Der kunsten god aan 't
Y, met geestdrift,
enz. Heel sterk in mythologie was Wouter nog altyd niet. Maar hy
begreep toch iets van dit opschrift der tooneelgordyn. ‘Verdienste
en Deugd.’ [1] Wel zeker! Wanneer, byv. Minos zich veroorloofd had,
het haartjen aantenemen, dat hem door die leelyke Scylla gebracht
werd, zouden Burgemeester en Wethouderen dat stuk van Rotgans
verboden hebben, in weerwil van z'n buitenplaats. Maar zoo-iets kon
niet verwacht worden van iemand die verwant was aan de Huydekopers.
En... Leentje's: Onechte zoon dan? Wel, de oude baron keert
immers behoorlyk terug op 't pad der deugd... gelyk zulks genoemd
wordt, en dàt was de bedoeling van die twee versregels op 't
scherm. [2]
Maar, dacht hy, waarschynlyk heeft men al sedert vele jaren stukken
opgevoerd, waarin ‘Verdienste en Deugd’ aangeprezen, beloond,
en dus: ‘gekweekt’ worden. En iets dergelyks zal men in den tyd van
die Scylla ook wel gedaan hebben. Vanwaar dan, dat ze niet geleerd
had dat men nooit z'n vader 'n purper haartje moet uittrekken,
vooral wanneer daaraan 't behoud van Stad en Land is vastgeknoopt?
Waarom zyn er nog altyd booze menschen, als ze toch in de komedie
elken avend op hun gemak kunnen te weten komen hoe slecht het
afloopt met ondeugendheid? [3] Willem zei dat die Scylla om haar boos
gedrag door de goden veranderd werd in 'n roofvogel...
Deze
straf kwam Wouter wat licht voor. Hy vond de betrekking van duif
beter voor 't meisje geschikt. Dan kon ze geplukt worden op háár
beurt...
Zoo
goed mogelyk luisterde hy naar de gesprekken om hem heen. De graad
van belangrykheid der opmerkingen die hy hoorde maken, herinnerde
hem eenigermate aan de godzaligheid van pater Jansen, die hem zoo
erg was tegen-gevallen. Al die voorname heeren zeiden òf gewone
dingen, òf erger. De Holsma's waren de eenigen die niet spraken.
Eens slechts hoorde hy Oom Sybrand die naar 'n loge wees, iets
zeggen, en 't kort gesprek dat daaruit voortvloeide:
- Ik
denk dat ze dáár zitten zal... àls ze komt!
- 't
Zou me leed doen, als ik m'n kleinen Erik had alleen gelaten voor
niemendal, antwoordde mevrouw Holsma.
-
Nu, Femken is vertrouwd!
- O
ja! Maar 't drukt me dat ik hier zit, terwyl m'n kind ziek is. Lang
wacht ik niet op haar...
- 't
Is de vraag, of ze gelyk komt met de anderen. Ik hoorde zeggen dat
ze veel luimen heeft, en die altyd involgt. Aan etikette stoort ze
zich niet. Dat schynt in 't bloed te zitten.
-
Als ze 'r om tien uur niet is, ga ik heen. Héél veel belang stel ik
niet in de zaak...
De
beteekenis van dit gesprek hield Wouter maar weer kort bezig. Hy had
ter-nauwernood tyd zich de vraag voorteleggen, wie toch wel de
persoon wezen kon, die oorzaak scheen te zyn dat mevrouw Holsma
tegen haar zin het ziekbed van den kleinen Erik verlaten had.
Een
groote beweging in de zaal, dwong tot aandacht. Men hoorde een
oogenblik haastig schuifelen... alles rees op, en bleef ditmaal
staan...
Een... Keizer of zoo-iets, betrad de koningsloge. Wouter zag er
weinig van. Hy hoorde fluisterend behandelen wat er geschiedde. Z.M.
was haastig naar den voor hem bestemden fauteuil gestapt, niet
zonder 'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg
stonden...
Dit
was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.
[4]
Vivat sequens!
...hy had daarna 'n oogenblik - één oogenblik maar - in de zaal
rondgezien, éven geknikt, als iemand die byna geen tyd heeft om te
zeggen: ‘'t is wèl!’ en daarna z'n fauteuil met 'n ruk schuins
naar-achter gehaald. Hy liet zich daarin neervallen, en 't Publiek
kon weer gaan zitten... nog niet voor goed.
Ook
de andere loges werden nu als door 'n tooverslag gevuld.
[5] Dames met lyven van drie duim, en 'n schoot van byna zooveel ellen.
De boezems zweefden tusschen kin en ceinture. Kleine
pofmouwtjes wisten zelf niet, of ze dienen moesten tot bedekking van
den bovenarm of van den schouder. Maar dit te-kortschieten werd
eerlyk aangevuld door witte kabretleeren handschoenen, die van den
pink tot den oksel reikten. Op 't hoofd droegen de dames tulbanden,
toques, bloemtuinen... dáár was wat te plukken gevallen voor
Scylla! Maar al wat er leelyks te zien was, werd overtroffen door de
onuitstaanbare militaire kostumes van dien tyd. Wie die steeken en
chakots gezien had, begreep terstond waarom de vyand altyd zoo
verschrikt op den loop ging. Die aanhoudende vlucht ontstond uit
schoonheidsgevoel.
De
muziek speelde...
't
Spreekt vanzelf... daar wàs ze weer, de lyzige melodie van den
dapperen Dunois!
Een
vreeselyk geraas stoorde op-nieuw onzen Wouter in het toegeven aan
de herinneringen die deze lamentable deun in hem opwekte. Ook immers
gisteravend op de straten, was dat lied de tolk van... van... nu ja,
van geestdrift niet, maar van de zucht toch om zich aantestellen
alsof men byzonder verheugd was. En zelfs by Vrouw Gooremest...
Debout... debout! werd er geroepen. Een der hardste schreeuwers
was de man van de korte verzen waarin zooveel echt-vaderlandsche
‘pit’ zat. En alles schreeuwde mee: debout! Men moest opstaan
voor den: jeune et beau Dunois!
Reeds was de muziek gevorderd tot de strofe: de bénir ses
exploits, toen er met 'n bundel papier vry driftig op den rand
der koningsloge werd getikt, juist op de plaats waar men berekenen
kon dat de Keizer zat. De Holsma's recht naarboven ziende, werden
slechts 'n stuk van den zonderlingen hamer gewaar, waarmee Z.M. de
maat sloeg...
De
maat? 't Mocht wat! Het geklepper met dat pak dokumenten, in der
haast saamgevouwen tot dirigeerstok, sloeg heel wat anders dan de
maat! Ieder die in 't parterre zat, kon aan de angstige blikken die
uit de loges naar den vreemdsoortigen kapelmeester werden geworpen,
duidelyk bespeuren dat er iets haperde, schoon men van-beneden-af de
oorzaak niet begrypen kon. Deze werd dan ook niet spoedig geraden,
zelfs niet door de bewoners der hoogere sfeeren. Ook de Palatine,
juist bezig haar lievelings-vyandin, de Hertogin-titulair van
Groenland, heel hartelyk te verwelkomen in de tegenover liggende
loge, raakte in de war, wat anders de gewoonte van deze dame
volstrekt niet was. De koord van haar joujou krinkelde, en 't
ding bleef levenloos hangen, als 'n geëxekuteerde. Dit was hem in de
hand der Palatine nog nooit overkomen!
De
Keizer stond op, en tokkelde met z'n rol papier als 'n razende.
Een
afgescheurd driehoekje schrift warrelde tegenzinnig omlaag. Wie 't
opving, kon te weten komen dat er wat aan-de-hand was met Kykduin en
't perfide Albion.
Onze
verstoorde tamboer stond op, en zette een gezicht als 'n izegrim.
Een dame die naast hem zat, scheen genade te vragen, maar hy
luisterde niet, en ranselde hoe langer hoe heftiger op 't fluweel
van de balustrade, zoodat het stof er uit vloog. Lakeien, koningen,
kamerheeren, maarschalken, adjudanten, aides de camp, schoten
toe. Maar Z.M. verkoos niet te zeggen wat hem zoo boos maakte. Hy
verwaardigde zich alleen, het hoofd te schudden, en den roffel 'n
oogenblik aftebreken, om met z'n papieren trommelstok naar 't orkest
te wyzen. Men had nu vryheid, te raden wat dit beteekenen moest. De
bevolking van de voorste loges gaven den orkestdirekteur te kennen,
dat de schuld der stoornis aan hem scheen te liggen, en siste hem
van alle kanten toe. De man schrok, en bleef als versteend staan,
met z'n maatstok zuid-oost half-oost in de lucht, dat hier zooveel
beteekende als heelemaal buiten-west. 'n Plotselinge stilte verving
nu 't geraas, en liet verraderlyk toe, dat men heel duidelyk 'n te
laat ingehouden vaderlandsch nagalmpje te hooren kreeg. In den
engelenbak namelyk - dezen avend bezet door fatsoenlyke burgers,
want alle standen waren 'n graad of tien in waarde gedaald, omdat de
markt van rang overvoerd was - in den engelenbak had 'n onverlaat
zich de magere voldoening gegund: al is ons prinssie te
zingen, wèl bedekt natuurlyk onder de noten van koningin Hortense's
prachtstuk.
Was
zy de dame die om genade gesmeekt had voor haar liedje?
Misschien wel. Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische
juistheid me byzaak is, omdat ik my de verplichting opleî, juister
te zyn dan de Historie. We hebben hier noch met stellig
gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechts
mogelyke indrukken te schetsen, en menschen te teekenen zooals
de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn. [6]
De
stoornis was pynlyk. Allerlei waardigheidbekleeders vlogen als
opgejaagde vleermuizen heen-en-weer, en de arme orkest-direkteur
kommandeerde eindelyk in den angst van z'n hart: ‘où peut on être
mieux.’ De vaderlander uit den engelenbak maakte zich gereed de
muziek toetelichten met de bekende romance van 'n ‘sleepersknol...
op hol’ toen er bleek dat Z.M. nog altyd niet voldaan was. 't
Moest: ‘veillons au salut de l'empire’ wezen! Dacht hy er
aan, dat het huiselyke: ‘waar kan men beter zyn’ bewaard
moest blyven voor de Beresina, by den terugtocht uit Rusland?
Want by die gelegenheid is 't - o bloedig sarkasme! - gespeeld.
‘Veillons’
dus! Weer het knikje: 't is wèl! en weer liet hy zich vallen in z'n
fauteuil, waar-i voortging zich te verdiepen in de vestingwerken by
Huisduinen. Toen 't ‘Veillons’ behoorlyk was afgespeeld,
mochten al de vaderlanders weer gaan zitten. Nu eindelyk voor goed,
goddank!
Het
scherm ging op, en 't woord was aan Rotgans:
- Ja, Minos, aan
't geschenk dat ik u heb gegeven,
- En uit de kerk
geschaakt...
- Wàt vroeg Wouter.
Uit de kerk? 't Purper haartjen uit de kerk? Ik meende...
-
Sjt! zie Willem. Straks zullen we wel te weten komen wat dit
beteekent. Misschien 'n licentia poetica, weetje.
Heel
juist geraden! De treurspeldichter had den vreemdsoortigen crinis
purpureus heel handig omgesmeed in 'n schild dat door Scylla
geroofd wordt. Zeer wel. Maar... uit de kerk?
- ...hangt Nisus'
kroon en leven!’
- Qu'est-ze
qu'elle changte? riep de Paltsgravin. Il baraît que zela zero
excèzivemang larmoyang! Za doilette est egzégraple! La bedite est
attirée d'une magnière... et quelle langue, mong Dié, mong
Dié, quelle langue! Za m'égorssche les oreiglles!
Onder al de aanwezige vreemdelingen had niemand minder te lyden van
den klank der taal, dan die Keizer. Hy was by Kykduin, te
Boulogne... te Dover... overal, behalve dáár! Behalve daar, en... op
Sint Helena!
Wouter luisterde als 'n vink. Niet omdat hy alles begreep, nog
minder omdat alles hem schoon voorkwam, maar de geheele zaak was hem
te vreemd om niet z'n aandacht volkomen in beslag te nemen. Z'n
wangen rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning der
bank vóór hem. Wie met half geopende mond deze houding nabootst, kan
precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van Scylla's
tocht in 't kamp van Koning Minos. [7]
Een
schild in-plaats van 't haartje? dacht hy. Wie weet of niet de
dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook iets zegt van onechte
zoons, en van het terugkeeren op t pad der deugd, dat de menschen
altyd met zooveel plezier schynen te verlaten... zeker om het
terugkeeren mogelyk te maken. [8]
Voor
deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk. Wouter mag
zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in onschuld.
[9]
[1]
Der kunsten god aan 't
Y, met geestdrift,
enz. Heel sterk in mythologie was Wouter nog altyd niet. Maar hy
begreep toch iets van dit opschrift der tooneelgordyn. ‘Verdienste
en Deugd.’
Ongetwijfeld herinnert de lezer zich nog uit
1050 dat
- Der kunsten God,
aan 't Y met geestdrift aangebeên,
- Kweekt hier in 't
heilig koor, verdienste en deugd alleen,
te lezen was op het Amsterdams toneelscherm van de stadsschouwburg.
(Er stond ongetwijfeld "IJ" en wellicht een "e" teveel in "Kweekt".)
[2]
En... Leentje's: Onechte zoon dan? Wel, de oude baron keert
immers behoorlyk terug op 't pad der deugd... gelyk zulks genoemd
wordt, en dàt was de bedoeling van die twee versregels op 't
scherm.
De lezer die meer
wil weten over Wouter's kennis van toneel verwijs ik naar 1049c en
1050.
[3]
Waarom zyn er nog altyd booze menschen, als ze toch in de komedie
elken avend op hun gemak kunnen te weten komen hoe slecht het
afloopt met ondeugendheid?
Hier
hebben we een vraag die Wouter zich herhaaldelijk stelde, en
Multatuli ook. Ikzelf heb er iets over gezegd onder
423,
817, 1112 en
1171, en zal er meer over komen te spreken onder i1186.
[4]
niet zonder 'n paar stoelen omver te loopen, die hem in den weg
stonden...
Dit
was de niet onpraktische gewoonte van Zyne Keizerlyke Majesteit.
Multatuli was in z'n
jeugd een bewonderaar van Napoleon, en had zelf ook een soort
Napoleontische doelen met Nederlands-Indië en Nederland, al lukte
het hem nooit de maatschappelijke macht te verkrijgen om deze te
trachten te verwerkelijken.
Hoe het zij, hij
wist ongetwijfeld meer van Napoleon dan ik, zodat ik niet kan zeggen
of het hier beweerde op iets feitelijk Napoleontisch slaat.
[5]
Men zag zonderlinge kostumes: de ‘Wede Maaskamp en Zonen!’
De
oplettende lezer kent deze firma nog uit 1089
e.v. waar hij (of zij) leerde dat Wouter daar z'n kleurprenten
betrok en z'n sollicitatie-brief voor de fa. Motto, Handel & Cie.
moest inleveren. Wouter had dus enig idee hoe de hogere standen zich
kleedden.
[6]
Maar de lezer weet nu eenmaal, dat historische juistheid me byzaak
is, omdat ik my de verplichting opleî, juister te zyn dan de Historie. We hebben hier noch met stellig
gebeurde feiten noch met datums te doen, en trachten slechts
mogelyke indrukken te schetsen, en menschen te teekenen zooals
de denker zich kan voorstellen dat ze geweest zyn.
Voor wie
geïnteresseerd zou zijn in exacte historisch juiste chronologie moet
dit een teleurstelling zijn: Ze is niet te vinden in het meegedeelde
in "Woutertje Pieterse", en wie moeite neemt het na te zoeken
zal nogal wat anachronismes treffen.
[7]
Z'n wangen rustten op beide vuisten, en z'n elbogen op de leuning
der bank vóór hem. Wie met half geopende mond deze houding nabootst,
kan precies weten hoe nieuwsgierig hy was naar den afloop van
Scylla's tocht in 't kamp van Koning Minos.
Ik verwijs de lezer
die in menselijk gedrag is geïnteresseerd of wil weten welke indruk
Wouter nu maakte op anderen naar 1153.
[8]
Wie weet of niet de dichter, als-i toch aan 't verzinnen gaat, ook
iets zegt van onechte zoons, en van het terugkeeren op t pad der
deugd, dat de menschen altyd met zooveel plezier schynen te
verlaten... zeker om het terugkeeren mogelyk te maken.
Bij gebrek aan Ideen
8 e.v. blijft het speculeren, maar zou Wouter niet een onechte zoon
kunnen blijken?
[9]
Voor deze sarkasme verklaart zich de auteur niet aansprakelyk.
Wouter mag zeggen en denken wat-i wil. Ik wasch m'n handen in
onschuld.
Dat een schrijver niet
verantwoordelijk is of zou zijn voor het proza dat hij schrijft
wordt wel eens bediscussieerd met citaten als de volgende.
Joost van den
Vondel dichtte ooit over een theologische faculteit:
't Is best die boeven af te
danken
Zij grijpen naar der Staten staf.
Best maakt m'er varkensdrijvers af
Gemest met spoeling en met draf."
Dan W.F. Hermans, die ongelovig
was:
"De katholieken! Dat is het meest
schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons
volk! Maar die naaien erop los! Die planten zich voort! Als
konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven
wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en
rotte kiezen van het ouwels vreten!" (Ik heb altijd gelijk,
1951)
Afsluitend het stichtelijk
godsvruchtig proza van Gerard van het Reve, die Katholiek was:
"En God zelf zou bij mij langs
komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel (..) 'Mijn
heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik
houd zo verschrikkelijk veel van U', zou ik proberen te zeggen,
maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en hem beginnen te
kussen en naar binnen te trekken, en na een geweldige
klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou
ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening
bezitten." (Nader tot u, 1966)
Over de laatste passage lees ik:
"De rechter vond de passage met God als copulerende ezel wel
'kwetsend en godslasterlijk' maar niet 'smalend in de zin der wet'."
(En de tweede is een citaat uit een roman.)
Hoe het zij, ikzelf ben een
voorstander van volledige vrijheid te zeggen wat men denkt, afgezien
van schadende smaad (dus onwaarheden over iemand's karakter of
levensloop die deze persoon ook schaden) en bedreigingen met geweld
e.d.
Een deel van mijn redenen is dat
wat "beledigend" of "kwetsend" zou zijn eenvoudig afhangt van
iemand's morele opvattingen, zodat wat "beledigend" is volgens de
één de waarheid kan zijn voor de ander, en dat het bijzonder
moeilijk of onmogelijk is in veel gevallen om opzet aan te tonen.