Het is niet volkomen
zeker, of de Ouwetyd's uit de wereldgeschiedenis verdwynen tegelyk
met een der menigvuldige vallen van Babylon, die telkens zoo
aandoenlyk worden geprofeteerd in de Schrift, en wel met 'n
leedvermaak alsof de ‘Heer’ 'n byzonderen hekel aan die stad had, en
of 't koelen van z'n wrevel hem buitengewone moeite kostte. Ook de
oorsprong van de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak elke
inlichting die te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n
grieksch lexikon. Van versteende vuiligheid is hier geen spraak
[1],
want de overgrootvader van den ouden heer was loopjongen by 'n
bloemist, en oefende dus een te welriekend ambacht uit, om aan
etymologische pedanterie vat te geven tot het al te beteekenisvol
vertalen van z'n naam. In de dagen van den tulpenhandel, was de zoon
van den aspirant-tuinier 'n paar graden gestegen, zooal niet in
geestelyk opzicht, dan toch in maatschappelyken rang. Eén geslacht
daarna, wist de vertegenwoordiger van de familie zich te nestelen op
de Keizersgracht, en wel in 'tzelfde huis waar we vandaag Wouter
hebben ingeleid. De tegenwoordige ‘oude-heer’ erfde van z'n vader 'n
handel in Oostindische lynwaden, en trok zich uit de ‘zaken’ terug
toen de amerikaansche katoen zich meester maakte van de markt, en
engelsche
wevers en drukkers van 't fabrikaat. Het naderschuiven van de bron
bedierf 't monopolie waarvan onze grootouweluî byzondere liefhebbers
waren, omdat het openstellen van konkurrentie zekere inspanning
noodzakelyk maakt, die niet kan gevorderd worden van 'n ‘man met
fortuin, zooals m'nheer Kopperlith.’ Zoo luidde Diepers plechtig
advies. Het geschiedde in die dagen, dat de jongeheer Pompile werd
aangesteld tot prokuratiehouder en chef, doch altyd slechts
voorzoover dien lappenhandel aanging, want het eigenlyk vermogen van
den ‘ouden-heer’ met het daaraan verknocht diepzinnig geknutsel ‘in’
effekten, bleef onder diens byzondere hoede en behandeling, waarin-i
met verbazende zaakkennis door den ouden Dieper werd bygestaan. Deze
had hieraan op 't kantoor zekere wichtigheid te danken, die hy
geenszins versmaadde, en z'n aanzien stond tot dat van Wilkens
nagenoeg in rede, als 'n vod van papier tot 'n vod van katoen. Men
weet nu eenmaal dat in onze eeuw, papier vóórgaat.
Die
‘handel’ in katoentjes - waarachtig, ze deden in diemet, shirting
en sheeting ook! - heette te strekken tot 'n bezigheid voor
de jongeluî, want: ‘om-den-broode hoefden zy 't niet te doen!
Waarlyk niet! Volstrekt niet! Papa was zeer ryk, o zoo ryk!’
Aannemende dat het gesjacher met gedrukte katoentjes - en met de zoo
diep-wetenschappelyke diametten, waarin Wilkens 'n specialiteit was
- moest strekken tot voedsel voor de ziel der jongeheeren Pompile en
Eugène, en vertrouwende dat deze beide zielen geen geeuwhonger
leden, kan men konkludeeren dat de twee onsterfelyke deelen der
ikheid van die jongeheeren zeer goedkoop in 't leven waren te
houden. De ziel van 'n muis zou by zoo'n dieet bezweken zyn. Er is
handel en... handel, dit wil ik wel gelooven. Maar de ‘mannen van
zaken’ worden beleefd verzocht, niet zeer boos te worden, als ik
hier coram populo verklaar, dat hun ‘zaken’ gewoonlyk niet
boven de bevatting gaan van 'n heel klein jongetje. Godbewaarme dat
ik Wouters bekwaamheden overdryven zou, maar ik kan den lezer
verzekeren dat er op 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith
niets voorviel, dat niet allergevoegelykst had kunnen worden
toevertrouwd aan zyn ontwikkeling en kennis, het schryven van 'n
kort briefjen in gebroken engelsch, misschien uitgezonderd. Ook
eenige routine in de boekhouding zou hem ontbroken hebben, maar
overigens? Och, zoon ‘handel’ is zoo eenvoudig. Men koopt iets
voor... zooveel, en verkoopt het voor 'n beetje meer, liefst voor
den hoogsten prys die er te bedingen is, getemperd door de zorg om
vandaag niemand afteschrikken door 'n inhaligheid, die hem al te
duidelyk zou waarschuwen tegen 't vilproces waaraan men hoopt hem
morgen te onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander.
Diepzinniger is de zaak niet. [2] Maar wàt moet men inslaan? Hiertoe
wordt kennis vereischt, zal menigeen denken, en wie luisteren
zou naar Wilkens, kon allicht op 't idee komen dat er eens 'n huis
te-gronde was gegaan door 't bestellen van 'n ‘haarstreepdiemet’ te
veel, en 'n stuk of wat ‘dubbel-gebroken-streep’ te weinig. Ook
Pompile wist lange verhandelingen te houden over kennis van ‘zaken’
naar aanleiding van 'n witte-grondsdriekleur-krieuweltje. Die heeren
zouden ons wel willen wysmaken dat hun ‘vak’ bovenmenschelyke
inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens ziel haar
bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer slecht figuur
maken zou in de ‘zaken.’ Zoodanige overschatting ontmoet men overal.
Welnu, lezer, 't is kwakzalvery! [3] Verstand van koffie, verstand van
kurken, verstand van lappen en vodden... eilieve, ga eens na, wie
in 't laatste ressort al die verbazende verstanden keuren en
vonnissen moet? De verbruiker immers? Al de vakwysheid van den
jongeheer Pompile en van m'nheer Wilkens, moest ten-laatste, om
beslissend te worden goed- of afgekeurd, te-berde komen by 'n
dienstmaagd die 'n bont jak kocht, by 'n boeremeid die haar vryer 'n
gekleurden halsdoek wou ten-geschenke geven. Zeker soort van
opgeblazenheid zal wèl doen, 'n beetje te slinken na deze opmerking.
Nogeens: er is handel en handel, maar de meeste beoefenaars van
dergelyke speciaal-vlakken staan waarschynlyk byzonder laag in
ontwikkeling, en zéker is 't dat zy tot de uitoefening van hun ‘vak’
aan die ontwikkeling geen behoefte hebben. Wat is dat voor 'n
levensdoel, zich te bekwamen in de behandeling van de vraag: of
dienstmeiden zich dit jaar zullen opmooien met 'n ruitjen of met 'n
streepje? Met 'n wittegrond-driekleur of 'n bruin palmpje? Of men de
‘dames’ zal kunnen wys-maken dat de... echte ware onvervalschte
zuivere parysche distinktie van 't saizoen - haute nouveauté,
heusch! - zich openbaren zal in spinazie-groen, in rooie-koolpaars,
in kaas-schimmelzilver, of in 'n ander wankleurtje, liefst zoo
onnoemelyk mogelyk? Ik blyf vragen, by welke wysgeerige school de
studenten in zùlke wetenschappen zich moeten aanmelden tot het
erlangen van den meestergraad?
Toch
neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is.
[4] Ook
dezulken moeten er zyn, om de gaping te vullen die 'r anders bestaan
zou tusschen den Mensch en z'n pantoffel. Maar... die pantoffel mag
zich niet uitgeven voor 'n rylaars. Ik ken iemand die - hoed en
hooge hakken meegerekend - maar zestig pond weegt. Ben ik daar boos
om? Volstrekt niet. Maar zeker zou ik wrevelig z'n pretentie
afwyzen, wanneer-i zich aan my wou opdringen als 'n reus. En wèl
word ik boos by 't ontwaren van lieden die, niets zynde, niets
kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in
de Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven.
[5]
Afkeer van zùlk geboefte, gaf my aanleiding, in dit en 'n paar der
volgende hoofdstukken het bekende draadjen om den poot der
Kopperlith's te slaan. Wie nu niet in gedrukte katoentjes ‘doet’
maar ‘in tabak is’ of ‘in’ gort, krenten, mixed pickle of
schoensmeer - wie schoensmeer maakt, staat hooger! - wie niet
precies ‘in’ die katoentjes rondkruipt, behoeft nu niet te denken
dat het verboden is m'n opmerkingen toetepassen op zichzelf. Lieve
hemel, wat zou m'n uitgever verdrietig zyn, wanneer m'n Wouter-epos
alleen waarde had voor handelaars in manchestersche lynwaden:
wittegrond-driekleur-victoria-fancies van Crawfurth-Leeds,
met 'n krabbetjen of 'n loovertjen of 'n moesjen,
of met blokjes of 'n slangetjen of 'n krieuweltje
met 'n oogjen... altyd 'n volslagen niemendalletje!
En
in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i
overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan
zou z'n ziel worden besteed. [6]
Is
't niet, om de dagen te betreuren van Pennewip's afsnydende teekens
in de lucht? De dagen van den Weledelen heer Motto, met z'n
gehuurden snuifpot, en wat er verder op dien Zeedyk 't
‘voornaamste’ mag geweest zyn? Ja, ja, en zelfs - ik word daar byna
onzedelyk - byna zou ik me vergrypen aan de verzuchting, m'n heldje
terug te wenschen op de boven-voor-achter-beneden-insteekkamer van
juffrouw Laps! De verontreiniging die hem dáár dreigde, zou
ter-nauwernood weerstand hebben geboden aan de pomp van Vrouw Claus,
terwyl hier...
M'n
bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk
voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my,
lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als
die der Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of
'n matroos! [7]
[Einde van bundel VI van Multatuli's
Ideen]
[1]
Ook de oorsprong van
de Kopperlith's is moeielyk nategaan, en ik wraak elke inlichting die
te dezer zake zou kunnen worden gegeven door 'n grieksch lexikon. Van
versteende vuiligheid is hier geen spraak
Het woordenboek leert dat "coproliet"
= "versteende uitwerpselen".
[2]
Och, zoon ‘handel’ is zoo eenvoudig. Men koopt iets voor... zooveel,
en verkoopt het voor 'n beetje meer, liefst voor den hoogsten prys die
er te bedingen is, getemperd door de zorg om vandaag niemand
afteschrikken door 'n inhaligheid, die hem al te duidelyk zou
waarschuwen tegen 't vilproces waaraan men hoopt hem morgen te
onderwerpen. En zoo van den eenen dag op den ander. Diepzinniger is de
zaak niet.
In andere woorden: "Basic economy for dummies". Toch lijkt het hier
overwegend op neer te komen. Wie er meer van wil weten verwijs ik naar
1224.
[3]
Die heeren zouden ons wel willen wysmaken dat hun ‘vak’
bovenmenschelyke inspanning en studie vordert, en dat de arme wiens
ziel haar bezigheid zocht buiten hun magazyn en kantoor, 'n zeer
slecht figuur maken zou in de ‘zaken.’ Zoodanige overschatting ontmoet
men overal. Welnu, lezer, 't is kwakzalvery!
Nee, het behoort bij hun rol, zowel
zoals ze deze spelen als hoe ze deze begrijpen, naar hun vermogens.
Zie 1171.
[4] Toch
neem ik 't niemand kwalyk dat-i 'n onbeduidend wezen is.
Hm, hm. Zie [5],
[6] en [7].
[5]
En wèl word ik boos by 't ontwaren van lieden die, niets zynde, niets
kunnende, en nooit iets degelyks hebbende uitgericht, 'n plaats in de
Maatschappy innemen, welke hun meerderen toekomt. Ze zyn dieven.
Hier zijn minstens twee nogal
principiële tegenwerpingen te maken.
In de eerste plaats is het altijd zo
gegaan, in alle bekende menselijke maatschappijen van enig formaat:
Ze zijn pyramidaal geconstrueerd, met weinigen aan de top met veel
macht, rijkdom of status, en velen aan de bodem of tussen bodem en
top, en dusdanig ingericht dat gemiddeld en gewoonlijk de volgende
geslachten bij benadering dezelfde posities innemen als hun ouders
deden. Men kan dit afkeuren
op morele of andere gronden, maar zo is het wel gewoonlijk geweest
onder mensen, en het zegt dus vrij veel over gemiddelde mensen, hun
vermogens en hun mogelijkheden.
In de tweede plaats ziet de
meerderheid de ongelijkheden in de maatschappij anders dan Multatuli
deed, en houdt ze voor goed of anders voor onontkoombaar.
[6] En
in die niemendalletjes zou Wouter studeeren, al den tyd dien-i
overhield van de boodschappen voor den jongeheer Pompile. Daaraan
zou z'n ziel worden besteed.
Voor iemand met grote gaven als
Wouter is dat natuurlijk geen gelukkig of geschikt lot - maar de
meeste mensen hebben geen grote gaven en de "jongeheer
Pompile", indien hij in zijn
soort geen slecht mens was zal ook hij niet véél beter gekund hebben
dan hij feitelijk deed, en zal zeker niet in staat zijn geweest te
begrijpen dat iemand als Wouter intellectueel en moreel ver zijn
meerdere was, of dat het klimaat dat hij zelf hielp creëren muf, dom
en lelijk was.
[7] M'n
bedoeling is nagenoeg, dat 'n gezonde beenbreuk my minder gevaarlyk
voorkomt dan 't stikken in vermuffing. Gelooft ge niet met my,
lezer, dat er veel menschenzielen te-gronde gaan in 'n atmosfeer als
die der Kopperlith's? Maak liever 'n ambachtsman van uw jongen, of
'n matroos! Hier verwart M.
toch vooral wat goed zou zijn voor Wouter en zijn gelijken, en wat
goed zou zijn voor overige mensen. Zie 1171,
wie er meer van wil weten.
|