Wat de Fantasiën
van Busken Huët aangaat, dàt is
Kritiek! De heer Huët bepaalt zich niet tot de kommunikatie dat
zeker stuk hem al of niet behaagt - onze meeste critici
schynen te meenen dat Publiek nieuwsgierig is naar de maat van 't
genoegen dat zy gesmaakt hebben - hy behandelt 'n
schryver. [1] Hoe eenvoudig het woord: ‘behandelen’ klinken moge,
slechts zeer weinigen weten het te doen, of erger nog: ze geven niet
eenmaal blyk van 't pogen, ze kennen den eisch niet. Onder de ‘Litterarische
Fantasiën’ zyn kunstjuweeltjes, waarby 't overgroot deel der
behandelde werken zeer diep wegzinkt, zóó zelfs dat men betreuren
moet, Huët's kritisch talent besteed te zien aan zaken die zooveel
ingespannen studie geenszins verdienen. (Zie, byv. het stuk over den
rymelaar Poot.)
Men
verwarre myn zeer gunstig oordeel over dien arbeid - zonder
toelichting zou ze slechts de waarde van 'n onbeduidende mededeeling
hebben - geenszins met 'n oordeel over des heeren Huët's
meeningen en uitspraken. Men kan in zeer veel gevoelens
z'n tegenvoeter wezen, en toch erkennen dat hy uitstekende modellen
van behandelingswyze geleverd heeft. [2] Dit slechts is hier m'n
bedoeling, en ik noodig ieder die wat leeren wil, uit, deze
bedoeling te toetsen aan de lektuur van die ‘Fantasiën.’ Het
is 'n schande voor Nederland, dat men dien auteur niet zeer
eerbiedig verzocht heeft, het onderwys in ‘Letterkunde’ aan een
onzer hoogescholen op zich te nemen. Maar... hy is geen doktor,
geloof ik? Hy mag wel my onderwyzen - ik erken dankbaar dat
dit het geval geweest is - maar geen jongeluî. Des-te-erger voor die
jongeluî. Inplaats daarvan wordt hun gedoceerd met hoeveel o's
of e's men 'n woord mag lardeeren. Prosit!
Wat
overigens de meeningen van den heer Huët aangaat, moet ik
vragen of wy ook hier soms met het quandoque dormitare
te-doen hebben? Diezelfde Busken Huët heeft onlangs aan den heer Vosmaer,
naar aanleiding van diens ‘Vogels’
alle aanspraak op dichterlykheid ontzegd. Ik sta verbaasd over
zoo'n... vergissing. Indien de heer Vosmaer geen dichter is, moet
ik naar school. [3] Ik, en... zeer velen dan! By-gelegenheid hoop ik
hierop terugtekomen. Thesis: ‘de werken van den dichter
Vosmaer behooren tot de meest eerbiedwaardige, meest liefelyke
verschynsels op 't gebied onzer letterkunde.’
[1]
Wat de Fantasiën
van Busken Huët aangaat, dàt is
Kritiek! De heer Huët bepaalt zich niet tot de kommunikatie dat
zeker stuk hem al of niet behaagt - onze meeste critici
schynen te meenen dat Publiek nieuwsgierig is naar de maat van 't
genoegen dat zy gesmaakt hebben - hy behandelt 'n
schryver.
Zie
1197.
[2] Men
verwarre myn zeer gunstig oordeel over dien arbeid - zonder
toelichting zou ze slechts de waarde van 'n onbeduidende mededeeling
hebben - geenszins met 'n oordeel over des heeren Huët's
meeningen en uitspraken. Men kan in zeer veel gevoelens
z'n tegenvoeter wezen, en toch erkennen dat hy uitstekende modellen
van behandelingswyze geleverd heeft.
Zie
1197. Huet was overigens een van z'n
geloof afgevallen dominée die, anders dan sommige andere dominées, ook
de moed had z'n beroep op te geven.
[3]
Diezelfde Busken Huët heeft onlangs aan den heer Vosmaer,
naar aanleiding van diens ‘Vogels’
alle aanspraak op dichterlykheid ontzegd. Ik sta verbaasd over
zoo'n... vergissing. Indien de heer Vosmaer geen dichter is, moet
ik naar school.
Vosmaer
was voor Multatuli in het strijdperk getreden - "zo zegt men zulks",
en in dit geval met enig recht - in 1873 in De Gids, met artikelen
die door Multatuli's weduwe als inleiding bij het Verzameld Werk
in de Garmond-editie zijn afgedrukt. Hij was een advocaat en in zijn tijd bekend als
schrijver, en zou met Multatuli bevriend blijven tot diens dood.
Vosmaer heeft veel brieven van
Multatuli ontvangen, maar had helaas de gewoonte daar stukken uit of
af te knippen als deze hem niet passend voorkwamen, om welke redenen
er aanzienlijk minder is overleverd van de correspondentie
Vosmaer-Multatuli dan anders het geval zou zijn geweest.