[0]
Tekstverklaring van
Ovidius, door Willem Holsma. Idem door
Rotgans en den auteur. Konflikt op 't
Leidsche-Plein tusschen twee potentaten:
Napoleon I, en Minos van
Kreta.
Verdienste van
't succes met geestdrift aangebeên,
Kweekt in 't armzalig koor, laaghartigheid alleen.
Onder-weg stelde
zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener
toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam
hem noodzakelyk voor: ‘omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn,
als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.’
[1] Ik
ben zoo vry, deze eigenaardigheid van de ‘taal der goden’ - er ligt
'n Rotgans in kwarto voor me - kostbaar te noemen.
Maar
ook de pedante Willem kende Scylla niet anders dan uit z'n
Ovidius - zonder onzen Vecht-zwaan [2] zou ik 't mensch in 't
geheel niet kennen - en dit verschafte hem gewenschte aanleiding om
z'n relaas optesieren met citaten die wel eenige kans hadden
begrepen te worden, omdat men door 't hotsen van den wagen niet
hooren kon dat-i latyn sprak. Ziehier iets van z'n verhaal... vry
overgezet. [3]
Minos was Koning van Kreta, en boos op de Atheners omdat-i ze voor
medeplichtig hield aan den moord op z'n zoon Androgeos. Oorlog dus.
Met z'n leger op-weg naar den hoofdzetel des vyands, stuitte hy op
'n stad die in één richting minstens driehonderd-en-zestig
aardbolgraden breed moet geweest zyn, want rechts en links was geen
ruimte om voorby te trekken. Ze moest dus belegerd worden. Sommigen
betwyfelen die uitgebreidheid, en beweren dat de krygskundige
liefhebbery van die dagen voorschreef met pyl en boog op muren te
schieten, al kon men er langs. Dit verschafte veel krygsroem, en gaf
tevens aan den vyand gelegenheid ook van zyn kant 'n vesting te
belegeren, waaruit de heugelyke kans geboren werd, overwinningen te
behalen aan twee zyden tegelyk. De traditie dezer wyze van
oorlogvoeren, waarby krygslieden elkaar zoo lang mogelyk uit den weg
loopen, is tot heden toe bewaard gebleven. Slechts enkele
botterikken - Napoleon I, byv. - hielden
zich niet met het beschieten van vestingen op, en de garnizoenen
geven zich in zoo'n geval - behoudens krygseer natuurlyk - ongedeerd
over, zonder andere heldendaden te hebben verricht dan 't
beredeneeren der mogelykheid dat ze rotten en muizen zouden gegeten
hebben... àls ze belegerd waren geworden.
De
stad met welker omsingeling koning Minos
zich vermaakte, was met-een 'n heel Ryk, heette Megara of Alkathoë,
en werd geregeerd door zekeren Nisus, 'n
allerbraafst man die aan den dood van Androgeos
even weinig schuld had als de lezer en ik. Eigenlyk zou Minos -
vooral in hoedanigheid van aanstaand zielenrechter in de Onderwereld
- billykheidshalve verplicht geweest zyn, de zaak wat grondiger te
onderzoeken voor hy zoo onbesuisd het beleg sloeg voor Alkathoë.
Maar men is niet volmaakt.
Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n
indelikate dochter - de Scylla van 't stuk - en 'n purperen
haartjen op z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één
haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen
deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans
en Ovidius onbeslist worden gelaten. [4] Wie
nu meenen wil dat deze vorst op dat eene haartje na, kaal was, heeft
er vryheid toe. Ook is 't geoorloofd zich den man voortestellen als
prykende met 'n dikken haarbos van gewone kleur - spierwit kleedt
antieke koningen het best - mits slechts dat eene purperen
haartje... kortom 't was 'n uniek en zeer kostbaar exemplaar. Dit
was den onderdanen van koning Nisus - volgens de laatste
volkstelling had hy er, hemzelf meegerekend, drie dozyn - zeer wel
bekend. Stad en Ryk waren trotsch op dat haartje, meer dan trotsch:
't was 'n waarborg voor welvaart, 'n pand van de welwillendheid der
goden, 'n palladium. Iets als onze Kieswet alzoo.
Maar... die indelikate dochter! Niemand was bedreven genoeg in
verdorvenheid, om de verregaande ondeugd van haar gemoed te
begrypen, laat staan te voorzien. Eilieve, wat baat 'n purperen
Kieswet, als dochters die zich lieten geboren worden op de trappen
van den troon... maar laat ons Willems verhaal niet vooruit loopen.
Het
haartje zou de stad beschermen. Dit hadden de goden beloofd, en
goden liegen niet. Heel oppervlakkig geoordeeld, zou dus onze Nisus
geen leger noodig gehad hebben, tegen welken vyand ook. Een flinke
schildwacht op de kruin van z'n hoofd, moest voldoende geweest zyn.
Maar dit scheen weer te stryden tegen aloude beginselen van
krygskunde. Wel stond het vertrouwen dat de goden den Staat zouden
beschermen, onwrikbaar vast, maar... men mocht de goden te-hulp
komen met militie, schuttery, landstorm, torpedo's, krygsliederen en
naaldgeweren. Als ik 'n heidensche god was geweest, zou ik dit
wantrouwen in de kracht van m'n bescherming heel kwalyk genomen
hebben, en ik had ieder in den steek gelaten, die my 't werk uit de
hand nemen wou. Ook in dit opzicht alzoo heeft het christendom
weldadige vruchten gedragen. In alle landen waar men door 'n waar
Geloof 't recht verkreeg op God te vertrouwen, is de krygsdienst
finaal afgeschaft en de begrooting van ‘Oorlog’ begrepen in 't
budjet van ‘Eeredienst.’ Dit is zuinig en rationeel. Maar Nisus was
'n heiden, en had dus verkeerde begrippen over 't gebruik van
theologie in krygskunde. De onnoozele stumpert zette z'n heele leger
achter de wallen van z'n... Ryk, om zich daar te verschuilen voor de
pylen van Minos en al die Kretenzers.
De
ondeugende Scylla nu was niet afkeerig van das Militär,
en wandelde parmantig op den muur. Nog proëminenter vertoonde zich
van zyn kant koning Minos, en wel zóó dat de jonge prinses smoorlyk
op hem verliefd werd. Niets natuurlyker. Z'n eerbiedwaardige
ouderdom, z'n gebukte houding, z'n lange gryze baard, en misschien
ook z'n aanstaande verheffing in de onderwereld - onze Scylla
kende haar mythologie op 'r duimpje! - dit alles was wel in-staat
het hart van 'n treurspelmaagd in gloed te zetten. Zoo waren de
tooneelmeisjes in dien tyd. Men kon nooit te bejaard, te krom of te
krygskundig wezen, als ze maar zeker waren dat haar liefde eenmaal
zou noodig zyn tot het samenflansen van verzen of echt-vaderlandsche
treurspelen.
Zielkundig gesproken, er bestond voor Scylla nòg 'n reden om
den ouden Minos byzonder interessant te vinden. Venus' dartel wicht
heeft veel koorden op z'n boog. Ze had medelyden met hem. En hier
was reden toe.
Met
'n heelen stoet soldaten - men telde in dien tyd duizend krygslieden
op één onderdaan: 'n byzonderheid die 't regelen van de konskriptie
tot 'n moeilyk vak maakte! - met 'n groot leger dan, was de man van
heel ver gekomen. Hy gaf zich de moeite Alkathoë te belegeren
volgens alle regels van de kunst, en 't was háár bekend dat-i het
strand ploegde... om dat purperen haartje! Arme Minos!
Hy
scheen alweer verzuimd te hebben, vóór z'n oorlogsverklaring
nauwkeurig te onderzoeken wie en wat er zou te bestryden wezen. Het
schynt dat men in oude tyden vry los over de toebereidselen tot 'n
oorlog heenliep. Volgens Ovidius was
Minos-zelf zoo byzonder slordig niet, maar de goden hadden hem
gestraft met 'n minister die op allerzonderlingste manier omhoog was
gevallen, en den Louvois spelen wilde om te worden aangezien voor
iets wezenlyks. Hierom dan ook had-i alle onderzoek naar de
voorgewende medeplichtigheid van Nisus aan Androgeos' dood, weten te
verydelen. De casus belli die hy zoo hoognoodig had voor de
zeer partikuliere industrie van z'n ministerschap, mocht eens niet
bestaan, wat toch jammer zou geweest zyn. Het zedelyk krygsbeginsel
in die onbeschaafde dagen schynt voorgeschreven te hebben: eerst
vechten, en dan vragen waarom? Zoo-iets zou thans niet kunnen
gebeuren, omdat onze parlementen rekenschap van oorlogsverklaringen
vragen, en ook bovendien niet dulden zouden dat de res publica
beheerd werd door zulk soort van ministers.
Doch
zelfs deze onvolkomenheid in de ouwerwetsche manier van regeeren,
werkte Scylla's al te gevoelig hart ten-kwade mee. O goden,
zuchtte zy, zou ik den man niet beminnen, die op z'n ouden dag zóó'n
minister te torschen heeft? En zonder Parlement nogal!’
Het
schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd was.
Zoo waren de meisjes in die dagen. [5]
Ovidius knoopt aan dit alles eenige niet onbelangryke beschouwingen
over liefde en artillerie, en wel bepaaldelyk over de vorderingen
die 't gebruik van schietwapenen in onze dagen gemaakt heeft.
Misschien ook, zegt-i, zou men genoodzaakt zyn, zekeren evenredigen
achteruitgang te konstateeren, òf in de beminnelykheid van
ouweheeren, òf in de ontvlambaarheid van 't vrouwelyk geslacht.
Ziehier de gronden waarop hy, redelyk scherpzinnig voor 'n heiden -
Ovidius was Hollander noch Christen - z'n stellingen bouwt. Er blykt
uit het feit der zaak-zelf, dat Minos door Scylla kon gezien worden
van naby genoeg om haar verliefd te maken, en tevens dat ze niet
gedood of gewond werd door 'n kretenser pyl. Ook de voor Scylla
zichtbare Minos werd niet geraakt door de scherpschutters uit de
stad. Wat volgt hieruit? Dat in die dagen de schootvèrheid der
liefde, die van 'n pyl uit den boog teboven ging. Welke grysaard,
welke man, welke jongeling, zou heden-ten-dage kans zien 't hart van
'n maagd te treffen op meer dan chassepot-afstand?
Aan
'n beslissing waagt zich Ovidius niet. Hy stipt slechts aan, en laat
den lezer kiezen. Ook den laaghartigen oorlog met Atjin gaat-i
stilzwygend voorby, en zegt alleen dat Scylla doodeenvoudig besloot
haar lieveling Minos krachtdadig te-hulp te komen, en wel door haar
vaderstad te onttrekken aan de bescherming der goden. Om dit doel te
bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van haar vader, en
plukt hem - heu facinus: o gruwel... ja, 't wàs gemeen! - dat
ééne kostbare haartjen uit, en: progressa porta per medios hostes,
komt ze by Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen
wou met dat haartje. [6]
Vorst Minos was 'n kreuzbraver Kerl die, o.a. zelf kinderen
had. Waarschynlyk dacht-i tevens aan z'n eigen haren, en aan 't
malle figuur dat-i eenmaal maken zou als onkreukbaar zielenrechter,
wanneer-i nu die ondeugende dochter styfde in haar verkeerdheid.
Misschien ook vond-i haar niet mooi. Hoe dit zy, principiis obsta:
hy noemde haar kort en goed 'n monster, en gebood...
- We
zyn er, riep mevrouw Holsma. Wat 'n drukte! Ik wou dat ik al weer
goed en wel thuis zat by m'n kleinen Erik!
Sietske vertelde dat ze zoo benieuwd was naar 't uittrekken van dat
eene haartje, en of men uit de verte zou kunnen zien dat het purper
was?
- 't
Staat er zoo, kind! Crinis purpureus. Stap uit, en hou je
jurk wat by-een, om 't wagensmeer... puelletje!
[0]
Zie 1160-1.
[1] Onder-weg stelde
zich Willem zooveel mogelyk op den voorgrond, door het leveren eener
toelichting van 't stuk dat men straks zou te zien krygen. Dit kwam
hem noodzakelyk voor: ‘omdat verzen zoo moeielyk te begrypen zyn,
als men niet vooruit weet wat de dichter heeft willen zeggen.’
Of M. hier enigszins
ironisch is, bijvoorbeeld over zichzelf, die zo veel vreemde talen
in z'n Nederlands proza stopte, is me niet duidelijk. Feit is dat
hij op het moment dat hij dit schreef kennelijk geen Latijn van
Ovidius bij de hand had om te citeren.
[2] ..
onzen Vecht-zwaan ..
De lezer, die
ongetwijfeld een groot kenner van de Nederlandse literatuur is, weet
natuurlijk dat de vaderlandse dichter Rotgans een buiten aan de
Vecht had, en begrijpt natuurlijk dat hier verder verwezen wordt
naar the Swan of Avon a.k.a. Billy the British Bard.
[3]
dit verschafte hem gewenschte aanleiding om z'n relaas optesieren
met citaten die wel eenige kans hadden begrepen te worden, omdat men
door 't hotsen van den wagen niet hooren kon dat-i latyn sprak.
Ziehier iets van z'n verhaal... vry overgezet.
Ik vat ook dit maar
weer op als Multatuliaanse geestige kout, en laat het grotendeels
zonder opmerkingen.
[4]
Koning Nisus was in 't bezit van twee byzonderheden. Hy had 'n
indelikate dochter - de Scylla van 't stuk - en 'n purperen
haartjen op z'n hoofd, of één purperen haartje, of maar één
haartjen, en dat was purper van kleur. De lezer mag kiezen tusschen
deze drie mogelykheden die door Willem, Rotgans
en Ovidius onbeslist worden gelaten.
Hm. Deze lezer heeft
een "Encyclopedisch Woordenboek der Klassieke Oudheid" van H.
Lamer, waarin op pagina 268 een afbeelding staat van - ik citeer het
onderschrift - "Skylla met in haar rechterhand de haarlok van
haar vader, muurschildering uit de 3e eeuw v. Chr." En dat is
niet zomaar een haar of een haartje of wat, maar inderdaad een hele
lok. (De afbeelding is niet in kleur.)
[5] Het
schepsel preekte zich voor, dat haar verliefdheid 'n ware deugd was.
Zoo waren de meisjes in die dagen.
En nog steeds, als
ik me niet vergis. Er is niets zo misleidend als sterke emotie.
[6]
Om dit doel te bereiken, sluipt zy op de teenen in de slaapkamer van
haar vader, en plukt hem - heu facinus: o gruwel... ja, 't wàs gemeen! - dat
ééne kostbare haartjen uit, en: progressa porta per medios hostes,
komt ze by Minos aan: pervenit ad regem, juist waar ze wezen
wou met dat haartje.
Althans sommige
Antieken dachten hier kennelijk anders over, getuige
[4].