Het gegons werd
gedurig sterker. De keeren dat het Publiek misleid werd door dezen
of genen die de deur van een der loges opende - 'n foppery die
telkens op 'n te-loor gaande eerbiedsbetuiging te staan kwam - waren
niet meer te tellen. Men begon te morren, maar... zacht, zeer zacht,
zoo zacht als maar gemord worden kan.
Wat
onzen Wouter aangaat, hy vond alles vreemd, maar tot behoorlyke
ontleding van z'n indrukken was-i niet instaat. Voor den tienden
keer reeds sedert twee dagen, verdrongen de gebeurtenissen die hem
overstelpten, de aandoeningen van 'n oogenblik te-voren. Hy was er
duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal, bracht het
zyne by tot verdooving van z'n begrip. [1] Zoo-even in 't rytuig nog,
had-i zich ingespannen om iets te verstaan van Willems vertellinkje,
en ook de daarvan opgevangen indrukken waren nu reeds uitgewischt,
of althans zeer vermengd met iets anders. Hy geleek op 't lang
gebruikt leiblad van den schoolknaap, waarin de oude krassen 't
later schrift onleesbaar maken zonder baat voor eigen duidelykheid.
Op 'n palimpsest dat ingewyd werd met catullische zangen, daarna
dienst deed als afstandwyzer van germaans-romeinsche castra,
vervolgens 'n spikspelder nieuw systeem van - nogal oude -
wysbegeerte op z'n rug droeg, en eindelyk tot ons kwam als lofzang
op de H. Maagd, gratiâ plena. Er behoort veel geduld toe - en
scheikunde - om al dat overpleisterd menschenwerk uit elkaar te
houden. En wanneer nu, gelyk hier 't behandeld palimpsest, zelf 'n
mensch is... 'n codex, zooveel moeielyker te ontwarren dus
dan elk ander geschrift...
[1]
Hy was er duizelig van. Tot zelfs de eigenaardige reuk van de zaal,
bracht het zyne by tot verdooving van z'n begrip.
Hier verwijs ik weer
naar 522, waar de lezer kan leren
dat niet àlle Nederlandse schrijvers altijd de waarheid spreken, ook
niet over elkaar.