Idee 1206.                                                


Hier begint Multatuli's IDEEN 7.

Ik geef de Ideen uit zoals ik uiteengezet heb in mijn toelichting op de uitgave van Ideen 1.

Kortweg: Ik zet de Ideen op mijn website omdat ik ze het zinnigste en best geschreven Nederlands vind dat ik ken, dat nog steeds zeer relevant is, en ik lever bij vrijwel alle Ideen één of meerdere verklarende of kritische noten.

Hier zijn een aantal relevante achtergronden

Wie deze uitgave + commentaar wil genieten zonder kennis te nemen van mijn commentaar kan dit probleemloos: In mijn uitgave staat ieder Idee in een eigen bestand en begint met Multatuli's eigen tekst.

Inleidende opmerking bij Ideen 7


[1]

Over al de rytuigen van ‘papa’ en de hoogheid van 'n elsasser konsul ‘die m'n zwager is.’ Engelsche nottings en onderscheiden windsoorten, uitloopende in 'n lange verhandeling over 't parelduiken.

Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder betrad [2] - Vellestraat, stokvischbeukery, olievaten, gang naast het achterhuis, binnenplaats en gangdeur... hy vond in behoorlyke volgorde al de stadien der via dolorosa terug, die Gerrit hem dien ochtend gewezen had, en was er zeer grootsch op! - toen hy bezweet terugkwam, vond-i alleen Dieper en Wilkens op 't kantoor. De laatste was half weggedoken in 'n kast, die naast den ingang tot de alkoof in 'n donkeren hoek stond en met lappen gevuld was. Waarschynlyk zocht-i daar naar 't staal van zeker krieuweltje. Hy had Wouter niet hooren binnentreden, zoodat deze vergast werd op 't onsmakelyk staartje van 'n diskoers, of wellicht van des heeren Wilkens alleenspraak: 

- Je zult zien: ik zal den schoolmeester moeten spelen! Op my zal alles neerkomen! Ze zullen my tot plakmonarch willen maken, my! Dat's m'n vak niet... dat's m'n karakter niet! In 't geheel niet!

Toen de man die zoo bang was dat men 'n schoolmeester van hem maken wilde, Wouter ontwaarde, brak hy op-eens de roerende complainte over 't gevreesd verkrachten van z'n roeping af.

- Daar staat 'n tas koffi voor je, zeide hy met 'n majesteit in toon en vingerwyzing, alsof de oude lappen waarmede hy zich bezighield, 'n kollektie kronen en scepters geweest was. Maar hy had de zuivere waarheid gesproken. Inderdaad, daar ergens op 'n tafeltje was koffi. En de heer Wilkens had wel mogen zeggen: 'n bak. Maar ‘tas’ kwam hem indrukwekkender of aanzienlyker voor, en Wouter, die weinig grondstof noodig had om zich te verheugen, was zeer in z'n schik met het nieuwe woord dat-i daar zoo onverwacht en gratis mocht leeren kennen. By hèm aan-huis namelyk, noemde men zoo'n ding 'n spoelkom.

- E... è... è... n, ik zou je raden dat je-n-in 't vervolg 'n kadetje meebracht, of zoo-iets.

Alweer wat nieuws voor 't jong Amsterdammertje! Hy begreep niet recht wat Wilkens bedoelde, en vreezend dat men z'n onkunde zou aanzien voor 'n begin van dienstweigering, antwoordde hy met zekere fermeteit:

- O zeker, m'nheer! Dat zal ik zeker doen!

Och, hy was zoo gewillig! Als-i maar geweten had, wàt er dan eigenlyk moest worden meegebracht in 't vervolg? Gelukkig dat-i uit het vreemde woord niet opmaakte dat de heer Wilkens de poorten van Gaza op 't kantoor wenschte te zien, of den merinossen rok van juffrouw Pieterse! Ja, al ware die juffrouw Pieterse-zelf 't verlangd voorwerp geweest... de kleine Simson zou 't geleverd hebben, waarachtig! Want... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door... iedereen. [3] Er bleek evenwel dat Wilkens niet aan z'n moeder gedacht had, want - wetende dat Wouter gespeend was - liet hy op z'n onbegrepen vermaning de sententieuze kommentaar volgen: dat 'n jongmensch niet zeer lang zonder voedsel blyven kon. Dit gaf licht. En Wouter's vermoeden werd tot zekerheid toen-i naast twee geledigde spoelkommen van 'n zeer aquatintig-bedropen voorkomen, eenige broodkruimels ontwaarde, in gezelschap van 'n verlept stuk krant met botervlekken. Ook Dieper en Wilkens alzoo, schenen zich 'n oogenblik geleden gedragen te hebben als jongeluî die niet lang zonder eten kunnen, en ze hadden de welwillende voorzorg gebruikt hun kiökkenmödding achtertelaten, om 'n jonger kantoorgeslacht te dienen tot baak. Dat vette stuk krant, welsprekender dan vóór de botering, fluisterde Wouter de gissing in dat de benaming van 't voorwerp dat hy in 't vervolg moest meebrengen - hoe drommel heette het ook? - weleens de zeer aristokratische ambtstitel wezen kon, waarmee men ‘in de zaken’ 'n boteram aanspreekt. In 'n gelyksoortig vermoeden werd hy versterkt door z'n maag en door den geest van Strabbe. Hy begon namelyk honger te krygen, en voelde zich voorbeschikt om eetwaren te verstaan uit èlken klank die z'n oor bereikte, al ware het 'n engelenzang geweest, of 'n preek. Wat Strabbe aangaat... onze handelsstudent wist nu eenmaal dat 'n spoelkom, in kantoorstyl ‘tas’ heet... het onbekende ding zal dus wel 'n boteram zyn! Men ziet, het was een soort van regula de tri, en juist daarin was-i zoo byzonder sterk geweest op de school van meester Pennewip.

De jongeheeren Pompile en Eugène waren gewoon zoo tegen twaalven het kantoor 'n uurtje te verlaten, om te gaan ‘koffidrinken en 'n broodjen eten by mama.’ Aldus luidde onveranderlyk de aankondiging van Pompile, waarmede hy aan de ‘heeren van 't kantoor’ verlof scheen te geven ook iets te gebruiken... als ze wat hadden. Want ‘kadetjes’ of boterammen werden niet verstrekt door het huis Ouwetyd & Kopperlith, waarvan de ‘papa’ zoo byzonder ryk was. De ‘heeren van 't kantoor’ mochten, indien ze niet wilden flauwvallen, zulke zaken meebrengen in hun rokzak, en de fyngevoelige Eugène maakte altyd dat-i de kamer uit was, voor die in papier gekonserveerde levensmiddelen genaderd waren aan 't oogenblik hunner ontwikkeling. Hy vond dat ze 'r zoo heel onoogelyk uitzagen, en vooral 't rantsoen van Wilkens die, wys geworden door treurige ervaring, gewoon was z'n ‘kadetjes’ warm te houden tusschen den linker voorpand van z'n vest, en z'n edel hart. Eens namelyk hadden 'n paar neefjes van den huize - ze wisten niet, de onzaligen, dat welgeboren jongelui geen gekheid maken met 'n kantoorbediende! - ze hadden den weg gevonden naar de donkere alkoof waar de ongelukkige z'n met viktualie bezwangerden straatjas bewaarde, en de kadetjes verrykt met 'n laag fyngeknipte witte-grondjes-driekleur. De martelaar van z'n ‘vak’ verslikte zoo goed mogelyk de taaie geestigheid der ‘neefjes van m'nheer’ - z'n naastbyliggend plichtje, naar-i meende - maar droeg voortaan de mishandelde toeverlaatjes van z'n maag by zich, tot de finale exekutie toe. En eenmaal is 't gebeurd dat hy ze ongegeten weer thuis bracht by de trouwe echtgenoot die ze met zooveel liefde geboterd had, en nu niet zonder moeite haar eigen werk herkende. De jongeheer Pompile lag dien dag overhoop met ‘mama’ en was op 't kantoor gebleven. De ‘heeren’ hadden den moed niet hun spaarkruimels voor den dag te halen. En ook de kommen met geile koffi [4] bleven dien nefasten dag onaangeroerd staan. Het is hier de plaats, een valsheid van Klaas Kolyn aan 't licht te brengen, die als eerroovend voor 'n deftig handelshuis, aan de nog levende nazaten der Kopperlith's menigen traan gekost heeft. Die knoeier beweert dat ‘de heeren van 't kantoor’ ook hun koffi van-huis meebrachten: dwaling, valsheid, bedrog, laster! De koffi werd uit de keuken geleverd, en de ‘booien’ zelf dronken ze niet beter. Dit is voor notaris en getuigen bevestigd door dezelfde autoriteit die dezen ochtend zoo kordaat geweigerd had, Wouter wederrechtelyk te-woord te staan by de boven-voordeur. Balthasar Huydecoper heeft dus volkomen gelyk, zich over dien kakolyn telkens zoo driftig te maken. Valsche gedenkschriften zyn zaad van den Duivel.


[1] Een zaaier ging uit om te zaaien.
     Jezus.

Hoewel dit motto in de vorige bundels van de Ideen telkens herhaald werd aan het begin is het afwezig in de Garmond-editie van bundel 7 van de Ideen. Ik weet niet of dit opzet is, bijvoorbeeld omdat deze bundel de enige bundel is die gepubliceerd is na Van Vloten's kritiek op Multatuli (zie ... ), of dat het een fout is.       

Het motto schijnt ook te ontbreken in de bundel die Multatuli zelf nog gecorrigeerd heeft (er was een tweede door de auteur gecorrigeerde versie in 1879), zodat de waarschijnlijkheid dat het opzet is mij groter lijkt dan niet.

Overigens zijn de bundels 6 en 7 van de Ideen minder goed en minder vaak gecorrigeerd dan de eerdere bundels.
 


[2] Toen Wouter, na 'n paar uur dravens, het kantoor weder betrad

We zijn nog steeds bezig met de éérste werkdag van Wouter bij de fa. Ouwetyd & Kopperlith, waar we Wouter verlieten in idee 1205 in de vorige bundel Ideen.
 


[3] Want... men moet altyd z'n naastbyliggend plichtje vervullen, en Wouter's plicht was nu, te doen wat 'm geboden werd door... iedereen.

Het doen van "z'n naastbyliggend plichtje" was Wouter opgedragen door dokter Holsma (1186), en ik heb eerder al opgemerkt dat dit lang niet altijd duidelijk of verstandig of redelijk is. Maar het is waar dan een jongste bediende heel weinig in te brengen heeft in z'n werkkring.
 


[4] .. geile koffi ..

De zin hiervan is bedorven of beroerde koffie.

Idee 1206.