Maar we zyn met Wouter
in den schouwburg. Temidden van al 't gerymel, ontstond er op-nieuw
zeker rumoer. Een der Majesteiten - die van Kykduin zeker - had zich
verwaardigd 'n glas oranjewater te vragen, en de buvetjuffer was
niet in 't bezit van zoo'n vreemden drank. [1] Ze had punsch, chokolade,
en zelfs - naar oud-amsterdamsche tooneeltraditie - slemp,
maar: eau de fleur d'orange? Er werd met alle haast naar 'n
apotheker gezonden, die 'n fleschjen olie meegaf. Nieuwe
opschudding. Als 'n vuurtje liep 't gerucht door de zaal, dat men
Z.M. op iets liet... wachten. Ongehoord! En juist verhaalde de oude
Koning Minos in zeer smaakvolle bewoordingen aan 'n vertrouweling,
dat-i verliefd was:
-
‘een aangename brandt
- Verspreidt haar
vonken door uw Konings ingewandt...
‘De d'eau de
fleur d'orange, que... diantre!’ riep 'n kamerheer, luid genoeg
om door de heele zaal verstaan te worden. En Minos -
Snoek of 'n ander dan - moest bemerken, òf
dat niemand belangstelde in z'n liefdebuikpyn, òf dat men die
genezen wou met oranjebloesem. Arme Rotgans!
Een
koekbakker in den engelenbak wilde z'n specialiteit te luchten
hangen, en trachtte z'n buren begrypelyk te maken wat er bedoeld
werd. Maar de policie, achter-af geplaatst, en niet op de hoogte van
de zaak, greep hem by den kraag. Men bracht hem naar de wacht, waar
de man voorloopig in arrest werd gehouden als beschuldigd van
opruien tot 'n orangistische demonstratie. Dergelyk misverstand
greep ook by anderen plaats. 't Woord: Oranje...
-
‘Een aangename brandt
- Verspreidt haar
vonken door uw Konings ingewandt...
Dit
verzekerde nu de gryze Minos voor den derden keer, en tevens gaf-i
blyk, niet te kunnen begrypen wat er vandaag toch haperde aan z'n
Publiek, dat zich door deze ontboezeming maar niet wou laten roeren.
De orkestmeester nam z'n dirigeerstok, en maakte zich gereed tot:
veiller au salut de l'Empire. Velen stonden op, om by-de-hand te
zyn tot snel wegloopen, ten-einde hun vaderlandsliefde ongeschonden
thuis te brengen. Men haatte, men verwenschte, men vervloekte den
vreemden tiran, o ja, maar... liefst op 'n afstand, en
binnen'skamers. *)
[2]
Zoo'n volksbeweging is allerliefst... in 'n boek. Gracchus, Mucius
Scaevola, Harmodius en Aristogiton, de beide Brutussen, Spartacus,
Masaniëllo, Kenau Hasselaar, de delikate Judith, jazelfs Ehud, die
zoo loyaal den dikken koning Eglon 't zwaard in den buik steekt...
-
‘Een aangename brandt
- Verspreidt haar
vonken door uw Konings ingewandt...
... nu ja, zoo iets
laat zich aangenaam lezen in Richteren III
[3],
en ook in dramaas kan men zulke zaken tot snikkens toe mooi vinden,
maar 'n deftig man laat zich niet in met gemeene oproerighedens. Ze
zouden al zeer goed moeten gelukken, om iemand niet te staan te
komen op z'n leven, en zelfs op z'n fatsoen. [4]
De
gearresteerde koekbakker schreeuwde als 'n bezetene. Het scheen
dat-i de zuiverheid van z'n bedoelingen wou begrypelyk maken aan
twee italiaansche kommissarissen van policie, die evenmin als
Napoleon-zelf genoten hadden van de dichterlyke schoonheden in 't
hollandsche stuk, en dus ook niet zeer bevoegd waren tot de
waardeering van des koekbakkers hollandsche onschuld.
De
keizer-zelf scheen glad vergeten te hebben dat-i om oranjewater
gevraagd had, en was zoo verdiept in den platten grond der
vestingwerken te Huisduinen...
-
Qu'y a-t-il? scheen hy, eindelyk opziende, te vragen aan de dame
naast hem.
-
‘Een aangename brandt,
- Verspreidt haar
vonken door uw Konings ingewandt...
Dit antwoordde
Minos. Wat de dame zei, die naast den keizer zat, ben ik niet te
weten kunnen komen, maar 't schynt dat ze den tiran
tevreden gesteld heeft. Althans er werd gewenkt dat Minos mocht
voortgaan, en na nog eenmaal den lichtelaaien gloed van z'n
ingewanden stuiptrekkend bezongen te hebben, leuterde de man door.
Of er ten-laatste dien avend eau de fleur d'orange voor den
dag gekomen is, zou ik alweer niet met zekerheid durven zeggen. We
willen 't hopen!
Wouter bemerkte dat de volwassen leden van de familie Holsma
by-voortduring niet den minsten acht sloegen op het stuk. Ze
richtten hun blikken naar de loges, doch blykbaar met andere
bedoeling dan de meesten, of zelfs dan àlle anderen, die de hooge
personaadjes alleen om de vreemdigheid aangaapten. Ook uit de
afgebroken zinsneden die tusschen Oom Sybrand met z'n broeder en
zuster gewisseld werden, scheen te blyken dat hun aandacht door iets
zeer byzonders werd tot zich getrokken.
-
Als ze niet spoedig komt, ga ik heen, zei weder mevrouw Holsma.
-
Misschien zit zy in de keizersloge, en achter-af. Dan kunnen we haar
van-hier niet zien.
-
Men heeft me gezegd, dat ze te Parys nooit 'n kwartier achtereen op
dezelfde plaats blyft. Misschien komt ze straks dáár of dáár...
En
met 'n bescheiden beweging van den uit z'n vuist opgestoken duim,
wees Holsma 'n paar der zyloges aan.
- Ze
komt soms in 't parterre ook, naar ik hoor.
-
Langer dan nog vyf minuten wacht ik niet, zei mevrouw Holsma. M'n
kleine Erik is my meer waard dan duizend...
Wouter meende te verstaan: ‘dan duizend nichten.’ Ja, zóó zal 't ook
wel geweest zyn. Want:
-
Van den koning, voegde Holsma er by.
Dit
deed hem den draad weer verliezen. Hy had gemeend dat Femke bedoeld
werd. En nu: van den koning? Waarom was juist die
prinses zoo belangwekkend? De loges zaten vol neven en nichten, de
een nog meer opgepronkt dan de ander. Welke byzonderheid verhief
juist die eene afwezige, in aanspraak op belangstelling tot
mededingster van den kleinen zieken Erik? Toen de tooneelspelers het
derde bedryf hadden afgealexandrynd, was de zorgvuldige moeder niet
langer te houden. Ze verliet de zaal met Oom Sybrand, die weldra zou
terugkeeren met Femke:
-
Als ze wil! voegde hy er by, op 'n toon die twyfel te kennen gaf.
Want, zeid-i, ze houdt niet van drukte.
O
he, dit meende Wouter beter te weten. Oom Sybrand had haar eens op
de Botermarkt moeten zien, en in de gekroonde Jeneverbes!
Maar zulke dingen verklapt geen ridder. Hy zweeg dus.
*) Zie over die
vaderlandslievende binnenkamers, myn
Pruisen en Nederland, blz. 42.
[1]
Een der Majesteiten -
die van Kykduin zeker - had zich verwaardigd 'n glas oranjewater te
vragen, en de buvetjuffer was niet in 't bezit van zoo'n vreemden
drank.
Ik neem aan dat M. hier
ook dacht aan 672, waar ook al
sprake is
"Kykduin... 'n woord dat de keizer maar niet behoorlyk kon leeren
uitspreken", en waar Multatuli
een ontmoeting van z'n ouders en Napoleon beschrijft. En de
symboliek van het "glas
oranjewater" is te opgelegd om
uit te hoeven leggen.
[2] Men
haatte, men verwenschte, men vervloekte den vreemden tiran, o ja,
maar... liefst op 'n afstand, en
binnen'skamers. *)
En achteraf. God's wegen zijn
ondoorgrondelijk, maar het is tamelijk mirakels dat in Holland in de
Tweede Wereldoorlog ruim 1% van de burgerbevolking is afgevoerd en
vermoord, terwijl toch vrijwel de gehele Nederlandse bevolking in het
verzet zat, naar eigen zeggen. Achteraf, tenminste.
[3] ..
zoo iets laat zich aangenaam lezen in Richteren III
[4] ..'n
deftig man laat zich niet in met gemeene oproerighedens. Ze zouden al
zeer goed moeten gelukken, om iemand niet te staan te komen op z'n
leven, en zelfs op z'n fatsoen.
Zo gaat dat, en nu kan de lezer weten
waarom deftige heren zelden revolutionair zijn, en ook waarom de
deftige stand van Nederland uit Multatuli's tijd, aan wie hij zich
voornamelijk richtte, zich in grote meerderheid niet met hem
inlieten, zelfs als ze meenden dat hij op sommige punten (overwegend)
gelijk had.