Idee 1187.                                                


Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden.
Non omnibus licet... zonder de minste toespeling op Corinthe.

Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien. [1]

De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan 't meerendeel van z'n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z'n bedstee zoodra 't licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat, kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vr hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. [2] Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy 'n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, die na al 't vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in 't kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.

- Zeker, zeker, dacht hy - nu-en-dan overluid - ik zal braaf oppassen, en terdeeg m'n best doen, en werken tot ik mo ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femken eens mogen spreken? Zou dt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m'n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan?

En... dat Stakkervrouwtje?

En... dat portret! [3]

Ik wil en zl denken aan m'n werk, alleen aan m'n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen Strabbe en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen op zoo'n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe, zyn de sommen op zoo'n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. [4] Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik 't knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik 't geworden was om haar plezier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m'n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben. [5] En... Femke zal trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die 'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil! [6]

Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... z! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was niets dat uit de verte halen kon by hr. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en drom heeft hy haar gegroet. [7]

Zoodra ik heelemaal groot ben - ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zl ik! - nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en z dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, en allemaal! [8] Ik zal er iets inbrengen van 'n geroofd schild, en... Femke zal het terugbrengen... zy, of ik, of... wy samen. Ja, z zal 't wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m'n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. [9] En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z'n hart, vertelde terstond 'n ander iets over z'n smart. 'n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is 't heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat 'n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z'n beminde voor hem stierf - ik zou 't ook niet toestaan - dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was 't weer om 't rym. Daarom zal ik niet rymen in m'n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vr dien tyd...

 Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,
 My weglokt van de taak die op me rust.
 Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,
 En tracht me wegtestelen van m'n plicht...
 Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen
 Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,
 En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,
 U ziende, blind zyn... doof als gy me roept,
 En stom, als 't hart me berst van drang tot uiting.
 Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,
 Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,
 En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren...

- Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op? [10]

- Hm... ja... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in 't bed, en... en... dr sprak ik over!

Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Z had de dokter gezegd! [11]

En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. [12] En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z'n Strabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van 't ontbyt.


[1] Fancy's luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z'n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien. 

Een en ander begon in 1134, en nam dus zo'n 55 ideen en ruim 150 paginaas in de Garmond-editie. En wat gaat volgen zijn ongeveer evenveel ideen en paginaas, in Ideen VI en VII, die handelen over Wouter's alledaagse besognes op het kantoor van Ouwetyd en Kopperlith. Pas halverwege Ideen VII beginnen er weer bijzondere dingen te gebeuren met en rond Wouter.


[2] Wat z'n diligentie in dit opzicht aangaat, kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vr hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn.

Wel, ik merk maar op dat de dokter wel bedoeld zal hebben die "utopien en fantastische begeerten" uit te sluiten, maar dat niet uitdrukkelijk gezegd had. En overigens is het minstens een beetje een probleem dat alles dat in eigen macht licht dat men kan doen aan verbetering van zijn eigen lot moet beginnen als een "fantastische begeerte", en in het begin nauwelijks meer kan zijn dan dat, met een mogelijke kans ooit verwerkelijkt te worden.


[3] Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m'n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in 't hoofd gezet heeft dat ik op 'n paard reed? En dat ik 'n sabel op-zy had... 'n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze 'r aan?

En... dat Stakkervrouwtje?

En... dat portret!

Hier somt Wouter z'n recente avonturen en ontdekkingen, zoals ze aan hem verschenen, voor zichzelf op. Ik geef de lezer die er over wil peinzen of het herlezen wat hulp in de vorm van links:

waar ze m'n prent bewaart : 1169
wie zy eigenlyk is : o.a. 1165-1 en 1186

dat ik op 'n paard reed? : 1166
dat Stakkervrouwtje? : 1172
dat portret! : 1176


[4] Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik 't knapste jongetje van de school was?

Dit grijpt terug naar Ideen 5: 1063. Dit is ook de gelegenheid dat Wouter Femke ten huwelijk vroeg en zij daarom in lachen uitbarstte.


[5] Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik 'n wezenlyke man ben.

We hebben eerder herhaaldelijk vernomen dat Wouter zich zorgen maakte over de Grieken, die, met hulp van de Engelse dichter Byron, de Turken bestreden. Zie bijv. 1085.


[6] En... Femke zal trouwen met 'n matroos, of 'n timmerman, of... met 'n schipper die 'n bonte muts draagt, of... met 'n prins, als ze wil!

Iets als die "matroos" en als die "prins", in ieder geval, schijnbaar of werkelijk i.v.m. Femke, zullen we in Ideen 7 tegenkomen.


[7] Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo'n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... z! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was niets dat uit de verte halen kon by hr. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en drom heeft hy haar gegroet.

Hier zien we weer Wouter's gedachtegang, ingericht naar zijn begrippen. Ik haalde het eruit om op te kunnen merken dat dit soort misvattingen heel menselijk en heel gebruikelijk zijn: Iedereen vergist zich over veel dat hij over anderen denkt.


[8] - nu, later dan, wil ik ook eens 'n treurspel maken, en z dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en 't Volk, en allemaal!

De lezer weet waarschijnlijk dat Multatuli iets dergelijks deed, of beoogde, met Vorstenschool.


[9] En ik wou m'n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym.

Wie hier meer van wil weten en het nog niet deed leze Multatuli over Bilderdijk's "Floris", dat begint in 1053.


[10] - Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?

Het is aan Wouter's als boekdrukker werkzame oudere broer om Wouter's niet-rijmende regels te classificeren als "versjes".


[11] Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Z had de dokter gezegd!

Zie [2]: Ook niet precies - en wellicht was "naastbyliggende werkelykheid" beter geweest dan "naastbyliggende" plicht, omdat het laatste toch gewoonlijk neerkomt, en in Wouter's positie neer moest komen, op doen wat men opgedragen wordt te doen.


[12] En nogeens dwaalden z'n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich.

Zoals z'n oorspronkelijke ingeving ook was aan 't eind van 1166 en zoals vrouw Claus deed in 1167.
 

Idee 1187.