De lezer zal wel reeds
hebben opgemerkt - en misschien niet zonder eenig medelyden met den
auteur - dat er onder al de personen die ik in dezen kring
ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet
in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten.
[1] Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van
welk artikel ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs
van policie-keur.
De
oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een
voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte
reeds sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan
belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie
stuivers die er te-kort kwamen in z'n ‘kleine kas’ niet in zyn zak
waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in
die fransche romannetjes, maar verder ging z'n verkeer met zulk
onfatsoenlyk gezelschap niet. In z'n gedrag geleek hy wel volstrekt
niet op de deugdhelden in die boeken - wat ik verstandig vind - maar
toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes
welker eer den prys van 'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n
principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van
onberispelyk zedelyk gedrag, en zou - wat dit betreft, en nu eens
geen acht-slaande op den gerekwireerden ‘lust in werken’ - best
geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by
m'nheer Motto. De oude Gerrit was 'n pruttelaar, maar overigens
bestond z'n grootste fout - op de rhumatiek na - in 't koketteeren
mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam
om nu-en-dan 'n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En
ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van
't gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers
zou ik 't aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo
weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van 't krimineel-zwarte? Wie zou
helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo'n vaalgryzen grond?
Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege
blyven - ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal! - dan
toch... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit
den huize Kopperlith!
Als
ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik
slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n
roovermantel van diemet en shirting om den schouder te slaan,
z'n kantoortjen onder de stoep te veranderen in 'n spelonk vol
doodsbeenderen en geronnen bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n
pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende
tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar... 't
is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen
zal. Want... 'n romanschryver ben ik niet! [2]
Ware
ik 'n romanschryver... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner
chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en
zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia
op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas... de
groote. [3] Want in die van Wilkens kwamen nog
altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous
d'autres climats zalig te wezen met 'n verboden geliefde. Ware
ik romanschryver... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht
in, tegen 't allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag
nog slechts in funktie reeds verstout had integaan tot z'n vrouws
zykamer! Ware ik romanschryver... dan liet ik den achtenswaardigen
hoofddader van 't wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken
tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk
gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid...
Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die
menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal!
Is 't niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo
weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat
'n boek lezenswaard maakt - uitdrukking, styl, schryfmethode, en...
inhoud nog bovendien op den koop toe - wanneer ik me veroorloofde
dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n
bondig:
- Je
kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk
borssie, maar... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n
engelsche notting! [4]
Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen
omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins
tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van
Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin
aan de tooneelbriefjes die de opvoering van
Armuth und Edelsinn aankondigden. De hollandsche vertaler
had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en
doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel:
Armoede en Grootheid. Onze Gerrit
had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch - eenigszins
tegen de bedoeling van schryver en vertaler - in den zin van:
kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en
indien de oude Sloos nog leefde...
Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De
oudeheer was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's
notting-wind woei naar-binnen. Pompile was 'n notting met
kinderachtigen wind.. De notting van Wilkens suisde en
blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper... hm, 'n volslagen
notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord
hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor
huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug
bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt,
liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden
eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog - op
't horloge-n-af, altyd kwart over vieren - gaf aan longen, armen en
beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid
weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n
jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: ‘de
Kopperlith van déze buurt ben ik!’ Jammer dat de ware bezitters van
dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die
gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo'n hoestbui
van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, of den
jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène... tot groot nadeel van
den Jordaan, nu ja, maar... dan had ik 'n natuurtooneel te
beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen
dan één doorgaande nietigheid!
Waarheid blyft het echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n
‘Lehrjahre’ moest doorbrengen...
Fancy had gelyk!
Hy
moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan
ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat
schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat
grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet
toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn,
om niet ondertegaan in den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest
zich leeren verdedigen tegen 't kleine. [5]
Dit
nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar
te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden...
rein te blyven by aanraking met vuil... buigend en bukkend niet te
breken... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als 'n
gebogen veêr... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven...
in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!
[6]
Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele
Wouter-geschiedenis:
[1]
De lezer zal wel reeds
hebben opgemerkt - en misschien niet zonder eenig medelyden met den
auteur - dat er onder al de personen die ik in dezen kring
ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in
den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten.
Waarbij met "slecht"
iets bedoeld wordt als aktief-slecht.
[2]
.. 't is nu
eenmaal bepaald dat m'n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal.
Want... 'n romanschryver ben ik niet!
Ik ben zo vrij dit te lezen als
ondersteuning voor m'n gissing dat Multatuli in z'n beschrijving van
de fa. Ouwetyd & Kopperlith uit z'n eigen bittere ervaringen met een
dergelijk handelskantoor plukte.
[3]
Ware ik 'n
romanschryver... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche
schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van
den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naar
Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas... de groote.
Kennelijk was "Gretnagreen"
of Gretna Green al in de 19e eeuw een in Europa bekend oord waar men
zich makkelijk kon laten scheiden, en dit zou zo blijven tot in de
zestiger jaren van de 20ste eeuw.
De reden was dat scheiding wettelijk
erg moeilijk was, behalve voor de in dat opzicht behoorlijk verlichte
en verstandige Schotse wet, en vandaar. (M'n favoriete Engelse
essayist
William Hazlitt -
zie bijvoorbeeld
Nawoord bij Vorstenschool - liet zich ook scheiden in Schotland,
in 1821.)
[4]
- Je kunt me gelooven,
Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie, maar... wat
ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche notting!
Ik heb al opgemerkt dat Gerrit in
gezegdes deed (1190), en dit is
z'n bekendste, al hoor je het tegenwoordig nog zelden, omdat Multatuli
nauwelijks gelezen wordt. Daar staat tegenover dat latere Nederlandse
schrijvers ook niet geciteerd worden in het alledaags taalgebruik,
kennelijk omdat ze zo weinig citeer-waardigs schreven.
(Uitzonderingen, maar vooral vanwege woordgebruik: Toonder en Van
Kooten.)
[5]
Wouter moest zich leeren
verdedigen tegen 't kleine.
Zie 1193e.
[6]
Dit nu gelukt byna
allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was
hem opgedragen het groote in 't oog te houden... rein te blyven by
aanraking met vuil... buigend en bukkend niet te breken... steeds
gereed te staan tot krachtig opspringen als 'n gebogen veêr...
te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven... in één woord:
steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!
Juist: zie
1112 en
1171. Maar in feite, en zoals ik
in mijn zojuist genoemde opmerkingen al aangeduid heb, is het dan maar
voor heel weinigen weggelegd "zichzelf
te zyn", eenvoudig omdat daar
talenten en moed voor nodig zijn waarmee de grote meerderheid niet
geboren wordt.
Voor Multatuli was dit een belangrijk
onderliggend thema: zie 74,
136, 276.