Idee 1177-2.                                                


[0] Tekstverklaring van Ovidius, door Willem Holsma. Idem door Rotgans en den auteur. Konflikt op 't Leidsche-Plein tusschen twee potentaten: Napoleon I, en Minos van Kreta.

Verdienste van 't succes met geestdrift aangeben,
Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen.

Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen. [1] Ik ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de taal der goden - er ligt 'n Rotgans in kwarto voor me - kostbaar te noemen. 

Maar ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n Ovidius - zonder onzen Vecht-zwaan [2] zou ik 't mensch in 't geheel niet kennen - en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet. [3]

Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus. Met z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op 'n stad die in n richting minstens driehonderd-en-zestig aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op muren te schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele botterikken - Napoleon I, byv. - hielden zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen geven zich in zoo'n geval - behoudens krygseer natuurlyk - ongedeerd over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't beredeneeren der mogelykheid dat ze rotten en muizen zouden gegeten hebben... ls ze belegerd waren geworden.

De stad met welker omsingeling koning Minos zich vermaakte, was met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkatho, en werd geregeerd door zekeren Nisus, 'n allerbraafst man die aan den dood van Androgeos even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos - vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld - billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkatho. Maar men is niet volmaakt.

Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n indelikate dochter - de Scylla van 't stuk - en 'n purperen haartjen op z'n hoofd, of n purperen haartje, of maar n haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten. [4] Wie nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur - spierwit kleedt antieke koningen het best - mits slechts dat eene purperen haartje... kortom 't was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit was den onderdanen van koning Nisus - volgens de laatste volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn - zeer wel bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch: 't was 'n waarborg voor welvaart, 'n pand van de welwillendheid der goden, 'n palladium. Iets als onze Kieswet alzoo.

Maar... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen van den troon... maar laat ons Willems verhaal niet vooruit loopen.

Het haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest zyn. Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden beschermen, onwrikbaar vast, maar... men mocht de goden te-hulp komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen en naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar Geloof 't recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst finaal afgeschaft en de begrooting van Oorlog begrepen in 't budjet van Eeredienst. Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was 'n heiden, en had dus verkeerde begrippen over 't gebruik van theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z'n heele leger achter de wallen van z'n... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de pylen van Minos en al die Kretenzers.

De ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militr, en wandelde parmantig op den muur. Nog prominenter vertoonde zich van zyn kant koning Minos, en wel z dat de jonge prinses smoorlyk op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige ouderdom, z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien ook z'n aanstaande verheffing in de onderwereld - onze Scylla kende haar mythologie op 'r duimpje! - dit alles was wel in-staat het hart van 'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche treurspelen.

Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla ng 'n reden om den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht heeft veel koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier was reden toe.

Met 'n heelen stoet soldaten - men telde in dien tyd duizend krygslieden op n onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie tot 'n moeilyk vak maakte! - met 'n groot leger dan, was de man van heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Alkatho te belegeren volgens alle regels van de kunst, en 't was hr bekend dat-i het strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!

Hy scheen alweer verzuimd te hebben, vr z'n oorlogsverklaring nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot 'n oorlog heenliep. Volgens Ovidius was Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem gestraft met 'n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos' dood, weten te verydelen. De casus belli die hy zoo hoognoodig had voor de zeer partikuliere industrie van z'n ministerschap, mocht eens niet bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat de res publica beheerd werd door zulk soort van ministers.

Doch zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren, werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden, zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag z'n minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!

Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen. [5]

Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen die 't gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft. Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen achteruitgang te konstateeren, f in de beminnelykheid van ouweheeren, f in de ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht. Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden - Ovidius was Hollander noch Christen - z'n stellingen bouwt. Er blykt uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet gedood of gewond werd door 'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvrheid der liefde, die van 'n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard, welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien 't hart van 'n maagd te treffen op meer dan chassepot-afstand?

Aan 'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem - heu facinus: o gruwel... ja, 't ws gemeen! - dat ne kostbare haartjen uit, en: progressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje. [6]

Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die, o.a. zelf kinderen had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter, wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid. Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta: hy noemde haar kort en goed 'n monster, en gebood...  

- We zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al weer goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik!

Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van dat eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper was?

- 't Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je jurk wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje!


[0] Zie 1160-1.


[1] Onder-weg stelde zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam hem noodzakelyk voor: omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn, als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.

Of M. hier enigszins ironisch is, bijvoorbeeld over zichzelf, die zo veel vreemde talen in z'n Nederlands proza stopte, is me niet duidelijk. Feit is dat hij op het moment dat hij dit schreef kennelijk geen Latijn van Ovidius bij de hand had om te citeren.


[2] .. onzen Vecht-zwaan ..

De lezer, die ongetwijfeld een groot kenner van de Nederlandse literatuur is, weet natuurlijk dat de vaderlandse dichter Rotgans een buiten aan de Vecht had, en begrijpt natuurlijk dat hier verder verwezen wordt naar the Swan of Avon a.k.a. Billy the British Bard.


[3] dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet.

Ik vat ook dit maar weer op als Multatuliaanse geestige kout, en laat het grotendeels zonder opmerkingen.


[4] Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n indelikate dochter - de Scylla van 't stuk - en 'n purperen haartjen op z'n hoofd, of n purperen haartje, of maar n haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans en Ovidius onbeslist worden gelaten.

Hm. Deze lezer heeft een "Encyclopedisch Woordenboek der Klassieke Oudheid" van H. Lamer, waarin op pagina 268 een afbeelding staat van - ik citeer het onderschrift - "Skylla met in haar rechterhand de haarlok van haar vader, muurschildering uit de 3e eeuw v. Chr." En dat is niet zomaar een haar of een haartje of wat, maar inderdaad een hele lok. (De afbeelding is niet in kleur.)


[5] Het schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd was. Zoo waren de meisjes in die dagen.

En nog steeds, als ik me niet vergis. Er is niets zo misleidend als sterke emotie.


[6] Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en plukt hem - heu facinus: o gruwel... ja, 't ws gemeen! - dat ne kostbare haartjen uit, en: progressa porta per medios hostes, komt ze by Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen wou met dat haartje.

Althans sommige Antieken dachten hier kennelijk anders over, getuige [4].

Idee 1177-2.