Idee 1202.                                                


- Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag, Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven... een voor huishouden - van Leon, Eugène! - waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad? Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur - je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds - maar hy wil dat oude krieuweltje met 'n oogjen... is 't er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is 't met mama, Eugène? Zou 't lukken vandaag... ik meen de verhuizing? 't Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's vragen op Groenenhuize. Die briefbesteller is 'n lap... de vent wil altyd geld voor 'n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want... hy mag 't niet doen, dat weetje. Als 't gemerkt wordt, krygt-i z'n ontslag. Ik heb 'm dezen keer 'n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar... zet 'm op huishouden, want er is 'n brief van Leon ook. Dus... 't kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en... en... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als 't krieuweltje 'r niet meer is - met dat oogje, weetje? - dan zenden wy 't moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes... je weet wel, 't zyn de wittegrondjes-driekleur, Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want... dat doet-i altyd. [1] Roep Gerrit... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje, ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, want... ik heb altyd zooveel boodschappen. [2] Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z'n brieven aan mama...  

Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op 't adres van een brief aan 'n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m'nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van 'n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor - daar werden die epistels uitgebroeid - was niet zeer bedreven in 't hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: ‘postklerken zyn praterig’ hoopte de kwast juffrouw Pieterse na. [3] 

Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z'n tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte - ook in zeer letterlyken zin - zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon's brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug:

- A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje... erg en peine, met de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's, die ik allemaal geinviteerd heb op Groenenhuize. En... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg - grof volk, zulke kruiers! - of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar... zieje, hy meende-n-in 'n leuningstoel, en... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker's en de Pleier's en de Krucker's. Dat is het maar, weetje!

En hierop verliet hy weder 't kantoor.

't Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na 't vertrek van m'nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z'n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z'n naast-byliggend plichtje doen. Was 't zyn schuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?

Wilkens ging naar 't magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die 't huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in den maag te stoppen, in plaats van 't verlangde krieuweltje met 'n oogje.


[1] Weetje wat we doen zullen. Als 't krieuweltje 'r niet meer is - met dat oogje, weetje? - dan zenden wy 't moesjen, of 't slangetjen, of dat patroontje met de blokjes... je weet wel, 't zyn de wittegrondjes-driekleur, Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want... dat doet-i altyd.

Ik heb dit eruit gelicht als bijzonder goed voorbeeld van hoe alledaagse moraal feitelijk werkt: Wie een ander kwaad wil doen begint met de ander te beschuldigen het kwaad te hebben gedaan dat men 'm zelf wil aandoen "in reactie", en doet het dan.

Zo begon de Tweede Wereldoorlog ook, net als de Vietnam-oorlog: Met een zogenaamde aanslag van de veel zwakkere tegenstander, die als voorwendsel diende om deze oorlogen te beginnen.
 


[2] Zoo, mannetje, ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat's goed, want... ik heb altyd zooveel boodschappen.

Als M. uit eigen ervaring spreekt, en als jongste bediende te Amsterdam boodschappen moest doen, dan zal hij daar problemen mee gehad hebben omdat hij geen geheugen voor lokatie had.
 


[3] De postklerk te Tjanjor - daar werden die epistels uitgebroeid - was niet zeer bedreven in 't hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z'n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: ‘postklerken zyn praterig’ hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.

Het is in ieder geval niet ondenkbaar dat Multatuli, eenmaal gearriveerd in Nederlands-Indië, waar hij naar toe gebracht was door zijn vader, die kapitein was, daar een lid van de koopmansfamilie aantrof waarvoor hij diverse jaren in Amsterdam als jongste bediende gewerkt had.

Maar geheel wars van dergelijke stambooms-opsnijderij was Multatuli zelf ook niet, want hij noemde en schreef zichzelf met dubbele achternaam ("Douwes Dekker"), waarop hij feitelijk geen recht had, en mocht ook graag vermelden dat zijn vrouw een baronesse was (wat ook niet helemaal waar was).

Idee 1202.