Idee 1207.                                                


Juist was Wouter van meening 'n aanval te wagen op den hem aangewezen spoelkom, toen de jongeheer Pompile met z'n gewone schichtige haast het kantoor binnenstoof. Vol schrik zette de jeugdige handelsman z'n vermeten opzet uit den zin, en den kom neer. Was 't niet opmerkelyk dat-i tegenwoordigheid van geest genoeg had om 't ding niet te laten vallen? 

- Ei zoo? Terug? Wl? Hoe is 't? Wat zei de schoenmaker? En de juffrouwen Pleier? En heb je m'n huis gevonden? Je moet maar altyd kyken naar spiegelglas, want... die glazen in m'n zykamer zyn van spiegelglas, weetje? En wat heeft de jonge mevrouw je laten zeggen? Heeft ze je geen boodschap aan my meegegeven? En... ben je-n-in den stal geweest? Heb je Jakob gezien? En wat deed-i? Aan 't poetsen, zeker? Zeker aan 't poetsen, h? Want... papa heeft 'n britschka, en 'n landauer, en 'n tentwagen, en 'n koets, en dat alles moet gepoetst worden. En zeg me nu maar eerst, wat de juffrouwen Pleier geantwoord hebben?

De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon. [1] Het scheen dat z'n eerste proefstuk niet slecht was uitgevallen, want de jongeheer Pompile knikte tevreden, en beloofde hem te zullen begunstigen met meer boodschappen. By 'n aanleg als die welke Wouter ten-toon spreidde, opgekweekt in den groeizamen zonneschyn van Pompile's tevredenheid, was het te voorzien dat deze jongste kantoorbediende - mits in leven blyvende - eenmaal den rang-van alleroudsten kantoorbediende bereiken zou. Hiertoe was slechts wat tyd noodig.

- Ei zoo? Heb je mevrouw Kalbb ook al gezien? Wl, dat is goed! Zoo leer je de menschen kennen. Mevrouw Kalbb-Kopperlith, weetje? Ei zoo, heb je die gezien? Juist, precies, dat was de britschka van papa, want... papa houdt rytuig. Had ze d'r huurpaarden voor... och, dat weet je nog niet. Maar anders... 't is maar, weetje, dat papa niet graag ziet dat de paarden... nu, dit gaat jou niet aan. Je moet alles goed onthouden... en 'n zakboekje koopen, 'n klein zakboekjen, en daarin alles opschryven wat ik je zeg, en wat m'nheer Wilkens je zegt, niet waar, Wilkens?

- Ja, m'nheer!

- Juist. Mevrouw Kalbb is m'n zuster, mevrouw Kalbb-Kopperlith - z moet je zeggen! - en denk er aan dat m'nheer Kalbb z'n naam met twee b's spelt. Onthoud dat, en schryf 't op als je-n-'n zakboekje hebt... met twee b's weetje? Want er zyn ook menschen die Kalb heeten met n b, geringe menschen, heel geringe menschen... 'n leerkooper, geloof ik. Wat zeg jy, Dieper?

Dieper legde langzaam en voorzichtig z'n pen neer, trad 'n stap achterwaarts - hy boekhouwerde altyd overeind - snoot z'n neus, hmde z'n keel schoon, en sprak met expresselyk voor deze betuiging gereed gemaakte organen:

- Ja, jongeheer, heel geringe menschen!

- Zieje, ging Pompile voort, m'nheer Dieper zegt het ook, en... die leerkooper schryft z'n naam met n b. Maar myn zwager heet Kalbb... met twee b's, en hy is konsul van den heelen Elsas, en als de Koning in de stad komt, moet-i altyd op audientie, en dan zegt de Koning: eh bien, m'sieur le consul, comment vont les affaires? En dan antwoordt m'nheer Kalbb... ook in 't fransch. En dan heeft-i 'n rok aan met 'n geborduurden kraag. En dan knikt de Koning - 't is eergister nog gebeurd [2], en alle jaren weer! - en m'nheer Kalbb... is m'n zwager, de schoonzoon van papa. En... heb jyzelf nu mevrouw Kalbb al gezien? Wl, wat zei ze?

- Ze zei niets, m'nheer.

- Zoo, zei ze niets? Dat komt omdat ze niet wist dat je hier jongste bediende bent, anders zou ze je zeker wel iets... gezegd hebben, of... 'n boodschap opgedragen, of zoo-iets, want... ze is m'n zuster, weetje! Dat moet je goed onthouden. En hoe is 't afgeloopen met dat borduurpatroon?

Wouter's triumf over de afgedongen vier stuivers, werd eenigszins gematigd door 't gefronsd voorhoofd van Pompile, toen deze de buitensporigheid van z'n lichtzinnige wederhelft te weten kwam:

- Binnen geweest? Zelf de jonge-mevrouw gesproken! Ei... zoo? Binnen-geweest in de zykamer? Waarom ben je binnen geweest?

- M'nheer, stamelde Wouter, die bemerkte dat-i 'n fout begaan had, m'nheer, de meid zei dat mevrouw me liet roepen, en dat ik... binnenkomen moest.

- De meid, de meid! Wat geef je-n-om 'n meid? Zoo'n meid kan wel zeggen... kyk, dit is nu z, weetje? Als ik je wat opdraag, dan moetje-n-altyd...

Men hoorde een sloffenden tred in den gang. 't Spyt me. Want ik had gaarne eens vernomen hoe Wouter zich in 't vervolg zou te gedragen hebben, wanneer de jonge-mevrouw hem door de meid liet binnenroepen? Pompile brak op-eens z'n onderricht af:

- Daar is papa! Ik zal je voorstellen aan papa. Je moet nu zoo goed wezen heel beleefd te zyn tegen papa. Dag, papa!

De eerwaardige gedaante van den ouden heer Kopperlith schoof 't kantoor in. Met 'n welbehagelyk lachje nam hy de nederige begroetingen van Dieper en Wilkens in ontvangst, en ook op Wouter spatte een drupjen af, van den genadestroom dien hy zich alleredelmoedigst ontvloeien liet.

- Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m'nheer Dieper... [3]

De boekhouder trad 'n pas achterwaarts, en maakte een beweging alsof-i nogmaals verschooning vroeg voor 'n stoutheid die hy scheen begaan te hebben. Maar de oude heer glimlachte weder. Goddank, Dieper zou voorloopig niet geradbraakt worden.

- Ja, door m'nheer Dieper, die myn boekhouder is. En aan m'nheer Dieper ben je gerekommandeerd door zekeren heer... hoe heet-i ook weer?

- Och, m'nheer, antwoordde de boekhouder, als ware de naam dien-i zou uitspreken, eigenlyk te gering voor het oor van den heer Kopperlith. Och, m'nheer, 't jonge mensch is my aanbevolen door... zekeren Kalb, 'n leerkooper... iemand dien ik wel eens ontmoet heb... m'nheer!

Kalb was z'n neef, en z'n beste vriend, voor-zoo-ver het kantoorbedienden en boekhouders geoorloofd is, neven en beste vrienden te hebben.

- Juist! Zekere... Kalb. Nu, dat's hetzelfde. Je zult hier veel werk vinden, jongetje! Hard werken is de boodschap. Heeft Wilkens hem reeds een-en-ander gewezen? Is-i al in 't magazyn geweest? Op de zolders? Zeker zet je 'm aan 't kopyboek, Pompile?

Op al deze vragen had Pompile 'n dozyn: O ja, papa's ten-beste gegeven.

- En schryft-i 'n mooie hand?

- O ja, papa!

Wouter begon eerbied te voelen voor Pompile's doorzicht. De vereerende hoedanigheid die hem werd toegekend, was zeker gebleken uit z'n boodschappen by de Pleyers, of de Kruckers, of de Hockers, of den schoenmaker. Wat die voorname lieden toch scherpzinnig zyn!

- Zoo? Ei! 'n Mooie hand? Ei, ei! Wel, Pompile, wat zeg je 'r van, als we hem den brief van Leon 'n keer of wat lieten overschryven voor Flodoard, en voor neef Griekel, en voor de familie Pruikers?

- O ja, papa!

- Niet waar, ze inviteerden Leon altyd zoo trouw op hun kinderpartytjes. Ze zullen 't aardig vinden dat-i zoo'n man geworden is, en al zulke mooie brieven schryven kan. Maar... op dun papier, op heel dun papier! 't Is om de port naar Rome, weetje... op hl dun papier!

- O ja, papa!

- Zieje, dan kan 't mannetje zich met-een wat oefenen in briefstyl, vind je niet, Pompile?

- O ja, papa!

En zoo geschiedde het. Wouter werd belast met het verveelvuldigen der oostindische wysheid van den jongeheer Leon, ter opvroolyking van den jongeheer Flodoard die te Rome was en daar heette te schilderen. Tot amuzement ook van neef Griekel te Leiden. En om de vriendschap te cimenteeren met de familie Pruikers, k lieden in 't best van hun fatsoen. Na 't eerbiedig aanhooren van veel leerstelsels over de ware manier om 'n brief overteschryven, ging Wouter dapper aan 't werk. Hy keek niet op, kopieerde letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin, en... netjes! Z'n werk leek op 'n gravure. Hy volbracht dus alweer zoo goed mogelyk z'n naastbyliggend plichtje. Maar wel verwonderde het hem dat de heer Leon Kopperlith, surnumerair by de Landelyke Inkomsten en Kultures in de afdeeling Tjanjor, residentie Preanger Regentschappen, op het eiland Java, in Nederlandsch Indie - aldus onderteekent die verre jongeheer 'n brief aan z'n moeder, die niets vreemds vond in deze zotterny - wel bevreemdde het hem dat die voorname persoonlykheid zooveel taal- en spelfouten maakte. En... iets anders nog. Hy voelde zich eenigszins beleedigd - meer dan door die boodschappen! - dat men hm al die fouten te kopieeren gaf... tot oefening in briefstyl.

Er bestond ng iets dat hem zeer begon te hinderen. Maar dit kon Leon niet helpen. Hy had 'n vreeselyken honger.


[1] De kleine Merkuur bracht relaas van wedervaren uit, zoo goed-i kon.

Mercurius was immers de god van de handel - zie: 1191 - en er is het e.e.a. voor te zeggen dat de goddelijke Wouter bezig is aan zijn leerjaren - want zie 406 en volgende nummers
 


[2] En dan knikt de Koning - 't is eergister nog gebeurd ...

Toen de koning immers in Amsterdam was, en ook Wouter hem zag. Zie 1127 en daarna.
 


[3] - Zoo, is dat de jonge Pieterse? Wel, mannetje, nu moet je maar braaf oppassen, dan kan er iets degelyks van je groeien. Je bent ons gerekommandeerd door m'nheer Dieper...

Hier krijgen we nadere informatie bij het al in 1121 verhaalde.

Idee 1207.