Idee 1179a.                                                


Der kunsten god aan 't Y, met geestdrift
, enz. Heel sterk in mythologie was Wouter nog altyd niet. Maar hy begreep toch iets van dit opschrift der tooneelgordyn. Verdienste en Deugd. [1] Wel zeker! Wanneer, byv. Minos zich veroorloofd had, het haartjen aantenemen, dat hem door die leelyke Scylla gebracht werd, zouden Burgemeester en Wethouderen dat stuk van Rotgans verboden hebben, in weerwil van z'n buitenplaats. Maar zoo-iets kon niet verwacht worden van iemand die verwant was aan de Huydekopers. En... Leentje's: Onechte zoon dan? Wel, de oude baron keert immers behoorlyk terug op 't pad der deugd... gelyk zulks genoemd wordt, en dt was de bedoeling van die twee versregels op 't scherm. [2]

Maar, dacht hy, waarschynlyk heeft men al sedert vele jaren stukken opgevoerd, waarin Verdienste en Deugd aangeprezen, beloond, en dus: gekweekt worden. En iets dergelyks zal men in den tyd van die Scylla ook wel gedaan hebben. Vanwaar dan, dat ze niet geleerd had dat men nooit z'n vader 'n purper haartje moet uittrekken, vooral wanneer daaraan 't behoud van Stad en Land is vastgeknoopt? Waarom zyn er nog altyd booze menschen, als ze toch in de komedie elken avend op hun gemak kunnen te weten komen hoe slecht het afloopt met ondeugendheid? [3] Willem zei dat die Scylla om haar boos gedrag door de goden veranderd werd in 'n roofvogel...

Deze straf kwam Wouter wat licht voor. Hy vond de betrekking van duif beter voor 't meisje geschikt. Dan kon ze geplukt worden op hr beurt...

Zoo goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden f gewone dingen, f erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken. Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets zeggen, en 't kort gesprek dat daaruit voortvloeide:

- Ik denk dat ze dr zitten zal... ls ze komt!

- 't Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten voor niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.

- Nu, Femken is vertrouwd!

- O ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang wacht ik niet op haar...

- 't Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen dat ze veel luimen heeft, en die altyd involgt. Aan etikette stoort ze zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten.

- Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Hl veel belang stel ik niet in de zaak...

De beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.

Een groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal staan...

Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z.M. was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet zonder 'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...

Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit. [4] Vivat sequens!

...hy had daarna 'n oogenblik - n oogenblik maar - in de zaal rondgezien, ven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te zeggen: 't is wl! en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.

Ook de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld. [5] Dames met lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen. De boezems zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den pink tot den oksel reikten. Op 't hoofd droegen de dames tulbanden, toques, bloemtuinen... dr was wat te plukken gevallen voor Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit schoonheidsgevoel.

De muziek speelde...

't Spreekt vanzelf... daar ws ze weer, de lyzige melodie van den dapperen Dunois!

Een vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja, van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...

Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers was de man van de korte verzen waarin zooveel echt-vaderlandsche pit zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan voor den: jeune et beau Dunois!

Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bnir ses exploits, toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen kon dat de Keizer zat. De Holsma's recht naarboven ziende, werden slechts 'n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z.M. de maat sloeg...

De maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen, duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden, zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine, juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame volstrekt niet was. De koord van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n gexekuteerde. Dit was hem in de hand der Palatine nog nooit overkomen!

De Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende.

Een afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie 't opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en 't perfide Albion.

Onze verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n izegrim. Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't fluweel van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen, kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, schoten toe. Maar Z.M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel 'n oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar 't orkest te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De bevolking van de voorste loges gaven den orkestdirekteur te kennen, dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan, met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte verving nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk 'n te laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den engelenbak namelyk - dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers, want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de markt van rang overvoerd was - in den engelenbak had 'n onverlaat zich de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te zingen, wl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's prachtstuk.

Was zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje? Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting ople, juister te zyn dan de Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn. [6]

De stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: o peut on tre mieux. De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de muziek toetelichten met de bekende romance van 'n sleepersknol... op hol toen er bleek dat Z.M. nog altyd niet voldaan was. 't Moest: veillons au salut de l'empire wezen! Dacht hy er aan, dat het huiselyke: waar kan men beter zyn bewaard moest blyven voor de Beresina, by den terugtocht uit Rusland? Want by die gelegenheid is 't - o bloedig sarkasme! - gespeeld.

Veillons dus! Weer het knikje: 't is wl! en weer liet hy zich vallen in z'n fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by Huisduinen. Toen 't Veillons behoorlyk was afgespeeld, mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed, goddank!

Het scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans:

 Ja, Minos, aan 't geschenk dat ik u heb gegeven,
 En uit de kerk geschaakt...

- Wt vroeg Wouter. Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...

- Sjt! zie Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje.

Heel juist geraden! De treurspeldichter had den vreemdsoortigen crinis purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?

 ...hangt Nisus' kroon en leven!

- Qu'est-ze qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il barat que zela zero exczivemang larmoyang! Za doilette est egzgraple! La bedite est attire d'une magnire... et quelle langue, mong Di, mong Di, quelle langue! Za m'gorssche les oreiglles!

Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te Boulogne... te Dover... overal, behalve dr! Behalve daar, en... op Sint Helena!

Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem te vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n wangen rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vr hem. Wie met half geopende mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in 't kamp van Koning Minos. [7]

Een schild in-plaats van 't haartje? dacht hy. Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op t pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken. [8]

Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld. [9]


[1] Der kunsten god aan 't Y, met geestdrift, enz. Heel sterk in mythologie was Wouter nog altyd niet. Maar hy begreep toch iets van dit opschrift der tooneelgordyn. Verdienste en Deugd. 

Ongetwijfeld herinnert de lezer zich nog uit 1050 dat

 Der kunsten God, aan 't Y met geestdrift aangeben,
 Kweekt hier in 't heilig koor, verdienste en deugd alleen,

te lezen was op het Amsterdams toneelscherm van de stadsschouwburg. (Er stond ongetwijfeld "IJ" en wellicht een "e" teveel in "
Kweekt".)
 

[2] En... Leentje's: Onechte zoon dan? Wel, de oude baron keert immers behoorlyk terug op 't pad der deugd... gelyk zulks genoemd wordt, en dt was de bedoeling van die twee versregels op 't scherm. 

De lezer die meer wil weten over Wouter's kennis van toneel verwijs ik naar 1049c en 1050.


[3] Waarom zyn er nog altyd booze menschen, als ze toch in de komedie elken avend op hun gemak kunnen te weten komen hoe slecht het afloopt met ondeugendheid?

Hier hebben we een vraag die Wouter zich herhaaldelijk stelde, en Multatuli ook. Ikzelf heb er iets over gezegd onder 423, 817, 1112 en 1171, en zal er meer over komen te spreken onder i1186.


[4] niet zonder 'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg stonden...
Dit was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.

Multatuli was in z'n jeugd een bewonderaar van Napoleon, en had zelf ook een soort Napoleontische doelen met Nederlands-Indi en Nederland, al lukte het hem nooit de maatschappelijke macht te verkrijgen om deze te trachten te verwerkelijken.

Hoe het zij, hij wist ongetwijfeld meer van Napoleon dan ik, zodat ik niet kan zeggen of het hier beweerde op iets feitelijk Napoleontisch slaat.


[5] Men zag zonderlinge kostumes: de Wede Maaskamp en Zonen!

De oplettende lezer kent deze firma nog uit 1089 e.v. waar hij (of zij) leerde dat Wouter daar z'n kleurprenten betrok en z'n sollicitatie-brief voor de fa. Motto, Handel & Cie. moest inleveren. Wouter had dus enig idee hoe de hogere standen zich kleedden.


[6] Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting ople, juister te zyn dan de Historie. We hebben hier noch met stellig gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechts mogelyke indrukken te schetsen, en menschen te teekenen zooals de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.

Voor wie genteresseerd zou zijn in exacte historisch juiste chronologie moet dit een teleurstelling zijn: Ze is niet te vinden in het meegedeelde in "Woutertje Pieterse", en wie moeite neemt het na te zoeken zal nogal wat anachronismes treffen.


[7] Z'n wangen rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der bank vr hem. Wie met half geopende mond deze houding nabootst, kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's tocht in 't kamp van Koning Minos.

Ik verwijs de lezer die in menselijk gedrag is genteresseerd of wil weten welke indruk Wouter nu maakte op anderen naar 1153.


[8] Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op t pad der deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.

Bij gebrek aan Ideen 8 e.v. blijft het speculeren, maar zou Wouter niet een onechte zoon kunnen blijken?


[9] Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld.

Dat een schrijver niet verantwoordelijk is of zou zijn voor het proza dat hij schrijft wordt wel eens bediscussieerd met citaten als de volgende.

Joost van den Vondel dichtte ooit over een theologische faculteit:

't Is best die boeven af te danken
Zij grijpen naar der Staten staf.
Best maakt m'er varkensdrijvers af
Gemest met spoeling en met draf."

Dan W.F. Hermans, die ongelovig was:

"De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien erop los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!" (Ik heb altijd gelijk, 1951)

Afsluitend het stichtelijk godsvruchtig proza van Gerard van het Reve, die Katholiek was:

"En God zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een njarige, muisgrijze ezel (..) 'Mijn heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U', zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en hem beginnen te kussen en naar binnen te trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten." (Nader tot u, 1966)

Over de laatste passage lees ik: "De rechter vond de passage met God als copulerende ezel wel 'kwetsend en godslasterlijk' maar niet 'smalend in de zin der wet'." (En de tweede is een citaat uit een roman.)

Hoe het zij, ikzelf ben een voorstander van volledige vrijheid te zeggen wat men denkt, afgezien van schadende smaad (dus onwaarheden over iemand's karakter of levensloop die deze persoon ook schaden) en bedreigingen met geweld e.d.

Een deel van mijn redenen is dat wat "beledigend" of "kwetsend" zou zijn eenvoudig afhangt van iemand's morele opvattingen, zodat wat "beledigend" is volgens de n de waarheid kan zijn voor de ander, en dat het bijzonder moeilijk of onmogelijk is in veel gevallen om opzet aan te tonen.

Idee 1179a.