Idee 1184.                                                


En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouters romantische omzwerving, en zorg dat m'n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van 't onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner ge´mprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem... [1]

Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydag-avend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over 't vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend was. [2] Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en 't overslaan van Wouter's naam by 't oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was 'n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze 't standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken. [3]

En ook van de geestige onwetendheid die we na´veteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet. [4] Ze hadden in dit byzonder geval alleen hierom niets ergs gedacht, omdat ze gewoon waren in 't geheel niet te denken, en deelden dus de verdienste van 't vertrouwen, met Wouter's muts die er ook geen kwaad in zag, juffrouw Laps 'n paar uurtjes gezelschap te houden.

Om de onwaarde dezer soort van onschuld in 't licht te stellen, bedenke men dat het aantal deftige verleid-barons waarop de meisjes met smart zaten te wachten, hoe gering ook in de werkelykheid, zeer groot was in haar verbeelding. Sedert lang hadden zy zich tot snel begrypen gereed gemaakt, voor 't geval dat er eens eindelyk 'n wezenlyke iemand mocht opdagen, die de goedheid had wat te doen te geven aan haar deugd. Met 'n tiende deel der krygskunde van juffrouw Laps, zouden de Lovelaces [5] kunnen volstaan, en juist hieraan had zy te danken dat men op hßßr pogingen zoo weinig acht sloeg. Een treurige verwringing van 't zieleleven stond het waarnemen en beoordeelen der psychologische verschynsels by anderen, vierkant in den weg. Zoo bemerkt de beschonkene niet dat z'n kameraad te veel gedronken heeft. Alle studie vordert matigheid, onthouding, ekonomie van verstand en hart, en in zekeren zin ascetisme. De zeer moeielyke taak van zielontleding kan niet worden ten-uitvoer gebracht door iemand die z'n eigen ziel wegwerpt, d.i. 't gereedschap waarmee hy arbeiden moet. Deze waarheid schynt zeer eenvoudig, en wordt toch door de meesten niet begrepen. [6] Men moet hun uitdrukkelyk by-herhaling verzekeren - en dan nog vaak te-vergeefs - dat 'n dronken Jan Steen niet schilderen kan, en dat 'n kunstenaar die voortbracht wat hy voortbracht, met inspanning moet gewerkt hebben. Arbeid nu is 't meest doorslaand blyk van moraliteit. Wie dit niet inziet, heeft te weinig gewerkt, en staat dus ook zedelyk niet zeer hoog. [7]

Wil men in deze opmerking 'n voorloopig antwoord vinden op de poging die ik - door ervaring geleerd! - van m'n landgenooten te-gemoet zie, om myn arbeid te vereenzelvigen met enkelen myner typen, my met Stoffel en juffrouw Laps... het zy zoo! [8] We weten nu eenmaal hoe 't Nederlandsch Publiek gewoon is z'n schulden te betalen. Ik las dezer dagen eenige Tydschriften, en ben treurig gestemd. Niet om-mynentwil, maar om 't land waar ik 't ongeluk had geboren te te worden. De weerklank die tot my komt... [9]

Doch we zyn by de Pietersens, en wel op den saturdagmorgen toen Wouter zoo duchtig werd onder-handen genomen door de goeie Vrouw Claus. Ik zal trachten m'n stemming te overwinnen, en voortgaan zoo goed of kwaad dan als de bitterheid over kwaadaardige miskenning toelaat of veroorzaakt. [10] Bovendien, ik acht me niet geroepen om verschipbreukte lettermannen aan wat opgang te helpen.


[1] Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner ge´mprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar 'n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...

Zie 1117.
 


[2] In m'n archieven vind ik geen spoor van angst over 't vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z'n verwanten ten-eenen-male onbekend was.

Tja. Het waren andere tijden, TV-loos ook, maar tegenwoordig weet zelfs de allerdomste Nederlander van de lusten van oudere heren voor kleine kinderen, en misschien ook van oudere dames voor jongens. Toch lijkt het me niet aannemelijk dat juffrouw Pieterse uit onbegrip berust zou hebben als ze ervan geweten zou hebben.
 


[3] De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze 't standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.

Over de vermogens van de Pieterse's maak ik me geen illusies, maar het is me niet duidelijk waarop M. doelt met z'n "standpunt van beredeneerd vertrouwen" "omtrent Mensch en Wereld". Ikzelf neig er toe om, als ik geen relevante kennis van mensen heb, te gissen dat ze waarschijnlijk overwegend conformistisch zijn en onverschillig voor het lot van de meeste andere mensen.
 


[4] En ook van de geestige onwetendheid die we na´veteit noemen, was hier geen spraak. Dat de Pietersens voor weinigen uit den weg behoefden te gaan in onkunde, moge waar zyn, maar geestig waren ze niet.

Ik geloof het graag, maar het werpt toch weer het probleem op hoe een zo intelligent kind als Wouter in zo'n familie geboren kon worden. 
 


[5] .. de Lovelaces ..

Multatuli heeft hier geen wonderbaarlijke kennis van veel latere - hm - filmsterren, maar verwijst naar een karakter van de 18e eeuwse Engelse schrijver Samuel Richardson, dat door hem wel omschreven werd als "verleidbaron".
 


[6] Deze waarheid schynt zeer eenvoudig, en wordt toch door de meesten niet begrepen.

Zoals overigens het geval is met de meeste waarheden.
 


[7] Arbeid nu is 't meest doorslaand blyk van moraliteit. Wie dit niet inziet, heeft te weinig gewerkt, en staat dus ook zedelyk niet zeer hoog.

Nee, dit is uit dezelfde grondstof als dat een mens z'n plicht (naastbijliggend) behoort te doen: Zolang niet uitgelegd is wŔlke plicht of wŔlke arbeid voor wŔlk doel is het aandringen op plichtdoen of arbeiden alleen maar een aansporing tot conformisme.
 


[8] Wil men in deze opmerking 'n voorloopig antwoord vinden op de poging die ik - door ervaring geleerd! - van m'n landgenooten te-gemoet zie, om myn arbeid te vereenzelvigen met enkelen myner typen, my met Stoffel en juffrouw Laps... het zy zoo!

Waar dit op slaat weet ik niet, maar 't is wel een feit dat Multatuli's Ideen inclusief "Woutertje Pieterse" weinig gerecenseerd werden, en dat wat ik van die recensies las - in de VW - slecht was, ook als het door bewonderaars geschreven was.
 


[9] Ik las dezer dagen eenige Tydschriften, en ben treurig gestemd. Niet om-mynentwil, maar om 't land waar ik 't ongeluk had geboren te te worden. De weerklank die tot my komt...

Ik heb er herhaaldelijk op gewezen dat Multatuli publiceerde om maatschappelijke opgang te maken, wat hij wilde om een maatschappelijk hervormer te kunnen worden. In feite staat ÚÚn van de duidelijkste uitdrukkingen van wat Multatuli eigenlijk wilde in "Millioenen-studien", waar ik citeer uit het eind van het hoofdstuk "Onder de grond", waarin Multatuli uitlegt aan een geest waarom hij veel geld wil. Hij schreef dit rond de tijd dat hij Ideen VI schreef, of iets eerder:

"Ik wil geld, Meester, en veel, veel, veel! (..) Ik moet me een plaats kunnen kopen in de volksvertegenwoordinging...
- Worden die plaatsen gekocht?
- Indirekt ja. Of liever ze worden door en met geld verkregen zonder betaling. (..) Ik moet dan, dˇˇr of met geld, me een plaats veroveren vanwaar ik waarheid kan doen horen aan ministers... 'n ministersplaats ook, om de waarheid te kunnen zeggen aan koningen. Geld heb ik nodig om zelf koning te zijn, opdat ik 't recht en de macht bezitte goed te doen aan het volk.... liefst z˛nder ministers. Geld heb ik nodig voor legers, om menschenslachtende vorstjes te onttroonen in Afrika... en andere werelddeelen. Geld om bevoegdheid te koopen tot het nazien der boeken van weeshuizen en armeninrichtingen. Geld voor volksbibliotheken (..) Ik heb geld nodig, Meester, tot het bezoldigen van onderwyzers in de natuurkunde, geld voor algemeene hygiÚne, geld voor het wegruimen van rivierdyken, die vervloekte oorzaken van watersnood en verzande havens. Geld tot het uitwisschen van grenzen, geld voor vruchtboomen langs de wegen, geld voor den beul...
- HŔ?
- Ja, pensioen. Geld tot ondersteuning zonder smaad van invalide burgers, geld tot betaling van - des-noods onvrywilligen - arbeid derzulken die arm werden door traagheid. Geld voor ware, d.i. veredelende kunst. Geld voor genot. Geld voor geluk. Geld voor deugd! En Meester, zˇˇveel geld wenschte ik, dat er (..) nÓ dat alles, nog iets overschoot om m'n lief gezin te behoeden tegen gebrek."
(Millioenen-studien, p. 51-52, Vierde met zorg herziene druk, 1900).
 


[10] Ik zal trachten m'n stemming te overwinnen, en voortgaan zoo goed of kwaad dan als de bitterheid over kwaadaardige miskenning toelaat of veroorzaakt.

Dit lukte Multatuli uiteindelijk niet erg goed, want na Ideen VII hield hij op met schrijven voor publiek, en deed dat nauwelijks in de laatste 10 jaren van zijn leven. De voornaamste oorzaken zullen psychologisch geweest zijn, namelijk een mengsel van verbittering, teleurstelling, en depressie, maar er waren ook fysieke en financiŰle gronden, want Multatuli had vanaf ca. zijn 50ste levensjaar steeds meer last van iets dat erg op asthma leek, terwijl hij uiteindelijk door de inzet van zijn bewonderaars en de hulp van zijn uitgever Funke een klein pensioen verwierf, dat hem behoedde tegen het verhongeren, maar zo klein was dat hij ook dat beledigend vond, en een reden om niet voor publiek te schrijven.

Idee 1184.