- Houd je van
schilderyen? vroeg Holsma by 't uitstappen.
- O,
zeker, m'nheer!
-
Wel, dan moet je-n-eens in de zykamer zien, wat daar aan den wand
hangt. Bekyk maar alles op je gemak...
De
dokter opende de deur van die kamer, en noodigde Wouter uit, binnen
te treden. Hyzelf echter ging haastig den gang door, en den trap op,
die naar de huiskamer leidden, waarschynlyk met de bedoeling z'n
gezin voortebereiden op de manier waarop Wouter moest ontvangen
worden. Dáárom die verwyzing naar de zykamer.
Ons
vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot het
begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding.
[1] En
zelfs was-i te ongeoefend om zich te ergeren aan de leegte van
denkbeelden, die de anderen ternauwernood onderscheidt. By ‘één
heer met één hond en één haas’ zag-i 'n heer met 'n hond en 'n
haas. Toch zou juist hy beter dan menig ander in-staat geweest zyn,
dien onnoozelen ‘heer’ 'n geschiedenis toetedichten, en 't stuk
overteschilderen met de kleuren van z'n fantazie, als-i maar even
tyd had gehad. Maar op-eens treft hem 'n vrouweportret... 'n
koningin, of 'n fee, of 'n toovergodin, of 'n burgemeestersdochter,
of 'n dame uit 'n boek...
't
Was Femke!
Maar
in-plaats van den noordhollandschen kap, droeg zy 'n diadeem van
glinsterende steenen, neen... 'n straalkrans, neen... 't was 'n
kroon van sterren, of...
-
Vader en moeder laten je roepen. 't Eten staat op tafel! Heb je geen
pyn van je val?
Goeie goden, daar kwam nu ook de kleine Sietske hem plagen met z'n
fabelachtig paard! Tegen háár kon-i toch niet opvliegen, zooals hy
tegen Kaatje gedaan had! Bovendien, z'n olympische toorn was òp! Hy
antwoordde vry bedaard dat-i niet gereden had, en dus...
-
Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik
bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't
koffihuis! [2] Gut, hoe grappig! En als je geen pyn hebt, en... heelemaal
wel bent, gaan we van-avend samen uit. Vader, moeder, Willem,
Herman, jy, ik... allemaal! Naar de komedie, weetje?
Het
vlugge ding gaf blyk dat zy de door haar vader voorgeschreven
medikatie goed begrepen had. Ze verslikte het fatale paard als 'n
hapje suiker.
-
Uitgaan? seurde Wouter. Heel graag, maar... m'n moeder!
-
Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader brengt
altyd alles terecht. [3] Kom maar mee...
Nog
in den gang, bleef Wouter eensklaps staan. Hy wenkte Sietske, bracht
haar terug voor 't portret in de zykamer, en vroeg:
-
Sietske, zeg me, wie is dat?
-
Wel, 'n over- over- over-grootmoeder van ons.
-
Maar 't lykt op...
- Op
Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op elkaar. Als Herman
'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem onderscheiden. Kom nu
mee, we mogen vader en moeder niet laten wachten. [4]
En,
hem by de hand nemende, trok ze 'm den gang door, den trap op, en de
eetkamer in, waar Wouter verwelkomd werd met de kalme vriendelykheid
die door den dokter was voorgeschreven. Gedurende den maaltyd
richtte men juist even genoeg het woord tot hem, om hem op z'n gemak
te zetten, doch niet genoeg om voedsel te geven aan 't denkbeeld dat
hy 't onderwerp was van byzondere oplettendheid. Toen Sietske, als
om verschooning te vragen voor haar lang toeven in de zykamer,
vertelde dat Wouter de gelykenis van dat oude portret met Femke had
opgemerkt, zei Holsma nuchter:
-
Ja, daarvan is wel iets aan, maar onze kleine Fem is zoo mooi niet.
Dat scheelt veel:
Hu,
'n droge douche! [5]
Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy
meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles
wat niet op haar geleek. [6] En dat ‘hoogste’ openbaarde zich... in haar
trekken niet, maar in de aandoeningen die hy vry eigendunkelyk aan
die trekken vastknoopte. Toen-i op z'n laatst examen die moeielyke
‘som’ zoo korrekt oploste, was 't Femken of iets vàn Femke, dat hem
aanwees waar de verborgen knoop lag, en toen-i eenmaal gerekend had:
zeven maal negen is vier-en-vyftig, had de genade van
juffrouw Laps z'n denkvermogen in den weg gezeten, als 'n zandkorl
de radertjes van 'n fyn uurwerk. Z'n vermeende liefde was
vereenzelvigd met den lust tot weten, kennen en begrypen, en dáárom
stuitte het hem - hem die onder aanroeping van Femke's naam, de
eerste was geworden op Pennewip's school - iets te hooren verheffen
boven háár. Als de dokter maar eens 'n flink examen had doortestaan,
meende hy, dan zoud-i wel ànders oordeelen over Femke's ‘mooiheid.’
Heerlyk schoon wàs 't portret, o zeker! Maar lag niet juist hierin
'n reden om precies op háár te gelyken? En de diadeem, of wat was
het? Wel, zoo'n ding zoud-i immers ook háár opzetten, zoodra hy...
Ja,
wanneer?
Goed! Eéns zou die tyd komen. En dan kon ze tien diadeemen krygen
voor een, schoon 't nog altyd de vraag blyven zou of 'n heel
firmament haar beter kleedde dan de noordhollandsche kap?
Maar
al deze overleggingen - nu-en-dan afgebroken door: ‘wil je wat saus,
Wouter?’ of: ‘houd je van sjalotten by je vleesch?’ - betraden de
wereld niet. Ze bleven zich als kluizenaartjes opsluiten in 't
celletje waar ze geboren werden, en broeiden daar, en gistten, en
kookten...
-
Veel peper is niet goed voor je, zei Holsma.
Och,
juist was-i bezig met 'n sterk gekruid: ‘ze heeft my broeder
genoemd!’ En - zonderling niet, maar toch verrassend voor hem! -
op-eens vond-i dat het woord: ‘broedèr’ beter paste by diadeemen en
sterrenkransen, dan by 'n hoofdtooisel dat gedragen wordt door
melkboerinnen ook. Beter by dat portret, dan by 'n... dame met eelt
in de handen. Want dàt had Femke, en dame was ze toch: de
zyne! Ach, had ze maar liever: broer gezegd! Maar...
dáárby zou weer die koninklyke Elisabeths-houding misstaan hebben.
Zóó immers ook zou dat portret in de zykamer de hand uitstrekken...
als 'n portret de hand uitstrekken kòn. Kyk, zóó:
En
Wouter maakte een vry linksche beweging, waarmed-i 'n schotel scheen
aantewyzen.
-
Sla? vroeg Sietske.
De
verwarring die hieruit ontstond, werd weder goedgemaakt door 'n paar
eenvoudige woorden van de moeder, over 't weêr, in-verband met het
voorgenomen uitgaan van dien avend.
- 't
Zal heel vol zyn op den weg, beste man. Ieder wil graag koningen en
prinsen zien. 't Is waar ook, we hebben ons gastje nog niet gevraagd
of-i lust in de zaak heeft? Ons plan is naar de komedie te gaan. Je
wilt immers wel mee, mannetje?
't
Antwoord laat zich raden. Wouter was verrukt. Hy was nooit in 'n
schouwburg geweest, en verlangde vurig naar onechte zoons.
[7] Dat de
voorstelling zou worden opgeluisterd door de tegenwoordigheid van 'n
groep geliefde souvereinen, trof hem minder. Hy had tien koningen
present gegeven voor één baron die volgens de regels van de kunst 'n
meisje verleidt.
‘Zóó noemt men zulks’ had Stoffel gezegd, en Wouter had zich deze
terminologische bedrevenheid toegeëigend, niet zonder toejuiching
van z'n eigen deugd. Want - dáár ging hem 'n licht op! - hy had
zich met juffrouw Laps niet gedragen als 'n slechte baron, volstrekt
niet! Hy was gebleven op 't pad der deugd... zoo noemt men zulks! En
zy zou hem zeer dankbaar zyn... hèm!
Hem,
en dien zevenklapper zeker!
- We
zullen de helft der souvereinen van Europa zien, zei Holsma, en
dozynen kandidaten, die misschien nooit...
Wouter kende dit woord weer niet anders dan in den zin van
aanstaande dominees. Hy gaf halfluid z'n bevreemding te kennen, dat
zulke personen de komedie bezochten...
-
Wel neen, zei Sietske, 'n kandidaat is iemand die... wat worden wil.
Koning, by-voorbeeld.
Wouter voelde zich allerkandidaatst.
Hierop vertelde Willem hem iets over witte kleeren, uit z'n
Antiquitates Romanae, dat hem niet het minste belang inboezemde
op-zichzelf, maar alweer de oude snaar deed trillen van verdriet
over z'n gebrek aan kennis. Dit leidde z'n gedachten op den
verloopen schooltyd - hy had toch waarlyk z'n best gedaan! - op z'n
huis, op z'n gewone omgeving, en met angst herinnerde hy den dokter
aan de verstoordheid van z'n moeder over z'n lang uitblyven. Holsma
beloofde hem de familie te gaan geruststellen, waartoe voor 't
vertrek naar de komedie, nog ruimschoots tyd was. Op hoog bevel
namelyk zou de voorstelling twee uur later dan naar gewoonte
beginnen. De souvereinen hadden dit aldus bepaald om de warmte. Ook
hierin had zich de invloed van de Palatine doen gelden. Ziehier,
waarom? Alweer teleologie!
[1]
Ons vrindje bekeek de schilderyen, maar genoot er weinig van. Tot
het begrypen van goede stukken, ontbrak hem de noodige opleiding.
Ik ben niet zeker
wat M. hier bedoeld, maar neem aan dat hij niet zozeer op onderwijs
in schilderscholen doelt als op kennis van de gebruikelijke
onderwerpen van schilderijen.
[2]
- Zóó? Niet gereden? Niet op 'n paard gezeten? Wel zeker niet! Ik
bedoel of je nog pyn hebt van je val op ons tafeltjen in 't
koffihuis!
De lezer kan 't nalezen in 1129.
[3]
- Dat zal vader wel goedmaken. Bekommer je dáárover niet! Vader
brengt altyd alles terecht.
Niet alle vaders
altijd, en Multatuli ook niet, waar het zijn eigen kinderen betrof.
[4] -
Maar 't lykt op...
- Op Femke? Wel zeker! Op my ook! We lyken allemaal op
elkaar. Als Herman 'n amelander kap opzet, kan je 'm niet van Fem
onderscheiden. Kom nu mee, we mogen vader en moeder niet laten
wachten.
Hier wordt de lezer
behoorlijk wat verklaard over de oorzaak van een deel van Wouter's
verwarringen, en de lezer behoort op te merken dat er drie
vrouwelijke schonen van ongeveer gelijk uiterlijk in Wouter's
leefomgeving - "zo noemt men zulks" - rondwaren, en dat hij op dit
moment op twee ervan verliefd is, al weet hij dat zelf niet.
En wat betreft "amelander
kap": Multatuli's ouders waren
van Ameland afkomstig, zodat hij goed kon weten hoe zo'n ding er uit
zag. En al in 512 vermeldt M.
dat Femke zo'n ding droeg.
[5] Hu,
'n droge douche!
Een letterkundige
opmerking: Ik heb geen idee of deze oxymoron in de tijd dat nog heel
weinig huizen een douche hadden van enig soort een staande
uitdrukking voor "een onprettige verrassing" was, zoals "een koude
douche" tegenwoordig.
En merk op dat
Wouter een koude douche kreeg van Femke's moeder in
1167.
[6]
Wouter had er nooit aan gedacht, of Femke mooi of leelyk was. Hy
meende alleen dat er gebrek aan... 't hoogste moest bestaan in alles
wat niet op haar geleek.
Dit verbaast me
nogal, vooral omdat het verliefd worden op iemand met zich mee
brengt dat men deze persoon minstens aantrekkelijk vindt.
[7]
Wouter was verrukt. Hy was nooit in 'n schouwburg geweest, en
verlangde vurig naar onechte zoons.
Waar hij over leerde
in wat voor de lezer 1049c en
1050 zijn.