is maatschappelijk of cultureel bepaald, al is het wel zo vormgegeven.

In de tweede plaats: Dieper speelt een rol, namelijk die van "perpetueel ondergeschikte", en weet dat hij dat doet, en weet dat hij in die rol allerlei dingen moet voorwenden te voelen of denken die hij feitelijk niet voelt en niet denkt, en weet dat hij de voor zijn functie vereiste poses aanneemt  om z'n betrekking te behouden of in ieder geval de relaties met z'n bazen zo te houden als z'n bazen dat graag zien.

Hierbij is dus sprake van liegen, van doen alsof, van poses, van niet doen zoals men zèlf denkt of voelt of wil, maar doen zoals de baas, de priester, de leider of de maatschappij dat graag ziet, en daarmee van huichelen zoals ik dat woord gebruik, en zoals de vertaling uit het Grieks van "hypocrites", zegge: toneelspeler, huichelaar, poseur, dan ook luidt.

Maar het is hier nuttig op te merken dat dit tot op aanzienlijke hoogte onontkoombaar is in een enigermate ingewikkelde maatschappij, want de ingewikkeldheid daarvan bestaat vooral in het feit dat één en dezelfde persoon op dezelfde dag geacht wordt een aanzienlijke hoeveelheid rollen te spelen alleen om mee te doen en in leven te blijven. (Rousseau's spreekwoordelijke Nobele Wilde had het een stuk makkelijker met nobel, eerlijk, direct en niet-huichelend zijn: Veel minder rollen te spelen.)

In de derde plaats: Wat een en ander ingewikkelder maakt, zowel voor Dieper als Multatuli, is dat een Dieper meent "zijn naastbijliggende plicht" te doen wanneer hij zo bekwaam en volgens zijn rol liegt of doet-alsof tegen z'n baas. Voor Dieper verschijnt het als fatsoenlijk, moreel, behoorlijk, wenselijk, gepast om als "perpetueel ondergeschikte" voortdurend zich ànders voor te doen dan hij in feite voelt of denkt, en hij heeft ongetwijfeld gelijk in z'n aanname dat niet alleen z'n bazen maar de grote meerderheid van z'n medemensen er net zo over denken, en verlangen dat hij zich "fatsoenlijk" vervalst tot een ander dan hij is, omdat dit tot z'n rol behoort, en het tot de algemeen erkende plichten van een "ondergeschikte" behoort de baas honds de kont te likken, of wat daar onder mensen mee equivalent is, én tegelijk te doen alsof dit niet gebeurt of geheel menselijk en wenselijk is, en zeker hoogst moreel, fatsoenlijk, en oppassend.

En dit alles is véél makkelijker te begrijpen dan erkend te krijgen onder fatsoenlijke rollenspelers, want het behoort ook tot de standaard-leugen van de meeste rollen dat het géén rollen zijn, maar werkelijkheid, en dat de speler van de rol wil en denkt wat hij zègt te willen en denken in z'n hoedanigheid van speler van de rol.

Wat dit nogmaals ingewikkelder maakt is dat gewone mensen werkelijk geloven in de rollen die ze spelen; geloven dat de dingen maatschappelijk en menselijk zo hóren als ze plegen te gaan; en dat zij zelf in hun rollen overwegend of geheel "zijn" wie ze spelen te zijn. In feite is dit zelfs een bruikbaar criterium om normale volwassenen te onderscheiden van anderen: Zij die spel en werkelijkheid niet meer kunnen of willen onderscheiden.

Idee 1210.