Idee 1188.                                                


Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in 't uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z'n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z'n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z'n moeder. Ook was 't niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader... [1] 

- Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z'n tyd op 't kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.

- Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stt niet voor 'n jongen die al op 'n kantoor is.

Dat boordje - amsterdamismus voor: halskraag - had 'n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. [2] Door 'n verdrietige gaping in m'n archief - daarvan zullen zich mr sporen vertoonen, helaas! - ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar den handel 'n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen's hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z'n wangen bedykten, maakten op hem 'n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van 'n toga virilis. Vervolgens 'n paar roode streepen, die den weg weezen van z'n mondhoeken naar z'n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femken ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid 'n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z'n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem 'n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar 't was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z'n nieuwe chefs. [3] Dus:

- Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links. 'n Mensch moet vr zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes - 't zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui? - je moet je niet aanstellen als 'n wilde.

Van wildheid was geen spraak, toen Wouter 'n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, 't scheen wel of reeds z'n eerste aanraking met die firma 'n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich - niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch - den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf 'n opgaande stoep gelegenheid om doortedringen tot 'n soort van bel-tage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet zeer flink gestrekte knien besteeg hy de acht of tien trappen. [4] Op 't bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door 't venster van de zykamer het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z'n figuurtje scheen te monsteren. 't Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er 'n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. 't Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z'n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst op de stoep te staan van 'n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stn blyven onder bereik van 't geschut uit die zykamer. [5] Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan hr paleis. De martelende inspektie duurde lang, z lang dat Wouter ernstig begon te denken, f aan den aftocht, f aan 't herhalen van z'n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was 'n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dt oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naast-byliggende plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte! [6]

Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook 't heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z'n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke Historie der Kleinstdterei tot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op 't inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door 'n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten, op 't openen van de huisdeur. Het schynt dat de ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, f dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond 'n heel anderen naam. Ze komt my - met het oog op de van dit woord in m'n vorigen bundel gegeven definitie - ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. [7] Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel eindelyk werd de deur door 'n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:

- Wat mtje? Mot je by mefr weesse? Wa's je booschap? Je skelt huis, jonge! Ik ken niet f'r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel je huis?

By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: je skelt huis... wat is dt?

- Of skel je keuke?

Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen keuken en huis. Wie groente, vleesch, boter of melk kwam brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot het salon - 'n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen - mocht zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z'n opwachting maken wilde aan mevrouw - zou zy 't wezen, die zoo onlieftallig door 't venster van de zykamer gegluurd had? - Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z'n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.

Door m'n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot 'n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van 'n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! Dit nu was de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: 't was 'n halve! De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tween geknipt. [8] De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door 't openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de talloozo hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen roepen: myn huis, je komt er niet in! En nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by z'n benauwde levensopvatting, in den regel 'n dom schepsel blyft! [9] Die onbillykheid is niet uittestaan. Geen Solon of Stuart Mill zouden zich, onder 't genot van zulke bekrompen gemoedsvermogens, hebben kunnen opwerken tot de geniale hoogte, die ze, dat ze, waarop ze... ik weet niet verder. Maar dat Amsterdammers volkomen 't recht hebben zich dommer aantestellen dan anderen, is 'n waarheid waarvoor ik dit vel van m'n Ideen te-pand, en hun eigen gemeentebestuur tot voorbeeld geef. [10] In die stad wordt de Schouwburg... aan den meestbiedende verpacht! *) Dit staal zal wel genoeg zyn. [11]

*) Noot van 1878. Nadat ik deze regelen schreef, is hierin eenige verandering gekomen. Hoe die zaken thans geregeld zyn, weet ik niet. Sedert eenigen tyd is er groote beweging op 't gebied van Tooneelspeelkunst, maar of daaruit iets goeds zal voortkomen, blyft de treurige vraag. Ik vrees dat de meest welmeenende pogingen zullen schipbreuk lyden op 't gebrek dat ik trachtte te schetsen in 958. [12]


[1] Ook was 't niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma's op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z'n vader...

... uit Parijs kwamen (1091) of niet echt (1121).
 


[2] Dat boordje - amsterdamismus voor: halskraag - had 'n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker 't jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we 't eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat.

Hieromtrent moet de lezer, desgewenst natuurlijk, 364 raadplegen.
 


[3] Hy voelde dat dit hem 'n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar 't was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z'n nieuwe chefs.

Hier leren we weer iets wezenlijks over het spelen van rollen: Er zijn, breed genomen, drie soort spelers van maatschappelijke rollen.

In de eerste plaats, zij die zich niet (langer) bewust zijn dat ze een rol spelen, en in hun rol geloven alsof deze rol omschrijft wat ze zelf zouden zijn. Dit kan betrekkelijk goede redenen hebben.

In de tweede plaats, zij die zich bewust zijn dat ze een rol spelen, en zich op liegen en bedriegen toeleggen vanwege de voordelen die dit biedt of omdat dit tot de rol behoort.

In de derde plaats, zij die rollen spelen omdat het niet anders kan. 
 


[4] Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg 't geschiktste, en met niet zeer flink gestrekte knien besteeg hy de acht of tien trappen.

Het is weer tijd voor een letterkundige noot: Er stt "trappen", maar tegenwoordig "noemt men zulks" treden.
 


[5] Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stn blyven onder bereik van 't geschut uit die zykamer.

Zie 475.
 


[6] Wat baatte hem nu Holsma's heerlyk voorschrift om altyd flink z'n naast-byliggende plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In 's hemelsnaam: hy wachtte!

Holsma's voorschrift helpt hier niets.
 


[7] En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd.

Het lijkt mij waarschijnlijk dat Multatuli in zijn beschrijving van de fa. Ouwetyd & Kopperlith uit eigen ervaringen put, want hij werd met z'n vijftiende van de de Latijnse school verwijderd of gehaald (wellicht omdat hij te speels was, of te brutaal, of z'n lessen niet leerde), en door z'n vader "in de handel" gedaan.

Wat hij feitelijk deed is niet bekend, maar de gissing dat hij enige jaren overgeleverd was aan een firma als waarbij Wouter nu zijn opwachting maakt lijkt mij plausibel vanwege de rijkdom aan details, de intensiteit van afkeer, en de langdurigheid van de beschrijving, want deze gaat door tot halverwege Ideen 7.
 


[8] De huisdeur waarachter 'n rechtgeaard Amsterdammer z'n vrouw, z'n effekten en z'n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tween geknipt.

Ik neem aan dat M. de waarheid schrijft over veel deuren van Amsterdamse grachtenpanden in de vroege 19e eeuw. Sindsdien is het minstens enigszins veranderd, en n van mijn vroege herinneringen is dat ik als 3-jarige in Haarlem, anno 1953, met grote bewondering zo'n tweedelige deur beschouwde, die toegang gaf tot de woning van vrienden van mijn ouders. Ik kende dat niet uit Amsterdam, waar ook ik, helaas (308), geboren ben, maar woonde daar inderdaad niet op of aan 'n gracht.
 


[9] En nog zyn er gevoellooze bedillers, die 't den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by z'n benauwde levensopvatting, in den regel 'n dom schepsel blyft!

Namelijk van 't genus Multatuli of ikzelf, al moet ik toegeven dat ikzelf troost zoek in de overweging dat domheid gewoonlijk aangeboren is, dus weliswaar tragisch en pijnlijk is, maar ook niet ontkoombaar en niet laakbaar. Er is enige troost te vinden in de overweging dat de meeste mensen te dom zijn om slecht te zijn met opzet, en het kwade dat ze doen verrichten uit conformisme, plichtsgevoel of idealisme.
 


[10] Maar dat Amsterdammers volkomen 't recht hebben zich dommer aantestellen dan anderen, is 'n waarheid waarvoor ik dit vel van m'n Ideen te-pand, en hun eigen gemeentebestuur tot voorbeeld geef.

[11] In die stad wordt de Schouwburg... aan den meestbiedende verpacht! *) Dit staal zal wel genoeg zyn.

[12] Sedert eenigen tyd is er groote beweging op 't gebied van Tooneelspeelkunst, maar of daaruit iets goeds zal voortkomen, blyft de treurige vraag. Ik vrees dat de meest welmeenende pogingen zullen schipbreuk lyden op 't gebrek dat ik trachtte te schetsen in 958.

 

Idee 1188.