Idee 1173.                                                


Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't eentonig-banale z'n aangename zyde heeft. [1] Met iets als heimwee, voelde hy zeker verlangen naar de huiselyke atmosfeer van verveling in zich opkomen. 

- In-godsnaam, naar huis, zuchtte hy, met of zonder muts dan! En... ik zal de deur zoo goed mogelyk sluiten, want hier kan ik 't niet langer uithouden!

Juist was-i van plan dit heldenstuk uittevoeren, toen de deur op-nieuw geopend werd. Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan. [2] Eindelyk:

- Kom... jy.. me... nu... hier... ook... voor... mal... houden?

- Gut, jongeheer! Ik kom van Femke...

- Van... welke... Femke? Is... dat... misschien... weer... 'n grootmoeder van je, h?

En met dreigend gebaar deed hy 'n stap vooruit.

- Ben... jy... de vryster... van... Stoereman den molenaar, h?

Weer 'n stap vooruit. En Kaatje terug!

Kom... jy... ook... hier... alweer... kyken... of... ik... heelemaal... naakt... ben, h?

- Och, jongeheer, wat 'n praat!

- Wil jy... me... ook... van 't paard zien vallen... h?

Kaatje was de deur uitgedrongen. Hy volgde haar met gebalde vuisten.

- Maar... jongeheer, om-godswil, wat mankeert je?

- Wat... me... mankeert? Ik wil niet langer voor gek worden gehouden, dt mankeert me! Versta je dt?

Ze week jammerend terug, en noodigde hierdoor tot vervolgen uit. Z'n woede voedde zichzelf, en met afgemeten groote stappen - komiek om te zien, maar voor hm de maatslag van z'n verwenschingen - drong hy voortdurend op haar toe. Ze legde rugwaarts den weg af, dien ze gekomen was, het padje door 't bleekveld.

- Och, lieve-jesis, als dokter maar kwam!

- Waar... zie... jy... me... voor... aan?

- O god, o god...

- Wat... denk... je... van me? Denk... jy... ook... dat... ik... dronken... ben?

- Neen, neen, o neen... volstrekt niet!

- Of... gek?

- Bewaar-ons! Och, waar blyft dokter!

Twee gelykluidende kreten maakten 'n eind aan den zonderlingen wedloop. Atalante riep:

- Daar is-i, goddank!

Meleager:

- Daar is-i, goddank!

De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald. [3]

Wouter nam zonder omslag z'n eigendom terug. Kaatje vloog Holsma te-gemoet, en deed 'n jammerklagend relaas van haar wedervaren.

- Zou 't z erg wezen? zei de goede man.

Hy naderde ons leerling-menschje, dat bezig was z'n petje te zuiveren van modder en kroos, en sprak hem aan.

Wouter zag verschrikt op.

- Zoo, m'n jongen, ben je daar? Wel, dat treft goed! Ik kom je vragen of je plezier hebt, vandaag by ons te komen eten? We wachten je allemaal, en van-avend gaan we misschien samen uit, als je lust hebt, ten-minste.

Dt was de toon die vereischt werd!

Wouter berstte in tranen uit - de weerslag van z'n woede - en vloog den dokter om den hals.

- Asjeblieft, asjeblieft, m'nheer! Dat 's met-een goed voor m'n moeder!

Holsma wenkte Kaatje die - bang voor Wouter - op eerbiedigen afstand het tooneeltjen aanzag.

- Ga aan juffrouw Pieterse zeggen dat de jongeheer by my is, en den heelen avend blyft.

- Ja, riep Wouter haastig, en...

De geneesheer zag hem onderzoekend aan. Hy vreesde iets van de hem aangekondigde krankzinnigheid te bespeuren. Maar Wouter's oog spelde niets verdachts. En z'n woorden ook niet:

- M'nheer, mag ze 'r asjeblieft byzeggen...

- Welnu, m'n jongen, spreek op! Wt moet ze 'r byzeggen? Wat heb je-n-op je hart?

- Dat ik... by u ben geweest... den heelen, heelen, dag!

Holsma bedacht zich even.

- Wel zeker, zeid-i, den heelen dag.

- Van van-morgen... zeven uur af?

- Ja, van zeven uur af, herhaalde de dokter.

- Ik heb... by u ontbeten?

- Goed, de jongeheer heeft by ons ontbeten. Wel zeker, hy heeft by ons ontbeten! Je kunt wel meeryden, Kaatje.

En Wouter in 't koetsje leidende, gaf-i den koetsier last optehouden voor 't huis Pieterse: waar 't meisjen 'n boodschap had. Toen hy naast Wouter plaatsnam, greep deze z'n hand, en riep:

- Och, m'nheer, wat 'n geluk dat ik u zie!

- Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is... [4]

- 'n Nicht? viel Wouter haastig in.

- Ja, en 'n zeer brave vrouw, antwoordde Holsma met 'n eenvoudigheid, waartoe Wouter nog in lang niet zou in-staat geweest zyn als ze zyn nicht geweest was.

- Ze is onze nicht, en ik kwam haar bezoeken. Dit doe ik alle weken... niet als dokter, maar als neef. Jy mag daar gerust komen, jongen! Je zult er geen kwaad leeren.

- M'nheer, riep Wouter - en hy bloosde - ik houd zoo erg veel van Femke!

- Z? antwoordde Holsma droog. Ik ook.

De geneesheer, alle blyken van onderzoek zorgvuldig verbergende, sprak over onverschillige zaken, en bespeurde weldra dat z'n keukenmeid zich vergist had in de diagnose. Wel toonde zich Wouter opgewonden en uitgeput tegelyk, maar krankzinnig was-i niet. Integendeel. Holsma bemerkte dat z'n ziel aan 't groeien was. En dit moest wel. Fancy scheen bezig de aarde om hem wegtegraven, hem te schudden en te geeselen, gelyk tuinlu gewoon zyn met vruchtboomen te handelen, die zy byzondere zorg waard-keuren, en willen noodzaken tot dracht. Dit noemen zy: de vier windstreken laten zien.


[1] Hy werd moe van 't ongewone, en begon intezien dat ook 't eentonig-banale z'n aangename zyde heeft.

Dit kan weer begrepen worden als een Multatuliaanse "note to self".


[2] Er trad iemand binnen. 't Was dokter's Kaatje. Wouter herkende haar niet, en begreep er niets van, toen ze hem zeide door Femke gezonden te zyn om te vernemen hoe hy zich bevond? Hy zag de boodschapster eenige oogenblikken vorschend aan.

Wouter begrijpt het niet en wordt boos. De lezer die het ook niet begrijpt bedenke dat vrouw Claus de moeder van Femke was, en dat Femke bij dokter Holsma oppaste.


[3] De een ontwaarde het koetsje van dokter Holsma, dat snel kwam aanrollen. De ander bespeurde dat twee jongetjes die in de sloot naar kikkers vischten, z'n pet hadden opgehaald.

In het vorig idee was er sprake van een "mussie" van een prinsenzoon. Ik vermoed dat dit M.'s opzettelijke tegenhanger voor Wouter is: Een geheel niet koninklijk hoofddeksel.


[4] - Vind je! 't Is toch... louter toeval. Vrouw Claus is...

Van het soort "toeval" dat wel aangeduid wordt als "deus ex machina", en door M. zelf aan de teleologische bemoeienissen van zijn Fancy.

Idee 1173.