Na de korte verpoozing
die 't binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had,
brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper
had 'n yzeren kist geopend, waaruit hy 'n half dozyn kantoorboeken
nam, welke hy eenigszins rangschikte op 't vlakke middelstuk van 'n
dubbele kantoorlessenaar ‘voor twee personen’ ook wel genaamd: 'n
vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaats-nam,
stond, 'n gelid enkele lessenaars. [1] En daartegen veroorloofde zich
Wouter even te leunen - geschied
is 't! - telkens als-i 'n oogenblik vergat dat de boekhouder
wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en
krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer
wereld, die al of niet leunden tegen 'n anderen lessenaar dan den
zynen.
Tusschen de alkoof en den eigenlyken kern van 't hoofdkwartier des
handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees
tusschen vreemde bezoekers van 't kantoor, en de gelukkigen die er
thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon,
opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde
thans in afhangende houding de niet overbodige funktie van afleider
van Wouter's verveling. Het ding werd in deze eervolle taak
bygestaan door 'n ronde opening in een der hoeken, waarin 'n yzeren
ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der
geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy
[2] kon nu op
z'n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handelsbestemming
van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk... goddank, er
gebeurde iets: Dieper nam 'n snuifje, en Wouter stond als 'n paal.
- De
heeren komen wat laat, jongeheer.
Voor
Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de
heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de
betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z'n
memoriaal.
Wel
beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper's komst.
Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat.
Thans had-i er nog de angst by, dat Dieper merken zou hoe hy
zich verveelde, want - en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw...
[1]
Tegenover de zyde waar
nu de boekhouder plaats-nam, stond, 'n gelid enkele lessenaars.
Letterkundige opmerking: Zó staat er
in de Garmond-editie. De lezer mag 't zelf verbeteren.
[2]
Hy
Letterkundige opmerking: Zó staat er
niet in de Garmond-editie. Daar staat i.p.v. "Hy"
het zinledige "Nu".