Wacht-oefeningen, als
geschikte objektieven voor 'n fotografie-kastje. Nieuwe portretten.
Hoestende intree in de handelswereld.
Multa tulit!
By 't nalezen der
laatste helft van 't vorig hoofdstuk, bemerk ik, 'n gedeelte van den
weg die van de Vellestraat naar 't ‘kantoor’ leidde, te hebben
overgeslagen. Na 't voorbyworstelen van de glimmende olievaten,
moest men den gang door, langs een achterhuis van 'n paar
verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop 't
kantoor ‘uitzag.’ De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is -
anderen zyn me onverschillig - wordt gewaarschuwd deze binnenplaats
niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht
meedeelde aan 't magazyn. Tusschen die beide ‘openluchtjes’ in, lag
'n groot gedeelte van 't huis, dat lang, smal en hoog was. Na de
ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar 't kantoor, wees
hem daar 'n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot ‘de
heeren’ zouden komen. En, zei de man:
-
Dat zal nog wel 'n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En
ik ga m'n kommetje koffi drinken in de keuken. 't Ga je goed,
zoolang!
Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den
tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.
De
voorwerpen die z'n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer
geschikt om z'n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uitzicht
door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en 't achterhuis,
was - op 't verschil in warmtegraad na - nova-zemblisch:
- Een eeuwig
grauwe lucht hangt loodzwaar op de... wanden.
- Hier houdt geen
sterfling 't uit. Hier komt geen Noorman landen.
- Geen andre plek
op aard, hoe karig ook bedeeld,
- Is zoo ellendig
naakt, zoo arm aan groei en teelt!
Meent men dat
Tollens ooit die schoone regels had kunnen
schryven, als-i niet door z'n vader was ‘gedaan’ op 'n kantoor in
verfwaren? Waar anders ving z'n oog zulke tinten op van iets
droevigs, van 't enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien
dat er in 't hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in
zielstremmenden invloed halen kan by zoo'n verblyf? De oude heer
Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en 't is waarlyk te
verwonderen, dat zyn zoo wèl op z'n plaats gezette zoon het aanzyn
heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door 'n
bloempotjen op z'n binnenplaats.
Zoo
verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel
voorwerp trok z'n oogen tot zich, dat hem 'n voorwendsel aan de hand
deed om iets anders te denken dan: ‘in den handel, in den handel, ik
ben hier in den handel!’
Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken,
naast den onderaardschen gang die naar 't magazyn liep, eenig
geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z'n
krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid
te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z'n troontje
weer. Toch zorgde hy z'n hoed in de hand te houden, om terstond
gereed te zyn tot het aannemen van 'n groetende pozitie, àls er eens
ten-laatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te-voorschyn
kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van
voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van 'n
rechts-om-keert-beschryvenden hak... hoe heette ook de man dien-i
had hooren noemen by de Holsma's, de man op dat eiland, die zoo
verschrikte by 't ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, in
deze wildernis...
Aan
den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van
kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter
verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen,
Vrachtbrieven, en zelfs: Diverse Nota's. En die
opschriften waren omgeven van 'n gekoperdrukten rand vol bloemen,
rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk
beheerscht werd door 'n piernaakten Merkurius, die op wolken zat, en
heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan
den rand. De wolken waren gemerkt O & K, N0... later in
te vullen by eventueel gebruik. [1]
-
Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo'n god ook
begonnen zyn met leerlingetjen op 'n kantoor te worden? Hoe leî men
het toch aan in 't oude Griekenland, om iets te worden in de wereld?
O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke
geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch 'n voorstelling gemaakt
hebben van 't begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen
geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen...
kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest... dàt
geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen
met het voorste. En als er breuken zyn... lastig is 't, nu ja, maar
ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m'n best doen,
zooals de dokter gezegd heeft...
Daar
werd weer gestommeld in den gang. Misschien zette een der meiden 'n
‘luiwagen’ buiten de keuken. Of ze smeet 'n ‘varken’ de deur uit...
Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken,
en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er
niemand. Hy had nog niets ‘in den handel’ verricht, nog geen enkele
evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor 'n heel
ristje breuken tegelyk, en toch... hy was vermoeid! De klok sloeg
al, of pas, negen. ‘Reeds’ voor iemand die sedert vyf uren worstelde
met z'n gedachten. ‘Pas’ negen uur, voor 'n werkmannetje dat zoo
graag wou uitmunten, en nu al vóór 't aanvangen van den arbeid, zich
geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den
onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door 't
denkbeeld dat z'n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig
dat-i niet voldoen zou
- 't was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich
zouden ophouden met makkelyke ‘sommen’ - legde hy zichzelf 'n
tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk
betrapte op: zes maal acht is... drie en 'n kwart, of...
niemendal. ‘O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met... den
handel!’
Elken keer dat een der beelden die 'n rol hadden gespeeld in de
laatstverloopen dagen van z'n leven, zich aan zyn verbeelding
vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch
Gooremest, noch de goede Vrouw Claus... hy bloosde, en keek
Merkurius aan, die... ook geen kleeren aan 't lyf had. Wèl...
gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat
hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch
aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel!
En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op 't
kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks,
dienzelfden dag nog, en binnen 'n kwartier misschien, gereed moeten
zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den
grooten Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had
Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld?
't Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet
angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd... noch tegenover
Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!
Ja,
ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was
kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy
was juist, of ter-nauwernood, 'n klein weinigje bekwamer maar dan
Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de
wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om 't te
brengen tot ‘ patroon’ van 'n amsterdamsch ‘huis.’ Dat Femke's
bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven... o, zeker! En
boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i
gaarne...
Weg,
weg, weg met Femke... drie maal negen is zeven-en-dertig: o
god, daar is 't weer! Het was om gek te worden. Juist! Zoo begint...