Idee 1209.                                                


De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt - en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur - dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten. [1] Het is zoo. Al die sujetten vallen niet in de termen van welk artikel ook uit het Wetboek van Strafrecht, noch zelfs van policie-keur. 

De oude Dieper zou geen kind te vondeling leggen, al was 't een voorbarige spruit van z'n eigen dochter geweest. Wilkens maakte reeds sedert ruim 'n halve eeuw zich niet schuldig aan belletjes-trekken, en ik kan den lezer verzekeren dat ook de drie stuivers die er te-kort kwamen in z'n ‘kleine kas’ niet in zyn zak waren overgegaan. Eugène vermaakte zich wel met de booswichten in die fransche romannetjes, maar verder ging z'n verkeer met zulk onfatsoenlyk gezelschap niet. In z'n gedrag geleek hy wel volstrekt niet op de deugdhelden in die boeken - wat ik verstandig vind - maar toch, hy vermoordde nooit iemand. Zelfs verleidde hy geen meisjes welker eer den prys van 'n halven dukaton te-boven ging. Dit was 'n principe van hem. Hy was dus wat men gewoon is te noemen: van onberispelyk zedelyk gedrag, en zou - wat dit betreft, en nu eens geen acht-slaande op den gerekwireerden ‘lust in werken’ - best geschikt zyn geweest voor de betrekking van winkeljongetje by m'nheer Motto. De oude Gerrit was 'n pruttelaar, maar overigens bestond z'n grootste fout - op de rhumatiek na - in 't koketteeren mèt die rhumatiek, 'n begaafdheid die hem alleraardigst te-pas kwam om nu-en-dan 'n boodschap voor den jongeheer Pompile uittewinnen. En ook deze leverde geen bruikbare vlek in de eentonige schildery van 't gewone. Gelukkig dus dat ik geen romanschryver ben! Hoe immers zou ik 't aanleggen, om straks wat licht te doen uitkomen by zoo weinig bruin? By zoo'n totaal gemis van 't krimineel-zwarte? Wie zou helder blinkende deugd kunnen schilderen op zoo'n vaalgryzen grond?

Neen, neen, dat gaat niet! Al moest dan de heele deugd achterwege blyven - ik zweer er niet op dat dit het geval wezen zal! - dan toch... vanhier, vanhier, gy die meent 'n roman te halen uit den huize Kopperlith!

Als ik 'n romanschryver was, zou m'n taak ligter zyn. Dan immers had ik slechts den gek Wilkens te verdoopen in 'n bandiet, hem 'n roovermantel van diemet en shirting om den schouder te slaan, z'n kantoortjen onder de stoep te veranderen in 'n spelonk vol doodsbeenderen en geronnen bloed, z'n kadetjes in zakpistolen, z'n pedante praatjes in moord- en wraakschreeuwende tooneelkrankzinnigheid. Niets gemakkelyker dan dat alles, maar... 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want... 'n romanschryver ben ik niet! [2]

Ware ik 'n romanschryver... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas... de groote. [3] Want in die van Wilkens kwamen nog altyd de drie stuivers te-kort, die volstrekt noodig zyn om sous d'autres climats zalig te wezen met 'n verboden geliefde. Ware ik romanschryver... dan boezemde ik den teederen Pompile yverzucht in, tegen 't allerjongst kantoormannetje dat zich, één halven dag nog slechts in funktie reeds verstout had integaan tot z'n vrouws zykamer! Ware ik romanschryver... dan liet ik den achtenswaardigen hoofddader van 't wanbedryf: Ouwetyd & Kopperlith, bekneld raken tusschen twee olievaten, woedend allebeî over de zoo sarrend te-kyk gedragen persifflage hunner smeerige welgedaanheid...

Maar, helaas, 'n romanschryver ben ik niet! Ik kan van al die menschen niets anders maken dan wat zy inderdaad waren: niemendal! Is 't niet treurig voor my, gedoemd te zyn tot schilderen met zoo weinig kleur? Welke lezer zal tevreden wezen, wanneer ik alles wat 'n boek lezenswaard maakt - uitdrukking, styl, schryfmethode, en... inhoud nog bovendien op den koop toe - wanneer ik me veroorloofde dat alles te borgen van Gerrit Sloos, en my te bepalen tot 'n bondig:

- Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie, maar... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche notting! [4]

Sloos had nog 'n andere uitdrukking, die hem zeer scheen te bevallen omdat ze, naar-i meende, de zaak even duidelyk en eenigszins tooneelachtiger voorstelde. Hy leefde in den eersten bloeityd van Kotzebue, en laafde gedurende al z'n vele boodschappen zyn kunstzin aan de tooneelbriefjes die de opvoering van Armuth und Edelsinn aankondigden. De hollandsche vertaler had dit laatste woord als in ons land minder gangbaar beschouwd, en doopte dus dat tooneelstuk met den meer hollands-klinkenden titel: Armoede en Grootheid. Onze Gerrit had wel dien naam diep in z'n geheugen geprent, doch - eenigszins tegen de bedoeling van schryver en vertaler - in den zin van: kalen bluf. Ieder is de uitlegger van z'n eigen woorden, en indien de oude Sloos nog leefde...

Komaan, z'n engelsche notting is mooier. En z'n wind ook. De oudeheer was 'n neerbuigend-winderige notting. Eugène's notting-wind woei naar-binnen. Pompile was 'n notting met kinderachtigen wind.. De notting van Wilkens suisde en blaasde ploertig-pedant. De oude Dieper... hm, 'n volslagen notting was deze niet, maar toch, de wind die daarby zou behoord hebben, was hem niet geheel-en-al vreemd. Hy bewaarde dien voor huis- en buurtgebruik. Zoodra hy, van 't kantoor komende, de brug bereikte die den Jordaan waar-i woonde afscheidt van deftiger buurt, liet-i zyn wind los. Op die brug rekte hy hals en lenden eenige duimen uit. Hy richtte zich met zekere fierheid omhoog - op 't horloge-n-af, altyd kwart over vieren - gaf aan longen, armen en beenen, aan gezichts- en nekspieren, de zoolang ontbeerde vryheid weder, en kuchte dat de Jordaan er van daverde. Die kuch was 'n jerichoosch trompetgeschal dat schetterend verkondigde: ‘de Kopperlith van déze buurt ben ik!’ Jammer dat de ware bezitters van dezen roemruchtigen naam zich nooit verwaardigden hun voeten in die gemeene wyk te zetten. Want als eens onze Dieper in zoo'n hoestbui van overmoedige handlichting den oudeheer had ontmoet, of den jongeheer Pompile, of den jongeheer Eugène... tot groot nadeel van den Jordaan, nu ja, maar... dan had ik 'n natuurtooneel te beschryven gehad, en in deze hoofdstukken iets anders te schetsen dan één doorgaande nietigheid!

Waarheid blyft het echter, dat Wouter in zóó'n kring 'n paar van z'n ‘Lehrjahre’ moest doorbrengen...

Fancy had gelyk!

Hy moest leeren dat er in onze kleine wereld heel iets anders dan ridders, roovers en reuzen te bestryden valt. Dat er heel wat schooners moet veroverd worden dan betooverde kasteelen, heel wat grooters dan werelddeelen. Dat de adelyke kampvechter zich moet toerusten met geheel àndere wapenen dan zwaard, lans en Edelsinn, om niet ondertegaan in den stryd tegen 't geboefte. Wouter moest zich leeren verdedigen tegen 't kleine. [5]

Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden... rein te blyven by aanraking met vuil... buigend en bukkend niet te breken... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als 'n gebogen veêr... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen! [6]

Thema van dezen bundel, en in zekeren zin van de geheele Wouter-geschiedenis:


[1] De lezer zal wel reeds hebben opgemerkt - en misschien niet zonder eenig medelyden met den auteur - dat er onder al de personen die ik in dezen kring ten-tooneele voer, geen enkel slecht mensch voorkomt, althans niet in den zin dien wy gewoonlyk aan dit woord hechten.

Waarbij met "slecht" iets bedoeld wordt als aktief-slecht.


[2]  .. 't is nu eenmaal bepaald dat m'n taak zoo eenvoudig-akelig niet wezen zal. Want... 'n romanschryver ben ik niet!

Ik ben zo vrij dit te lezen als ondersteuning voor m'n gissing dat Multatuli in z'n beschrijving van de fa. Ouwetyd & Kopperlith uit z'n eigen bittere ervaringen met een dergelijk handelskantoor plukte.


[3] Ware ik 'n romanschryver... zeker, dan liet ik de draadpoppen myner chinesche schimmen elkaar den nek omdraaien tot vermaak en zielestichting van den lezer. Dan ware reeds lang de lyvige Hersilia op-weg naar Gretnagreen, met den ouden Dieper en de kas... de groote.

Kennelijk was "Gretnagreen" of Gretna Green al in de 19e eeuw een in Europa bekend oord waar men zich makkelijk kon laten scheiden, en dit zou zo blijven tot in de zestiger jaren van de 20ste eeuw.

De reden was dat scheiding wettelijk erg moeilijk was, behalve voor de in dat opzicht behoorlijk verlichte en verstandige Schotse wet, en vandaar. (M'n favoriete Engelse essayist William Hazlitt - zie bijvoorbeeld Nawoord bij Vorstenschool - liet zich ook scheiden in Schotland, in 1821.)


[4] - Je kunt me gelooven, Pieterse, ik ben 'n oud man, en jy 'n jonk borssie, maar... wat ik je zeg: 't is allemaal wind en 'n engelsche notting!

Ik heb al opgemerkt dat Gerrit in gezegdes deed (1190), en dit is z'n bekendste, al hoor je het tegenwoordig nog zelden, omdat Multatuli nauwelijks gelezen wordt. Daar staat tegenover dat latere Nederlandse schrijvers ook niet geciteerd worden in het alledaags taalgebruik, kennelijk omdat ze zo weinig citeer-waardigs schreven. (Uitzonderingen, maar vooral vanwege woordgebruik: Toonder en Van Kooten.)


[5] Wouter moest zich leeren verdedigen tegen 't kleine.

Zie 1193e.


[6] Dit nu gelukt byna allen, omdat weinigen daartoe te hoog staan. Maar te-gelyker-tyd was hem opgedragen het groote in 't oog te houden... rein te blyven by aanraking met vuil... buigend en bukkend niet te breken... steeds gereed te staan tot krachtig opspringen als 'n gebogen veêr... te-midden van zooveel smetstof gezond te blyven... in één woord: steeds zichzelf te zyn. Dit gelukt weinigen!

Juist: zie 1112 en 1171. Maar in feite, en zoals ik in mijn zojuist genoemde opmerkingen al aangeduid heb, is het dan maar voor heel weinigen weggelegd "zichzelf te zyn", eenvoudig omdat daar talenten en moed voor nodig zijn waarmee de grote meerderheid niet geboren wordt.

Voor Multatuli was dit een belangrijk onderliggend thema: zie 74, 136, 276.

 

Idee 1209.