Idee 1194.                                                


Kop en staart van dit hoofdstuk gaan
Wouter aan, maar in 't midden veroorlooft zich de auteur 'n uitstap naar 't antwerpsch ‘letterkundig’ Kongres. Wie nooit 'n woordjen op z'n pas zei, werpe den eersten steen.

Dat Wouter leed, is waar. Maar z'n stryd beduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die 't naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou 't wezen! 

- Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.  [1]

Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van 'n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.

- Dienaar, m'nheer! Dag, Dieper!

- Gmorge! Dat's de jonge Pieterse.

- A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!

Wilkens was 'n oude gek. Z'n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i 't op z'n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in 'n langgerekt ae of èèèè, of zoo-iets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boerenwinkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.

- Jae, m'nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m'nheer Pompile?

De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z'n antwoord te worden opgenomen door m'nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in 'n langen kantoorjas.

- Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z'n jongen patroon over z'n laat-komen te verontschuldigen.

Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: ‘ik heb gehoord wat je zei.’ En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad iets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met 'n deficit van drie stuivers in de ‘kleine kas’ en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.

- Maer, m'nheer, kan er ook misschien 'n brief zyn geweest voor ‘huishouden?

- Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op 'n toon van ‘wat kan 't my schelen!’ Ook lag er iets in van: ‘maak toch zoo'n wind niet met je oogendienende stiptheid!’

- Jae... maer...

Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van 't nabootsen der wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z'n lymerige ae's. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich 'n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haeg was geweest, en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben 'n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: ‘jongeheer’ lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op 't volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen - altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy 'n graad of zooveel te hoog - en noemde de jongelieden: ‘m'nheer Pompile en m'nheer Eugène’ wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: ‘jongeheeren’ wanneer hy 't woord richtte tot de oudere lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen - op den knecht na - tegenover Wouter volop: ‘m'nheer’ was, spreekt vanzelf. Of 't waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen. [2]

Wilkens becyferde de kolommetjes van z'n ‘kleine-kas-’boekjen, en zeide:

- 't Is ienderdaed verbaezend!

Misschien zei hy dit niet. Ik stel 't maar zoo, omdat ik naar aanleiding van z'n eeta's 'n paar nummers wil besteden aan de diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt van de personen die hy sprekende invoert, moet weergeven. Ik verneem dat men zich onlangs op 't letterkundig - zegge: letterkundig - kongres te Antwerpen, met die vraag heeft bezig-gehouden.   [3]Ze zal dus waarschynlyk niet opgelost wezen, en in het lot deelen van 'n andere diepzinnigheid, waarover de heer Beets, naar ik uit 'n courant vernam, een ‘belangryke redevoering’ gehouden heeft. Indien dit waar is, verklaar ik den heer Beets voor den uitstekendsten redenaar van de wereld. Cicero en Demosthenes zouden gewis geen kans hebben gezien, iets ‘belangryks’ te zeggen - zóó staat er! - over de vraag: ‘of de regels van 'n vers al dan niet moeten beginnen met kapitaalletters?’ Wie zich over zoo'n onderwerp in geestdrift zet, moet drift en geest te veel hebben. [4] 't Is om er jaloers op te worden! En nog zyn er, die uitstrooien dat onze litteratuur, ons kunstgevoel, ons besef van Poezie aan 't rotten is, zooals door sommigen van 't Staatsbestuur en de zedelykheid beweerd wordt. Allons donc!


[1] - Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in 't uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.

Er is lang belasting geheven op de aantallen en het formaat van ramen en deuren in huizen.
 


[2] Of 't waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is 't, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.

Ook ik heb diverse jaren versleten "op k'toor" als "kant.bed." in diverse functies, en ben er al evenmin beter of wijzer van geworden, behalve in het verwerven van de kennis dat maar een heel klein deel van de werkzaamheden "op k'toor" doelmatig, zinnig en nodig waren. Vrijwel alles wat gedaan werd diende 't ophouden van stand en pretenties, en aangezien dit op alle kantoren zo was waar ik gewerkt heb, wat er vrij veel geweest zijn, ben ik zo vrij dit als een algemene karakteristiek van kantoorwerk te beschouwen: 't Is nauwelijks werk en overwegend theater.

Trouwens, omdat ik ook wel eens in andere functies gewerkt heb: Boeren en bouwvakkers werken écht - en produceren dan ook iets anders dan bedrukt papier.  
 


[3] ...de diepzinnige kwestie, of 'n auteur uitspraak en dialekt van de personen die hy sprekende invoert, moet weergeven. Ik verneem dat men zich onlangs op 't letterkundig - zegge: letterkundig - kongres te Antwerpen, met die vraag heeft bezig-gehouden.

Letterkundige opmerking: Dat is pas échte Nederlandse letterkunde!
 


[4]  ...over de vraag: ‘of de regels van 'n vers al dan niet moeten beginnen met kapitaalletters?’ Wie zich over zoo'n onderwerp in geestdrift zet, moet drift en geest te veel hebben.

Letterkundige opmerking: Zie de vorige opmerking.

Maar serieus, lezer, ook i.v.m. het spelen van rollen (1171): Zo hóórt het nu eenmaal, en de overgrote meerderheid van de mensen, ook academisch bekwaamde, en zelfs Neerlandistieke letterkundigen, hebben nu eenmaal vrijwel geen eigen ideeën of meningen, en zien dan ook geen enkel kwaad in het bediscussieren van dit soort onderwerpen, en doen alsof dit letterkunde of wetenschap zou zijn. Sterker nog: Ze hebben gelijk, waar het de doorsnee betreft.

Idee 1194.