Idee 1208.                                                


Slechts zeer zelden verwaardigde zich de oudeheer des morgens op 't kantoor te komen, d.i. vóór den toenmaligen beurstyd en 't daarop volgend middagmaal. Het scheen dat-i zich dezen keer wat vroeger dan gewoonlyk naar beneden had laten dryven door de verveling, een euvel waaraan hy zich twaalf uren in 't etmaal schuldig maakte, jaar-in, jaar-uit. Hoe zou 't anders kunnen? De man was leeg. Misschien herinnert zich de lezer 't portret van den baron Van Een-en-ander, dat ik tentoonstellend aan den wand hing in m'n ‘Specialiteiten.’ Ook daar schetste ik een nietig wezen. Welnu, zoo'n Een-en-ander-baron is by den hier bedoelden Kopperlith vergeleken, 'n ware Humboldt, 'n Kroesus naar den geest. Die oude baron beteekende zeer weinig, omdat-i slechts... een-en-ander was. Kopperlith senior was nòch 't een, nòch 't ander. Hy was niets.

Z'n komst op 't kantoor werd altyd, door Pompile vooral, met weerzin gezien, omdat hy - voor-zoo-ver er inderdaad iets te doen viel - de bedienden van 't werk hield door z'n eindeloos gebabbel. Dit was, vooral nà den middag, zeer hinderlyk, en Wouter's menschenkennis had dan ook weldra gelegenheid zich uittebreiden tot het besef hoe zekere lieden byzonder grappig worden als ze goed gedineerd hebben. Doch ook in den ‘stillen tyd’ in 't saizoen dat z'n botanischen naam aan de cucurbitaceën ontleent, zagen de jongeheeren den oorsprong van hun bestaan liever vertrekken dan komen. Door overmaat van opgeblazenheid namelyk, meende hy in zekere buien niet noodig te hebben den toegang tot z'n hoogheid zoo angstvallig te versperren als sommige anderen, en deze noodlottige waan verleidde hem soms - vooral nà tafel! - tot inbreuk op 't decorum van het kantoor. Dit beviel de jongeheeren niet, zy die in de bespottelyke gemeenzaamheid van ‘papa’ een element van bederf meenden te ontdekken voor 't verheven standpunt dat zy wilden blyven innemen. Wie 'n zuiver muzikaal gehoor had, kon altyd in den toon dien de jongeheeren terstond na 't vertrek van ‘papa’ aansloegen, duidelyk zekere scherpte waarnemen, waaruit men verstaan kon: ‘denk nu vooral niet dat je geen bediende bent omdat papa zich zoo met je gekompromitteerd heeft.' Het: ‘je moet eens zoo goed wezen’ van Pompile klonk dan waarlyk komisch, juist omdat z'n links-gedragen hoogheid zoo kluchtig afstak, by de laagte der sfeer waarin hyzelf zich bewoog. Zeker bezat hy één hoedanigheid van 'n groot man. Déze, dat niets hem te klein was. Om nu echter wezenlyk-groote mannen niet te-schande te maken door dezen schyn van verwantschap, behoort men zich te haasten er bytevoegen dat hem alles te groot was, behalve het allerlaagste. We vernamen reeds hoe hy den stuiver waarmede hy 'n briefbesteller paaide voor 't verzaken van z'n plicht, niet wilde doen drukken op de ‘zaken’ waarin hy 'n vierde aandeel had, terwyl-i als aanstaand mede-erfgenaam ter-zyner-tyd slechts voor 'n geringer deel zou betrokken zyn in 't wel of wee van ‘huishouden.’ En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart. [1]

Het spreekt vanzelf dat Wouter - in 't oordeelen nog altyd belemmerd door naïveteit - dit alles niet dan zeer langzaam opmerkte. In-den-beginne nam hy zich z'n eigen verwondering kwalyk. Hoe trager evenwel z'n oordeel zich ontwikkelde tot overtuiging, hoe dieper deze overtuiging geworteld werd. Aanvankelyk voelde hy slechts z'n nieuwsgierigheid geprikkeld. Telkens echter werd er 'n nieuw hoekjen opgelicht van de gordyn die de Maatschappy - of het nietig onderdeel er van dat hy nu te beschouwen kreeg - tot-nog-toe voor z'n oogen bedekt hield. Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet. [2] Op dit oogenblik begint hy juist z'n derde afschrift van den fameuzen brief des zeer jongen heers Leon. Daarin kwam 'n vertelling over zeker feestmaal voor, waarin de auteur beweerde te hebben deelgenomen. Daar was veel gedronken, gegeten en... och, Wouter had zoo'n honger! Hy kende het dokument nu van-buiten, en schreef werktuigelyk voort, niet zonder te luisteren naar alles wat er gesproken werd door de ‘heeren van 't kantoor.’ Maar dat de honger hem vreeselyk plaagde, is de waarheid. Als ooit ‘de handel’ hem aan ‘brood’ helpen zou, moesten de zaken zeer veranderen!

Wat de luistervink al zoo te weten kwam, zal ik meedeelen in 't volgend hoofdstuk, waarschynlyk niet zonder kommentaar.


[1] En veel hooger dan Pompile stonden de andere leden der familie Kopperlith niet, noch in kennis, noch in verstand, noch in hart.

Ik wil het graag geloven - maar Multatuli heeft hier minstens twee problemen.

Het eerste probleem is dat de meeste mensen kennelijk gewoonlijk functioneren op een Kopperlith's niveau, of wat daar heel weinig van verschilt, eenvoudig vanwege gebrek aan vermogens tot iets anders of beters.

Dit kostte Multatuli nogal wat tijd om werkelijk uit te vinden en te begrijpen, want zijn eigen gemoed, idealen en ideeën waren heel anders, en het is menselijk om te geloven dat andere mensen zo zijn als je zelf bent.

Het tweede probleem is dat mensen als van de "familie Kopperlith" geen vanzelfsprekend fundament voor interessante literatuur vormen.


[2] Langzamerhand ging deze nieuwsgierigheid in verzadiging over, weldra in minachting, en daarna in verachting en walg, waaruit ten-slotte de hoogmoed voortkwam die 't doel van ons streven moet zyn. Maar zoo ver zyn we nog niet.

Opnieuw wil ik het graag geloven, maar het is niet helemaal terecht, ongeveer zoals het noch terecht noch rechtvaardig is om iemand die als mongool geboren is te verwijten dat hij geen doctor in de natuurkunde is: Non posse nemo obligatur.

 

Idee 1208.