Ik herinner me niet,
of ik den schoenmakersjongen die heel in de vroegte van dezen dag
zoo byzonder op de hoogte bleek van hofzaken, heb laten zeggen dat
haar hooggeboren gezicht vol puistjes was. Zoo ja, dan heb ik òf hem
gelasterd, òf de Paltsgravin zelf. Haar gelaat - niet kleiner immers
dan dat van andere lieden - kon, met het oog op de gemiddelde
uitgebreidheid van 'n puistje, gevoegelyk plaats aanbieden tot het
herbergen van 'n honderdtal. Daar ze nu slechts in 't bezit was van
zeventien - de lezer ziet dat m'n gemis aan lokaal-geheugen
ruimschoots wordt opgewogen door nauwkeurigheidszin in cyfers - kon
men niet dan met onhebbelyke verkrachting van de waarheid beweren
dat ze vol puisten zat. Sedert vele jaren waren zeventien zwarte
pleistertjes volkomen toereikend geweest, om even zooveel
misstandjes omtewerken in zeventien wanhopige bydragen tot
schoonheid.
Doch
zie, onlangs had 'n kapper te Parys - een van m'n al te menigvuldige
kollegaas in genialiteit - 'n uitvinding gedaan, die haar tour du
monde beginnen zou, en 't gezicht der Paltsgravin had gekozen
tot punt van uitgang. Tot-nog-toe had men zich barbaarschelyk
vergenoegd met mouches van zwarte zy. Voortaan zou ieder die
zich en z'n gezelschap achting toedroeg, zich moucheteeren met
pleistertjes van groenigbruin fluweel. De uitvinder was van
verrukking gestorven, en had op z'n doodbed nog even den tyd, z'n
zoon - die ook terstond stierf van verrukking - deelgenoot te maken
van 't geheim. Naar alle menschelyke berekeningen alzoo, zou de zaak
den weg opgaan van 't grieksch-vuur en goedkoop voedsel...
[1]
De
Duivel die 't menschelyk geslacht dezen poets dacht te spelen, had
gerekend buiten de scherpzinnigheid van de Paltsgravin en den yver
der diplomatie. De brave vrouw leefde nog niet op 't oogenblik toen
't recept van dat rare vuur verloren ging, en is dus voor die ramp
niet aansprakelyk. Ook de duurte der levensmiddelen mag haar niet
geweten worden, dewyl ieder inziet dat ze 't recht niet had, hoog-
en welgeboren Staatslieden aan 't werk te zetten in zoo'n nietige
besogne. Maar... die pleistertjes! Sedert lang had ze door de
diplomatie de zwangerschap van dien ouden kapper doen bespieden, en
toen de man in extremis meende alleen te zyn met z'n
insgelyks stervenden zoon, ving 'n ambassadeur 't geheim op. Hy had
z'n niet zeer lyvige persoonlykheid weten te verschuilen - waartoe
de kleinte dient! - achter 'n medicynfleschje. Ook hyzelf had eenige
moeite om niet te sterven, maar de noodzakelykheid om z'n verheven
gebiedster gelukkig te maken, noopte hem z'n al te doodelyke
verrukkingen te beheerschen, en nog lang genoeg in 't leven te
blyven om haar inzage te geven van 't ontdekte natuurgeheim. Daarop
zakte hy, als 'n oudgrieksche zege-boodschapper, juichend in-een.
Zyzelf echter bezweek niet. Immers, wat zou ze dan met 'r
pleistertjes hebben uitgericht?
Juist heden avend - de laatste van Wouter's korte
wind-streek-periode - moest de zaak voor 't eerst worden toegepast.
Aan de hulde der Souvereinen was 't mensch gewoon. De ware prikkel
bestond ditmaal in de betoovering van 't Volk, de ce pon beuble,
zooals ze 't parterre noemde in oogenblikken van goede
digestie. Men zou juichen, aanbidden, flauw-vallen, by 't
aanschouwen en genieten der nieuwmodische pleistertjes van
groenig-bruin fluweel!
Maar, helaas, ook die pleistertjes - hoe volkomen overigens -
deelden in-zoover in 't lot van alle aardsche dingen, dat ze één
kwetsbaar punt aanboden. De Satan... neen, ik kan waarlyk niet
zeggen wie er de hand in had, maar zeker is 't, dat de nieuwe
mouches niet zoo goed als de oude, bestand waren tegen de
warmte. Door 'n allergeheimzinnigst-scheikundige ontleding van de
kleurstof, verwisselden de tinten van rol, zoodat de groenigheid
bruin werd, en de bruinigheid groen. Had de oude kapper één sekonde
langer geleefd, noch één oogenblikje dóórgebaard... was er 'n tweede
diplomaat van scherp gehoor tegenwoordig geweest by dat
sterf-kraambed - plaats achter de beddekwast, was er nog wel voor
tien diplomaten! - dan misschien... wie weet...
Maar
dit was nu eenmaal zoo niet! De fluweelpleistertjes konden niet
tegen de warmte, en 't behoedmiddel tegen dat gebrek was
onherroepelyk ten-grave.
De
opperhofmetereoloog had verzekerd dat in den zomer de avenduren van
negen uur tot na middernacht, koeler waren dan van zeven tot elf.
Het daarby heel nauwkeurig uitgerekend graadverschil - juist de paar
graadjes die de pleisters noodig hadden! - was oorzaak dat onze
gulle Palatine de hand van 'n... graafschap beloofde aan 's Keizers
kamerdienaar, wanneer-i Z.M. kon wys-maken dat er 's avends voor
negenen 'n heel ongezonde wind woei op de Leidsche-straat.
De
kamerdienaar is behoorlyk met z'n graafschap getrouwd geraakt, en
dit is de reden waarom dokter Holsma ruim den tyd had, Wouter's
moeder te bezoeken voor 't aangaan van den schouwburg.