Idee 1167.                                                


Vrouw Claus geleidde hem in en door haar huisje naar 't erf daar-achter, waar 'n groote pomp stond. 

- Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar... [1]

Geheel wakker was onze slaper nog niet. Hy had tyd noodig om z'n herinneringen te regelen, en 't werkelyk gebeurde te zuiveren van de laatste droomerige toevoegsels. Hy verzekerde daarom dat-i... hoofdpyn voelde, en niet zou kunnen spreken voor-i zich behoorlyk gewasschen had. Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naďveteit dacht zy te-dezer-zake in 't minst niet aan zichzelf [2], en meende al heel veel gedaan te hebben om Wouter gerust te stellen, door 'n paar lakens over den rand van 'n latten-schutting te slaan, zoodat nu 't erfjen, op de zoldering na, vry wel naar 'n afgesloten kamer geleek.

- Zie zoo, m'n jongen, nu kan geen mensch je zien, geen sterveling! Wie dáár overheen kykt, moet knap wezen!

Geen ‘mensch’ geen ‘sterveling?’ En zy dan? Wouter wist waarlyk niet hoe hy 't had. Gister nog zoud-i misschien zonder den minsten erg...

Ach, hy was zooveel ouder sedert gister! En 'n beetje wyzer ook! En dus... iets minder onnoozel ook! Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus? [3]

- Ja, ja, ik begryp best wat je mankeert, zei ze. Je hebt je leedjes niet tot je wil, dŕt is het! Wat doe je-n-ook op zoo'n beest!

En ze pakte hem flink beet, en begon hem te ontdoen van z'n kleeren, en Wouter liet haar begaan alsof hy vyftien jaar jonger geweest was. 't Moest wel! Hy voelde zich vernietigd, en al wat in hem was, loste zich op in één uit afmatting berustend: in-godsnaam! De flauwe tegenstand dien-i nu-en-dan bood, werd door z'n baker opgevat als kinderlyken gril, en dáármee wist ze raad! 't Scheelde weinig, of ze had er 'n ‘suia, suia, kindje’ by gezongen. Want - honni soit qui mal y pense!- zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den jongen ridder. [4]

Toen ze gereed was, zette zy hem op 'n laag bankjen onder de pomp, en sloeg de hand aan den slinger. By de eerste druppel rilde hy, en weldra klaterde 'n breede waterstraal hem op hoofd en schouders. Van teweerstellen was geen spraak. Hy kon zien noch spreken, en Vrouw Claus vatte z'n ‘brrr!’ dat misschien beteekenen moest: ‘genoeg, genoeg!’ als 'n betuiging van tevredenheid op.

- Ja, zieje, na zoo'n val stygt het bloed...

'n Pompslag!

- Brrr!

...naar je hoofd! En de kou van 't water...

'n Pompslag!

- Brrr!

...als je maar niet je nek gebroken hebt...

'n Pompslag!

- Brrr!

...want dan helpt het niemendal! En...

'n Pompslag!

- Brrr!

...als je ribben stuk zyn, ook niet! Zou je niet...

'n Pompslag!

- Brrr!

...denken, dat het nu genoeg is! ik heb...

'n Pompslag!

- Brrr!

...pyn in m'n milt! Maar anders, ik...

'n Pompslag!

- Brrr!

...ik wil wel! Zoo lang als je maar...

'n Pompslag!

- Brrr!

...als je maar wilt!

Op-eens hield zy op, maar liet den slinger niet los, zeker om blyk te geven van goeden wil om terstond weer te beginnen, als de patient het verlangen mocht.

- Gut, ik heb vergeten je te vragen of je misschien liever hebt...

- Brrr!

...dat ik je boen met groene zeep? Zoo wascht zich onze Fem altyd, weetje? 't Vel glimt er zoo van! Je moest haar rug eens zien... 'n ware spiegel, kompleet 'n spiegel!

Wouter wilde heusch iets zeggen, maar kon niet. Wŕt zoud-i gezegd hebben? Femke's rug, een... spiegel?

- Ja, en haar voorhoofd ook? Heb je dat nooit opgemerkt? Nu, dat komt alleen van de groene zeep! Is je moeder niet gewoon je te wasschen met groene zeep? En dan... boenen, weetje, schuieren, schuren, flink! Maar ben jy gewoon 't zonder zeep te doen? Gut, dat wil ik ook wel...

En ze maakte zich gereed om weer te beginnen. De vreeselyke slinger rees...

- Ik... geloof... heusch... dat het nu wel genoeg zal wezen, bibberde Wouter.

En hy kreeg 'n gulp water in de mond, zoodat zy hem alweer niet verstaan kon.

- Groene zeep is ook goed voor peesknoopen...

- Brrr!

...en rimmetiek! Als je maar van-binnen niet heelemaal stuk bent, want dan...

- Brrr!

...is er niks an 'n mensch te doen.

Het was niet zonder inspanning, dat Wouter, koud, moe, beschaamd en gebiologeerd, het waagde zich en z'n bankje eventjes van onder den straal weg teschuiven. Dit sprak iets duidelyker, en bad vry welsprekend om genade. Eigenlyk had-i gedurende de heele kunstbewerking niet anders gedaan, maar wat baatte het? Besef om optestaan had-i niet. En bovendien... de goeie vrouw had z'n kleeren over 'n droogstok geslagen, die niet onder z'n bereik was, en hy, gaandeweg wakker geworden, begon schaamte te voelen over z'n volslagen gemis aan bedekking. Hy bleef onbewegelyk zitten, maakte zich zoo klein mogelyk, en verschool z'n kin tusschen de knieën. Ik denk dat Adam in Genesis III ook zoo-iets gedaan heeft, en dit zal wel de oorzaak geweest zyn, waarom hy in dat verdrietig hoofdstuk van de paradyshistorie zoo moeielyk te vinden was.

- Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade. [5]

- Neen, neen, o neen, antwoordde hy snel, bevreesd dat 'n nieuwe straal - de slinger rees al! - hem weer de spraak zou afsnyden. Neen, maar...

De onschuldige vrouw begreep niet wat hy wilde. En daar-i als 'n klompjen in-een gedoken zat:

- Heb je véél pyn? vroeg ze.

- Neen! Pyn juist niet, maar...

- Ben je misschien moe van 't ryden?

- Van 't ryden? Ja, ja, ik ben erg moe!

- Dŕt is het! riep Vrouw Claus. En ik heb 't wurm in z'n slaap gestoord! Weetje wat we doen zullen? Je moet wat slapen... dat denk ik er van.

En met 'n onbeschroomdheid, waarvoor ik eerbied vorder van den lezer - zouden er zyn, die hiertoe te laag staan? - droogde zy Wouter af. Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem - zoo opgevouwen als-i was - daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed. [6]

Hy voelde dat ze hem neerlegde, en warm toedekte...

- Strek jy je beenen gerust uit, m'n jongen, als ze maar... in-godsnaam niet gebroken zyn.

Wouter deed wat ze gelastte, en voelde 'n onbeschryfelyke gewaarwording van welbehagelykheid. Z'n lichamelyke aandoening steeg tot verrukking, toen z'n voedster de dekens naast hem ‘instoppende’ de heerlyke woorden uitte:

- Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van onze Fem, weetje! [7]

Op Femke's bed! Wčl mocht Vrouw Claus zeggen dat dit hem goed zou doen! Was 't niet jammer dat-i de kracht niet had, zich wakker te houden om te blyven beseffen waar-i was! Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch. [8]

Doch hoe plezierig 't wakkerblyven zou geweest zyn, ook de slaap - nu van gezonder aard dan zoo-even op dien boomwortel met wat gras er naast - werkte weldadig. Straks by 't ontwaken, zoud-i heel op z'n gemak aan Femke denken. Zoo had hy zich voorgenomen toen-i Vrouw Claus hoorde wegsluipen tot halfweg de deur. Voor ze die geheel bereikt had, nam hy niets meer waar, zelfs z'n droomen niet.

Wel beschouwd, hy had tot-nog-toe niet te klagen over Fancy's leiding, al koos ze vreemde middelen om hem optevoeden tot mensch...

Want - onder ons, lezer - dáárop eigenlyk scheen de zaak aangelegd!


[1] - Kleed jy je maar gerust uit, m'n jongen! Niemand kan je hier zien. Maar... hoe kwam je 'r toe, my zoo op-eens by m'n voornaam te noemen? Niet dat ik 't kwalyk neem, gut né, maar...

In dit idee krijgt de lezer de gezonde pendant van juffrouw Laps gepresenteerd, in de gestalte van vrouw Claus.


[2] Vrouw Claus bemerkte dat-i te beschroomd was om zich te ontkleeden. Met kostbare naďveteit dacht zy te-dezer-zake in 't minst niet aan zichzelf

En geheel anders dan juffrouw Laps, die dan ook heel andere plannen had, al beoogden ook die plannen een naakte Wouter.


[3] Of hoe anders moet het heeten, die schroom om zich te stellen op de laagte of hoogte van Vrouw Claus?

Valse schaamte, bijvoorbeeld?


[4] Scheelde weinig, of ze had er 'n ‘suia, suia, kindje’ by gezongen. Want - honni soit qui mal y pense!- zoo bakerlyk was haar indruk by 't uitkleeden van den jongen ridder.

Alweer geheel anders dan juffrouw Laps.


[5] - Wou je nog wat? vroeg z'n goedige Najade.

Een letterkundig Neerlandistiek academicus zou hier wellicht - genre Schrant (1116) - willen opmerken dat een Naďade een bronnimf is, en iets geleerds opmerken over pompen en water.

Dit braaf opgemerkt zijnde wil ikzelf echter de lezer in herinnering brengen dat de meeste, wellicht alle, namen in Woutertje Pieterse een bijbetekenis lijken te hebben, zoals de naam van juffrouw Laps niet per ongeluk aan het Latijnse "lapsus" doet denken.

Ik wil nu een vraag opwerpen die bij mijn weten noch gesteld noch beantwoord is door minstens zes generaties Neerlandistieke academische letterkundigen, genre Schrant: Wat betekent de naam "Vrouw Claus", if anything, gezien de zo juiste naam van Kristien Laps?

Wel, lezer: Ik moet gissen, maar het valt me op dat vrouw Claus, die zo standbewust is, en zo graag en zo goed voedt en reinigt, een achternaam draagt die, ook al via het Latijn, "rede" betekent. En het geval wil dat de favoriete versie van Multatulli van Johannes 1 vers 1 luidt "In den beginne was de Rede, en de Rede was by God, en de Rede was God." (Zie 175)

Kortom, ook met verwijzing naar 405-412, waar we een droomachtige hemelse visie op Wouter's achtergrond aangeboden kregen, lijkt het mij niet zo érg onwaarschijnlijk als Multatuli met vrouw Claus, pater Jansen en Femke iets als de heilige drie-eenheid aanduidt, of anders daardoor gezonden schutsengelen, met heel menselijke eigenschappen en een heel menselijke verschijning.

En nee, dit is geen bewijs - maar bewijzen zijn hier niet mogelijk. Plausibel komt het me wel voor, ook gezien dit idee en het voorgaande. De Wouter-geschiedenis is immers een sprookje, zodat we het mogen duiden, en het is minstens opvallend dat de weinige goede mensen die men er in treft familie van elkaar zijn, of met die familie samenhangen.  


[6] Ze trok 'n beddelaken van de schutting, wikkelde hem - zoo opgevouwen als-i was - daarin, en droeg 'm weg als 'n pakje waschgoed.

Als ik gelijk heb met mijn zojuist geopenbaarde gissing omtrent Multatuli's bedoeling - iets wat ik, als gezegd, hooguit aannemelijk kan maken - dan behoort de eenvoud, volksheid en directheid ook noodzakelijk tot vrouw Claus, evenals de mogelijkheid haar aan te zien voor niet meer dan een vrouw met een bleek, een goed hart, een gezond verstand, en een lieve dochter.

En in ieder geval laat ze ons hier zien hoe een goed mens zich gedraagt tegen Wouter, in contrast met juffrouw Laps.


[7] - Ja, slaap maar, arm kind. Je ligt daar goed... dat is 't bedje van onze Fem, weetje!

Vrouw Claus is heel wat machtig, moet de lezer opmerken, want hier legt ze Wouter te slapen in het bed van zijn beminde, waar jongens veel van dromen, want jongens zijn zo.


[8] Hy beproefde dit... als kleine man en als ridder, maar hy bezweek als 'n mensch.

En dit heb ik eruit gelicht als fraai gezegde, en ook als mededeling over Wouter: Hij is een mens dat man aan het worden is, en vooral bewogen wordt door ridderlijkheid, zowel vanwege z'n gemoed als z'n literatuur.

Idee 1167.